Iphigenia – De Roovers
Geef mij maar het verzet van Klytamnestra
Mia Vaerman
© Berten Vanderbruggen
Een van de laatste keren dat ik mijn vader sprak was toen ik hem vanuit een park in Düsseldorf belde. Ik reisde met de Flixbus vanuit Berlijn naar huis, had in Düsseldorf veel tijd om over te stappen, zocht een rustige plek op, en terwijl ik met hem telefoneerde lukte het me niet om me op hem te concentreren omdat ik steeds aan Heinrich Heine moest denken die Napoleon op een paard Düsseldorf binnen had zien rijden en daar nogal van onder de indruk was. Waarom ben ik zo iemand geworden, dacht ik nog, waarom ben ik iemand geworden die terwijl zijn zieke vader hem vertelt hoe slecht hij zich voelt, hoeveel pijn hij heeft aan Heinrich Heine denkt die Napoleon op een paard door de straten zag rijden? Sterker nog, denk ik nu, waarom ben ik iemand geworden die dat vertelt? Hier! Waarom moet dit, ondanks de pedanterie die op de loer ligt, allemaal naar buiten toe? ‘Ik geef alweer iets van onze vertrouwelijkheid prijs, papa. Ik weet het. Jij zou dat niet doen. Nooit!’
Het grote verschil was vooral dat uiten, dacht ik altijd. Daar zat volgens mij, maar ook volgens hem, mijn vader dus, de mannelijkheid, dat wil zeggen in het tegenovergestelde ervan: in het zwijgen! Geen openlijk onderzoek naar het gevoelsleven, naar de binnenkant, want de binnenkant moest samenvallen met de buitenkant en hermetisch, sterk, onbewogen en zwijgend zijn. Wel lang, stil en zorgelijk door het raam naar buiten staren natuurlijk, maar ons daar nooit iets over vertellen. Laat staan daar iets over opschrijven. Sowieso niet vertellen. En in die stilte, in die van generatie op generatie overgeleverde Noord-Nederlandse — zeg: mannelijke — stilte was daar dan plotseling die jongen — ik — die naarmate hij ouder werd zich blijkbaar moest laten gelden, die iets extraverts over zich kreeg, die er langzaam meer en meer van overtuigd raakte dat hij zich moest openen, met zich mee moest laten kijken, dat hij moest vertellen en opschrijven. Omdat hij dacht dat hem dat waardering bezorgen zou en inzichten, dat hem dat, maar ook anderen, mogelijk zou kunnen ontroeren of iets zou zeggen. Van alle kunstcriteria die ik in de loop van mijn leven hoorde, werd er eentje alsmaar belangrijker: je moet proberen je binnenwereld te onthullen, en je moet proberen dat met de meest persoonlijke, de meest intieme details te doen, want juist in die details zit voor de ander de grootst mogelijke herkenbaarheid.
Belangrijk voor dat volmondige uiten was het stuk Krenz, de gedoodverfde opvolger dat ik in 2011 schreef en speelde, waarin ik veel over mijn vader sprak, waarin ik niet alleen iets probeerde te zeggen over mijn opvoeding, maar ook over de zijne. In het stuk stonden dingen over opvolging en navolging, over epigonisme, over het reproduceren van politieke overtuigingen en over de innerlijke strijd tegen die aandrang. In het stuk noteerde ik bovendien een aantal bepalende maar ook wel ontluisterende voorvallen uit het leven van mijn vader die hij ooit aan mij had verteld en die ik (misschien overdreven) doorgaf. Hoewel ik toch ook niet kan uitsluiten dat hij ze zelf ook al overdreven aan mij had verteld. Want in de vertrouwelijkheid tussen mannen mag er wel degelijk overdreven worden. Natuurlijk. Wat je echter niet doet, is het opschrijven in een toneelstuk om ermee naar buiten te treden. Wat je niet doet, is het uiten.
Het moment waarop ik mijn vaders oordeel afwachtte nadat ik hem de definitieve tekst van Krenz had opgestuurd, herinner ik mij niet alleen nu nog heel goed, ik herinnerde me terwijl ik daar zat ook meteen al die andere keren daarvoor dat ik mij in diezelfde woonkamer had te verantwoorden voor telefoontjes van het schoolhoofd, gebroken ruiten en politieagenten aan de deur. Uiteindelijk is er nooit iets veranderd. Hoe vaak heb ik niet op een vonnis gewacht? Of moet ik het anders zeggen? Hoe vaak heb ik er niet naar verlangd, heb ik ze niet gezocht, die momenten van oordeel en genade, die premières in huiselijke kring? Sterker nog, ik ben dat zinderende schuldbeladen gevoel in de loop van de jaren steeds meer als een aanwijzing gaan zien voor dat ik iets belangrijks aan het licht had gebracht, als een indicatie voor dat het zeggingskracht had wat ik had opgeschreven. Want, dacht ik, als ik het heen en weer geslingerd worden tussen spijt en overtuiging al zo intens voel, dan zal iets daarvan toch ook door een publiek moeten worden ervaren. Ik denk niet dat ik overdrijf als ik zeg dat ik in mijn werk meer en meer vanuit een soort masochisme zoek, omdat ik de tinteling van het vooruitzicht van straf toch ergens als een grotere sensatie ervaar dan die van de waardering of de bevestiging.
Overigens heeft mijn vader nooit een kwaliteitsoordeel over Krenz gegeven. Hij zei in die woonkamer alleen maar dat hij ‘het anders had beleefd’. En dat luchtte me op. Kunst maken is soms toch echt niet veel meer dan dat je je van de ene opgebouwde angst naar de volgende opluchting beweegt. Hij gaf met die bemerking mijn werkelijkheid immers op z’n minst ruimte en een status. Er werd in ieder geval de consensus mee geïnstalleerd dat de realiteit door ons beiden — door ons allemaal — anders kan worden ervaren. En juist nu, bij het opschrijven van deze zinnen, herinner ik me dat hij me niet zo heel ver voor zijn dood zei dat hij Krenz had herlezen. Ook toen vertelde hij me niet wat hij ervan dacht, maar ik sluit niet uit dat hij het toen toch authentieker vond, dat hij in ieder geval moet hebben gedacht dat het zijn biografie was. Weliswaar bezien vanuit het perspectief van zijn zoon, vanuit het perspectief van iemand die zich wél uitte, maar dat uiten had er toch op z’n minst voor gezorgd dat er een biografie was.
Meer en meer merk ik dat een rouwproces het geheugen onvoorspelbaar maakt en grillig, want ik herinnerde mij onlangs ook hoe hij, mijn vader dus, op het trouwfeest van mijn broer zo’n tien jaar geleden na zeven cognacs — de ellende van de ex-drinker is dat hij de borrels van anderen telt — tegen een zwager over mijn theaterwerk begon te pochen en ik hem toevallig hoorde zeggen dat hij een tijdlang bang was dat ik homo zou worden. Zo zei hij het. Nog nooit had ik ook maar iets van die ongerustheid bij hem gemerkt. En met dat me die opmerking na al die jaren te binnen schoot, realiseerde ik me dat ik me misschien toch heb vergist door te denken dat ’t het doorbreken van de stilte was, het uiten dus dat in zijn ogen onmannelijk was. Het was niet het uiten als zodanig. Nee, het uiten, het extraverte, het afwijzen van de stille mannelijkheid was in zijn ogen de manifestatie van iets anders.

© Berten Vanderbruggen
Het was, zo dacht hij, eerder de uiting van een lichamelijk verlangen. Was dat, als ik in Groningen speelde en hij naar mijn voorstellingen keek, zijn eigenlijke angst geweest: de mogelijkheid dat het uiten — ‘de afwijking’ dus — zich in het lichaam zou openbaren?
In de stilte en de benauwdheid van mijn jeugd waren de enige mensen die mij op mijn talenten wezen en me hielpen ze te ontwikkelen, die mij een gevoel voor poëzie, voor ironie en esthetiek bijbrachten twee leraren die zich in de late zeventiger jaren van de vorige eeuw nog lang niet queer noemden, maar wel al heel voorzichtig homoseksueel.
Hun door en door Groningse namen geef ik hier graag prijs: meneer Adema en meneer Alkema. Ik zal me mijn leven lang het gezicht van meneer Alkema herinneren die behalve leraar Nederlands, regisseur van het schooltoneel, ook schooldecaan was en me in die functie hielp bij het zoeken naar een vervolgopleiding, toen hij mij plotseling vanachter stapels papier blij verrast toeriep: ‘Wim, ik heb het gevonden. Er zijn toneelscholen!’ Nooit eerder had hij een leerling op die opleiding gewezen. Met meneer Alkema repeteerde ik met ons toneelclubje aan toneelstukken van Manuel van Loggem, maar ook buiten het repetitielokaal groeiden we naar elkaar toe. Hij sloeg geen docententoon tegen me aan. Hij nodigde me bij hem thuis uit en hij en zijn partner luisterden naar wat ik had te zeggen. Ergens moet ik daar op een van die zondagmiddagen volwassen zijn geworden. Ik kwam steeds vaker. Waarom lieten ze me altijd binnen als ik aanbelde? Waarom lieten ze me op hun bank zitten, draaiden ze freejazzplaten voor me en drukten ze me kunstboeken in de hand? Nooit heb ik op enig moment seksuele bedoelingen gevoeld. Wat ik wel voelde was een diepe verbondenheid die over heel veel ging, die weids was als het leven zelf, die met aspiraties, betoveringen en teleurstellingen te maken had, die waarschijnlijk over gedroomde leerlingen ging, over gedroomde docenten, gedroomde levens en leeftijden, over gedroomde kinderen waarschijnlijk ook.
Natuurlijk had mijn vader gelijk als hij dacht dat uitingen via het lichaam worden geopenbaard. Het lichaam doet verslag van een binnenwereld en het is niet voor niets dat het uiten heet. Een van de meest wezenlijke elementen van Analoog, de voorstelling die ik vorig jaar met Louis Janssens maakte, is het bewegen, het analoge bewegen. Nog nooit had ik in al die veertig jaar een voorstelling gedanst. En omdat wij bovendien de rollen omdraaien, dat ik Louis speel (en dans) en hij mij, word ik in Analoog elke avond opnieuw jong, krijg ik de mogelijkheid mijn lichaam opnieuw aan te voelen, alsof het een herkansing krijgt zich opnieuw te uiten, alsof het nog kan kiezen in welke richting het zich bewegen zal. En niet alleen lijk ik in Analoog mijn lichaam te herontdekken, ik krijg ook het gevoel dat mijn tekstbehandeling erdoor verandert dat ik mijn woorden er anders door begin te interpreteren en te kleuren.
Analoog heeft me kennis laten maken met een onbekend en andersoortig verzet tegen de stille mannelijkheid, eentje die ik niet eerder heb durven laten indalen, eentje die zich van het hoofd naar beneden beweegt en die mij waarschijnlijk veel oprechter representeert dan wanneer ik alleen maar tekst zeg. Ik denk dat ik moet erkennen dat mijn lichaam, wat zijn voorkeuren en sensaties betreft, nog altijd een grote onbekende voor mij is. Misschien zelfs heb ik mezelf al die tijd wel misleid met het idee dat ik de stille mannelijkheid bestreed doordat ik in mijn teksten probeerde de meest persoonlijke, de meest intieme details te verwoorden en te uiten. Misschien breng ik daarmee nog lang niet genoeg naar buiten. Misschien is juist het betonen van mijn lichamelijkheid de grootste en belangrijkste uiting die ik nog ontbeer. Op 5 april aanstaande speel ik Analoog in Groningen. Bevrijd en hoog te paard ga ik daar in mijn inmiddels vaderloze geboortestad met Louis mijn teksten zeggen en mijn patronen dansen.
Beluister deze tekst hier.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.