© Arno Declair

Mia Vaerman

Leestijd 5 — 8 minuten

Histoire de la violence/Im Herzen der Gewält – Edouard Louis & Thomas Ostermeier

Een masterclass in kruispuntdenken

De jonge Franse auteur Edouard Louis en de Duitse theaterregisseur Thomas Ostermeier sloegen de handen in elkaar voor een voorstelling die diep doordringt in de vraag naar identiteit en het kruispuntdenken dat ermee verwant is.

‘Nos corps sont automatiquement pris dans la vie des autres.’
Edouard Louis

De plot is een bewerking van de gelijknamige autobiografische roman van Edouard Louis die inmiddels veel bekendheid heeft gekregen in Frankrijk én erbuiten. Het is een verslag van een liefdesnacht tussen de auteur en een onbekende man die gewelddadig afloopt. Het relaas wordt niet alleen vanuit de protagonist zelf verteld, maar meer nog door de anderen in zijn plaats: dokters, verplegers, politie, zijn zus, haar man. Het wordt pijnlijk duidelijk dat hij geen meesterschap heeft over zijn eigen verhaal. “Onteigend van mijn eigen leven”, zo formuleert Louis het in een publiek gesprek de dag na de voorstelling in Théâtre National. Tegelijk botst in Histoire de la violence dat hoofdpersonage zelf op de verschillende identiteiten binnen hemzelf die hij maar moeilijk met elkaar kan rijmen. De openhartigheid waarmee Edouard Louis (auteur én personage in het stuk, dus) die caleidoscopische realiteit blootlegt, maken hem tot een ongemeen fascinerend en innemend figuur. En de voorstelling tot een baanbrekend werk.

Kruispuntdenken – ook intersectionaliteit genoemd – gaat erom hoe verschillende identiteiten binnen één en dezelfde persoon meespelen in zijn/haar/hun inbedding in de samenleving. Het concept benadrukt hoe onderdrukking gebeurt op grond van een veelvoud van factoren. Als je vrouw bent én zwart én lesbisch, bijvoorbeeld. Elk van de factoren heeft een versterkend impact op je (minderheids)positie in de maatschappij. Sorry voor de didactische uitwijding. Edouard Louis zet nog een stap verder en toont hoe die verschillende factoren ook voor jezelf/binnen je eigen denken opspelen.

Op kerstnacht 2012 wordt de jonge intellectueel en homoseksueel Edouard Louis in Parijs op de terugweg naar huis verleid door de mooie Reda. Hij laat hem meekomen naar zijn flat en ze beleven een fantastische nacht. Maar tegen het ochtendgloren ontdekt hij dat de jonge Kabyle (een Algerijns berbervolk) zijn tablet en gsm heeft gestolen. Vanaf dan loopt de situatie uit de hand. Het lijkt erop dat Reda worstelt tussen zijn eigen fysieke begeerte, zijn machistisch schuldgevoel daarover en de misdadige opzet van zijn verleidingtactiek.  Hij kaffert Louis uit voor vuile racist, probeert hem te wurgen, verkracht hem tenslotte. Louis vreest voor zijn leven (‘Ik vroeg me niet of, maar wanneer en hoe hij me zou doden.’) Uiteindelijk zet de agressor het op een lopen. Louis gaat alleen (en bloedend) naar de spoed voor een preventieve Aidsbehandeling en doet aangifte bij de politie. Om de zware, eenzame ervaring te verwerken trekt hij naar zijn zus in het Noord-Frans dorp waar hij opgroeide, maar de reacties van de omgeving op de feiten hakken steeds dieper op hem in.

Snel na elkaar gemonteerde scènes zorgen in de voorstelling voor steeds andere invalshoeken van de ervaring. De voorstelling verloopt ook niet in chronologische volgorde. De amoureuze ontmoeting en de gewelddadige afloop worden verweven met het politieverhoor achteraf, het onthaal bij de spoedgedvallen, de woorden van de zus die dan weer verslag doet aan haar man. De vrijscène zelf is opvallend teder en openhartig. Achter op groot scherm zien we vooraf geschoten beelden vermengd met directe opnames die de acteurs ter plekke maken met een gsm. Zelfs het gevecht erna verraadt een twijfel en een onzekerheid over de verwikkelingen – bij Reda zowel als bij Edouard – die sterk contrasteren met de onwankelbare interpretaties die de anderen ervan geven.

Tussen de scènes door last regisseur Ostermeier choreografische momenten in, waarbij de acteurs samen onverwacht en ongerijmd een danstrio of kwartet vormen. Heel even, als een onderbreking tussen de dialogen door, begeleid door een drummer aan de zijkant van de speelvloer. De hele voorstelling lang voorziet die het gebeuren van een ritmische ondertoon: een soort elektrische geladenheid die het gevoel van ongemak, van emotionele spanning en geladen atmosfeer nog versterkt.

Vier acteurs van de Schaubühne (de voorstelling in Brussel speelt in het Duits, met Franse boventitels) spelen de tien personages, met herkenbare attributen en wisselende pruiken – Ostermeier schuwt het zichtbaar rollenspel niet: Louis’ zus Clara, haar man, de moeder, politieagenten, dokters, verpleegsters, een dakloze, … Edouard Louis zelf wordt gespeeld door een acteur die als twee druppels water op de echte Louis lijkt: zelfde fijne gestalte, zachtblond kort golvend haar, feminiene bewegingen, zachtroze trui – Ostermeier schuwt ook de karikatuur niet. De kettingrokende zus in tijgervel-topje trekt tussen het praten door constant haar bh recht; de schoonbroer draagt witte sokken in sandalen en een mouwloos onderlijfje over zijn bierbuik; de politieagent is cynisch en racistisch, de verpleegster efficiënt maar onverschillig. Geen nuances. Die zijn ook niet aan de orde in Louis’ wereld.

Ostermeier en Louis baseren zich voor een groot deel op het boek, maar voegen een aantal nieuwe dialogen toe om de traumatische ervaring toch zo waarheidsgetrouw mogelijk weer te geven op de bühne. Dialogen hebben een andere dynamiek dan een beschrijvende vertellijn. De verspringende scènes leggen daarbij extra de klemtoon op de traumatische gevolgen die Louis aan de nacht overhoudt. De herinneringen blijven in zijn hoofd cirkelen, springen van de ene commentaar naar de andere en dan terug naar het gebeurde zelf. Het dédain waarmee hij, maar evengoed Reda bejegend worden, is stuitend:

Politieagent: “Een onbekende mee naar boven nemen, middenin de nacht…”

Edouard: “Dat doet iedereen.”

Politieagent: “Iedereen…?”

Edouard: “Van mijn soort.”

Politieagent: “U valt dus op Maghrebijnen?”

Zus Clara: “Hij kon niks anders verzinnen dan zijn woordenschat boven te halen voor die andere, en de slimmerik uit te hangen met zijn ministerwoordenschat. Hij kan het niet laten!”

Ook de moeder van Louis krijgt een scène, waarin ze vertelt hoe ze gaat werken bij oude mensen thuis en hun viezigheid (en kak) moet opruimen. De crux van Louis’ verhaal én zijn filosofisch/sociologisch betoog ligt hem immers in het feit dat hijzelf uit een zwaar achtergesteld en min of meer crimineel milieu komt. Louis (de echte) trok zichzelf uit de sociale modder van een Noord-Frans provinciedorpje, door zijn studies en door de literatuur. Hij maakt er (ook de dag erop) een ontroerend mooie opmerking over: “Kunst en literatuur hebben ervoor gezorgd dat ik mezelf heb leren ontdekken. Mensen hebben gevochten voor mij, voor mijn lichaam als gay man: Proust, Koltès, Genet,… Vroeger probeerde mijn familie mij met geweld kapot te maken. Ik was Harry Potter. Ik wist (toen nog) niet dat al die mensen bestonden die me verdedigden.”

Ostermeier zet in op een efficiënte regie. Ze staat volledig in functie van het beklijvende relaas van de auteur. Het maakt de voorstelling nog sterker dan het oorspronkelijke boek: daar overheerste nog het traumatische relaas van Edouard Louis zelf, hier krijg je beter te zien hoe de verschillende vormen van onderdrukking de leefwereld bepalen van wie niet tot de ‘normale’, herkenbare middenklasse behoort: homoseksuelen, kleurlingen, lagere sociale klassen, vluchtelingen. Het maakt van Histoire de la violence een masterclass in kruispuntdenken.

Een kind van een fabrieksarbeider met verwijfde manieren. Daarin herkent het slachtoffer natuurlijk meteen ook de psychische kwelling van zijn agressor: Reda is zelf zoon van een onderdrukte arbeider die in Frankrijk is komen werken en in mensonterende omstandigheden moest overleven. Precies dat maakt dit verhaal en de vragen erachter zo beklijvend: hoe leef je met je identiteit(en) als je omgeving ze niet aanvaardt? Hoe leef je met verschillende identiteiten in jezelf die botsen? Louis wil na de feiten zichzelf overtuigen van het feit dat het goed gaat, maar zijn (gekwetste en angstig reagerende) lichaam kan hij niet negeren. Een antwoord vindt hij – onverbeterlijke intellectueel – in de woorden van Hannah Arendt: ‘… Ook al zijn we perfect in staat om de wereld waar te nemen door middel van onze zintuigen en onze redeneringen, toch zijn we er niet in ingebed, er niet mee verbonden op de manier zoals een deel onafscheidelijk is van het geheel. Wij zijn vrij om de wereld te veranderen en er iets nieuws aan toe te voegen.’ Een activist van het woord (un activiste par les mots): zo ziet Edouard Louis zichzelf graag.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#159

15.12.2019

14.03.2020

Mia Vaerman

recensie