Simon Boccanegra (De Vlaamse Opera) – foto Danièle Pierre

Johan Thielemans

Leestijd 8 — 11 minuten

Het Vlos-epos

Exit Mortier, Introit Clemeur

Op 17 oktober 1989 zijn te Antwerpen de poorten van de Vlaamse Opera (Vlos) definitief opengegaan met de opvoering van Simon Boccanegra. Deze vertoning kunnen we meteen zien als een soort afscheid van Gerard Mortier, want op 1 november is hij, na scherpe conflicten met de voorzitter van de Raad van Bestuur (De Moor), bij de Vlos opgestapt. Voor de goede orde is het belangrijk aan te stippen, dat deze beslissing los stond van Mortiers benoeming bij het Festival van Salzburg.

Gerard Mortier heeft in de korte periode dat hij opdrachthouder was, veel aangepakt, veel tegenwind gekregen, veel betwistbare beslissingen genomen en ten slotte toch heel wat bereikt. Toen hij de opdracht van minister Dewael aanvaardde, stapte hij in een instelling met een zware erfenis : een ondermaats orkest en dito koor, een gebrekkige infrastructuur, en een artistieke situatie, die door sommigen in Vlaanderen nog wel goedgepraat werd (waarschijnlijk onder het mom : het is van ons toch, we mogen het eigen nest niet bevuilen), maar niet langer aanvaardbaar was. En daar bovenop kwam een desastreuze financiële toestand. Om de beginvoorwaarden voor een goed functionerend operahuis te creëren, waren er drastische maatregelen nodig. Met de steun van minister Dewael kon Mortier overgaan tot een reeks stappen, die toch wel uniek zijn binnen de Vlaamse culturele wereld. Een band tussen de vorige organisatie – de Opera voor Vlaanderen – en de nieuwe Vlos bestaat strikt genomen niet. Er werd met een schone lei gestart. Dat veroorzaakte een reeks van sociale problemen voor de leden in vaste dienst, zeg maar voor de orkesten koorleden. Onmiddellijk gingen de vakbonden over tot mobilisatie. Het conflict dat openbarstte tussen de directie en deze vakbonden illustreert nog maar eens de moeilijke positie van een syndicale werking in het artistieke bedrijf. Deze sector vereist een perfectie die elke vorm van gemakzucht en oppervlakkige zelfvoldaanheid resoluut afwijst. Vanuit dit oogpunt was het noodzakelijk de bestaande artistieke lichamen binnen het huis aan een grondig en ongenadig onderzoek te onderwerpen. Tegenover deze absolute artistieke eis staan andere factoren waarop de werknemers zich kunnen beroepen. Eén daarvan is de pijnlijke vaststelling dat, wanneer een leiding faalt, de muzikanten en zangers in een artistiek dodende routine vervallen, waarvoor ze zich niet verantwoordelijk achten. Hun wanhopige kreet, ‘Het is onze schuld niet, maar we mogen er wel voor betalen!’ kan dan ook niet zomaar weggewuifd worden.

Het sociale conflict heeft er zeker toe geleid dat men vrij gunstige afvloeiingsvoorwaarden kon afsluiten, zodat de vakbonden zich uiteindelijk met de huidige toestand hebben verzoend. Niet iedereen is gelukkig, dat spreekt, en enkele werknemers van de OvV zijn naar de Raad van State getrokken (Het Volk, 11-12 september). Wat dit hoge rechtscollege over de gevolgde procedure denkt, weten we nog niet.

De eerste noten

Al deze commotie heeft gelukkig het hoofddoel niet uit het oog doen verliezen. Het nieuwe orkest (merkwaardig genoeg blijven er nog een paar pupiters onbezet) heeft tijdens een reeks concerten een samenhorigheid gevonden, die vele muziekcritici gunstig verraste. Het is duidelijk op weg om tot een goed ensemble uit te groeien. Daar zit ongetwijfeld Rudolf Werthen voor veel tussen, de muzikale directeur die nochtans weinig vertrouwen inboezemde : zijn staat van dienst als orkest-directeur was nl. heel kort.

Met het koor heeft Mortier bijzonder veel geluk gehad. Peter Burian, die o.a. het Covent Garden koor voor Georg Solti heeft voorbereid, kon voor twee jaar gestrikt worden als koorleider, vooraleer hij bij de Weense Staats-opera aan het werk zou gaan. Van bij het eerste optreden was duidelijk dat hier een uitzonderlijk talent aan de slag was : men spreekt reeds van plaatopnames. Wanneer Burian over korte tijd de Vlos zal verlaten, laat hij in ieder geval een voortreffelijk instrument achter.

In de technische ploeg die Mortier had samengesteld, ‘figureerde’ ook Henri Oechslin, die in Etcetera 10 nog ‘de tovenaar van de Munt’ werd genoemd. Oechslin, net opgestapt bij de Opéra de la Bastille (Parijs), kon zich hier toeleggen op de verbouwing van twee negentiende eeuwse theatergebouwen. De hoognodige maar relatief beperkte ingreep in het Antwerpse gebouw heeft hij nog kunnen leiden, met als gevolg een nieuw lichtorgel, een bredere scène-opening en een sterk verbeterde orkestbak als belangrijkste resultaten. Maar voor het Gentse gebouw zijn er problemen. Oechslin wou slechts blijven, zolang Mortier enige verantwoordelijkheid droeg (tot 1 november dus). Oechslin stapte op en het is niet duidelijk hoe het nu verder moet met het prachtige maar bouwvallige gebouw. Eerst had Mortier een restauratiesom van 500 miljoen vooropgesteld, maar nu zegt hij dat er 750 miljoen op tafel moet komen (De Morgen, 7/9/89). De werken liggen zo goed als stil, zodat de Gentse operaliefhebber (en met hem het Gentse gemeentebestuur) tot op een onbepaalde datum op een vertoning in eigen stad moet wachten. En zo is de Vlaamse Opera, in het korte tijdperk van Mortier, tenslotte aan zijn Antwerpse première toegekomen.

Goed, goed, zwak

Mortier was hier zowel voorzichtig als onvoorzichtig te werk gegaan – je zou dat rustig de Mortier-methode kunnen noemen een methode die zoveel kwaliteiten heeft dat ze hem naar het Festival van Salzburg bracht.

Voor de eerste opera wilde Mortier een Verdi, maar om aan te duiden dat hij Verdi als een smaakvol genie beschouwt, koos hij een minder bekend werk, waar Verdi geen gebruik maakt van makkelijke sjablonen: Simon Boccanegra. Deze keuze is geen blinde gok geweest, want in de Munt had deze opera al veel succes, niet in het minst omdat José Van Dam daar de hoofdrol zong. Voor Antwerpen deed hij dat opnieuw. Mortier was destijds niet onverdeeld gelukkig met de regie van Pierre Constant, zodat hij nu Gilbert Deflo engageerde om een nieuwe versie op de planken te brengen. Meteen kon de Vlaamse Opera geopend worden door een Vlaams regisseur. Mortier stelde de cast samen uit gevestigde waarden van de Munt, zodat deze Simon Boccanegra niet kapot te krijgen was. Resultaat : een vrij homogene bezetting en een koor dat zijn verworvenheden nu eindelijk in de context van een opera kon demonstreren. Ook het orkest vond onder leiding van Sylvain Cambreling in deze somberste van de Verdi-partituren vrij makkelijk de juiste toon. Helemaal gaaf is het nog niet: in de hoogste registers strijkt de vioolsectie wat stram. Maar het moet gezegd dat de kopers in deze eerste produktie onmiddellijk veel beter presteerden dan hun collega’s in Brussel, toen die wat bibberend en aarzelend hun Don Carlos-partijen speelden bij de Munt-opening in 1981. De stelling van Mortier dat de Vlos nu over een degelijker orkest beschikt dan dat van de Munt toen die opende, wordt hier bevestigd.

Tegenover de muzikale uitvoering bleef het theater ver achter. Zelfs wanneer we geen dramaturgische vragen stellen bij de esthetische inconsequenties van ontwerper Carlo Tommasi, kunnen we nog onder de indruk komen van de, met Italian touch, op doek geschilderde woeste wolkenhemel. De kostumering van het koor echter had iets oubolligs. Regisseur Deflo, in een interview in De Morgen erg boos op Etcetera, levert hier een conventionele regie af die moeilijk milder kan stemmen, zelfs wanneer men dat zou willen. Dit is ronduit zijn zwakste regie die in België te zien is geweest. Dat uit zich het sterkst in de onovertuigende manier waarop Barbara Madra de rol van Amelia acteert: alle clichés van de ongeïnspireerde operaregie worden hier zonder blozen één na één gehanteerd. De tenor, Bernard Lombardo, krijgt geen enkele hulp en blijft daarom van zijn eerste tot zijn laatste pas belachelijk. Gelukkig verrast zijn stemmateriaal, al ontbreekt het hem af en toe aan een goede stembeheersing.

Wie was er dan echt goed, op deze feestelijke opening ? De zangers die nauwelijks een regisseur nodig hebben, en in deze bezetting waren dat twee heren : eerst en vooral Malcolm King, de zanger-acteur die reeds zo prachtig presteerde in de Don Giovanni in de Munt. Hier toont hij zijn tragisch register, en hij is er meesterlijk in, al gaat de partij op enkele momenten iets te diep voor zijn stem. Naast hem staat José Van Dam als Simon Boccanegra en dit betekent opera van het allerhoogste niveau. Nu eens edel en vol gezag, dan weer smartelijk en gespleten, Van Dam zingt het allemaal even indrukwekkend en combineert daarbij een grote controle van het lichaam. Wanneer hij in het laatste bedrijf een lange confrontatie heeft met Malcolm King, schiet de kwaliteit van de opvoering plots de hoogte in. Alles krijgt spanning en geladenheid. Men gaat op de rand van de stoel zitten, want hier staan twee grote theatermensen tegenover elkaar. Maar de sterfscène slaat alles. Van Dam gebruikt hier alle pathetische mogelijkheden van zijn stem op een optimale manier. De manier waarop hij al zingend in elkaar zakt – vergiftigd – en levenloos op de grond rolt, is één van die sublieme momenten uit de carrière van een groot kunstenaar. Op dat ogenblik schroeft Simon Boccanegra de keel dicht. Waar zijn de filmcamera’s ?

Dossier van Mortier

Eén gelukte vertoning is natuurlijk niet voldoende om nu al triomfkreten te slaken en te stellen dat voor de Vlos een schitterende toekomst is weggelegd. Immers, deze Simon Boccanegra is in grote mate ‘de Munt op verplaatsing’. De bedrijfsproblemen blijven torenhoog, het personeelsverloop groot en de aanstelling van een nieuwe intendant heeft opnieuw voor een paar verrassingen gezorgd. Jef De Roeck, van wie Mortier zo lang beweerd heeft dat hij de beste intendant in Vlaanderen was, is nu door hem aan kant gezet. Uit een perscommuniqué kunnen we opmaken dat Mortier vond dat onder de officiële kandidaten niemand over voldoende gewicht beschikte. Daarom wou hij Franz Marijnen. Maar voor die onderhandelingen rond waren, besliste minister Dewael anders : hij benoemde Marc Clémeur tot intendant. Voor een zeldzame keer staat Mortier schaakmat. In een conflict met de voorzitter van de Raad van Bestuur, De Moor, heeft hij op dit punt het onderspit moeten delven. Als een slecht verliezer verspreidde hij prompt een perscommuniqué waarin hij Dewael niet spaarde en de benoeming van Clémeur ontgoochelend vond. Als voorlopige coup de théâtre stuurde Mortier zijn persoonlijke secretaris, Karel Grouwet, naar de kantoren te Gent om daar alle dossiers te laten weghalen (zonder onderscheid tussen officiële en persoonlijke stukken). Dit manoeuver heeft Mortier gemotiveerd in een brief die door de krant Het Volk gepubliceerd werd : “De loyauteit en openheid waarmee ik tot de laatste dag mijn krachten voor de Vlaamse Opera heb ingezet, mogen ons niet in twijfel laten over het feit dat ik de Vlos na een belangrijk conflict verlaat. Het gevaar is dan ook niet denkbeeldig dat later gepoogd zal worden mij verantwoordelijk te stellen voor beleidsfouten, en ik wens dus over de nodige gegevens te beschikken om dit beleid en mijn opties tijdens de periode dat ik bij de Vlos heb gewerkt, te kunnen verdedigen.” Het Volk merkt hierbij op: “Gerard Mortier is niet vergeten dat één van zijn voorgangers, Erik Demeester als administratief directeur van de OvV, publiekelijk aan de schandpaal werd gespijkerd door de kamercommissie en zich voor de correctionele rechtbank zal moeten verdedigen voor een financieel beleid dat op verre na niet met de financiële stijl van Gerard Mortier kan worden vergeleken.”

Exit Mortier ? Exit Mortier

De nieuwe intendant is dus Marc Clémeur, iemand met een ware passie voor het operagenre. Aan zijn kennis van het repertoire, de wereld van zangers en operahuizen kan niemand twijfelen. Daarbij volgt hij van nabij alles wat er in het Vlaams toneelleven gebeurt. Hij behoort tot de kleine groep mensen die in Vlaanderen op niveau over opera kunnen praten. In zijn persconferentie van 10 november zette hij de grote lijnen van zijn politiek uiteen. Die wijken niet direct af van wat Mortier en De Roeck op het oog hadden (op dat punt schijnt er in Vlaanderen een grote consensus te bestaan). Onze barokspecialisten zullen in de Vlos aan het werk worden gezet, en de nieuwe Vlaamse generatie regisseurs zal er in het operagenre kunnen debuteren. (Het zijn beleidspunten die Etcetera reeds twee jaar geleden verdedigde.) Bij dit laatste punt bleek het bij Mortier vooral om retoriek te gaan, maar het zou Marc Clémeur, die dit aspect van ons toneelleven veel beter kent, menens kunnen zijn. Wij hopen het.

Conclusie ? In de Vlaamse Opera moet nu nog alles gebeuren. De uitdaging is enorm. Marc Clémeur krijgt een enige kans en het blijft dus met spanning uitkijken. Dit lange en ingewikkelde feuilleton is nog niet ten einde. Wie zei ook weer dat opera achter de schermen veel boeiender is dan op de planken ? Wat de Vlos betreft krijgt hij alvast gelijk.

Simon Boccanegra 

Gezelschap: Vlaamse Opera;

tekst en muziek : Verdi, Piave en Boito;

muzikale leiding : Sylvain Cambreling;

regie : Gilbert Deflo;

decor en kostuums: Carlo Tommasi;

belichting : Bruno Boyer;

koorleider: Peter Burian;

zang : José Van Dam, Malcolm King, Marcel Vanaud, Barbara Madra, Bernardo Lombardo e.a.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

artikel