‘Eidos:Telos’ – William Forsythe, Ballet Frankfurt / Dominik Mentzos

Marianne Van Kerkhoven

Leestijd 6 — 9 minuten

Het verdwijnen

Dagboeknotities van Marianne Van Kerkhoven omtrent Eidos:Telos

Eerste dag

11 december 1996. Eidos:Telos van het Frankfurter Ballett in de Antwerpse Stadsschouwburg. Eidos:Telos raakt mij als voorstelling op een vreemde, moeilijk te definiëren manier. Het werk van Forsythe wordt vaak als ‘koud’ en ‘rationeel’ omschreven. ‘Gezelligheid’ moet je bij hem inderdaad niet zoeken. De scène blaakt van het licht, geen schemerlampen maar ruimtetuigen, geen poëzie bij de haard maar Dana Caspersen die in de waanzin van haar eigen tekst letterlijk als in een web verstrikt raakt. En toch: de eenzaamheid van die violist met het witte blad van zijn partituur voor zijn voeten…, de stalen draad achteraan die door de dansers af en toe even wordt aangeraakt…

Eidos: gezichtsbeeld, denkbeeld, idee. Telos: kring, afronding, einde; dus ook: einde van het bestaan, ophouden, sterven. Naar mijn gevoel gaat Eidos:Telos heel intens over de dood; niet de aardse dood – alhoewel: wat doe je met die danser die zijn benen onder het danstapijt steekt, alsof hij in de aarde wil verdwijnen? -maar de dood in haar verbondenheid met een eeuwigheid/oneindigheid van het heelal, een dood verwijzend naar een toekomst, b.v. naar de Amor Constante más allá de la muerte, die niet-eindigende liefde die zelfs voortduurt aan gene zijde van de dood, van de Spaanse barokdichter Francisco Gomez de Quevedo y Villegas (1580-1645) : ‘stof zullen zij zijn, maar stof vol hartstocht’ (Polvo serán, mas polvo enamorado).

Eén van de plaatjes die lang geleden mijn kinderlijke fantasie omtrent de dood beheersten komt mij terug voor de geest. Het is een gravure in een oude uitgave van Jules Vernes De reis naar de maan in 28 dagen en 12 uren: de hond Wachter, die de gezellen in het ruimtetuig op hun tocht begeleidt, gaat dood en wordt in het heelal gesmeten, maar zijn stoffelijk overschot blijft als een satelliet naast de capsule zweven. Tot waar/wanneer in de oneindigheid? Tot hij verdampt/verdwijnt. ‘Beweging’, zegt Forsythe, ‘maakt deel uit van het feit dat je eigenlijk aan het verdampen bent.’

Ik denk ook aan de voorstelling Philoktetes-Variaties waarin de Amerikaanse Wooster-Groupacteur Ron Vawter (1948-1994), zijn eigen dood enscenerend, op de filmbeelden wegvliegt in de oneindigheid, waarin hij het aardse letterlijk transcendeert; en aan hoe hij wat later werkelijk in een vliegtuig ergens ver boven de oceaan is doodgegaan.

Tweede dag

Hoe ontstaat een schelp? Een schelp wordt. Mensen proberen soms dat proces na te bootsen; we halen het nooit. Het worden ontglipt ons. Het onmogelijke doen: tegen de zwaartekracht optornen, het worden achterhalen, verdampen… ‘Je overleveren aan de transparantie van het lichaam,’ zegt Forsythe, ‘een gevoel van verdwijnen.’ Of wat Heiner Müller (1929-1995) over Beckett (1906-1989) zei: ‘ein lebenslanger Versuch, die eigene Stimme zum Schweigen zu bringen’. Tot stof weerkeren, maar stof vol hartstocht. Het hier en nu van het theater. Proberen om het worden – al was het maar één ogenblik – te vangen, voor het weer verdwijnt.

Derde dag

Hebben we niet een heel ander discours over dans/kunst nodig? Hebben we niet alles de laatste jaren met te veel woorden dichtgebouwd? Het discours is zijn eigen leven gaan leiden. Is theater niet, zoals de Nederlandse criticus Jac Heijer (1936-1991) zei, ‘mensen willen zien en/of gebeurtenissen die dan en daar en nooit eerder en noch later en nergens anders meer zullen gebeuren’?

Hoe kan je de dingen die je raken – van het gevecht om werk van de arbeiders van de Forges de Clabecq tot de Eidos:Telos van Forsythe en zijn dansers en alles wat daartussen ligt – met elkaar verbinden? Of is dit een naïef en hopeloos verlangen naar een nieuw holisme? Hebben we niet nood aan een zoekend discours, niet één dat al wéét en zijn wijsheid exposeert, maar één dat bereid is op zijn beurt te verdwijnen, op te gaan in het kunstwerk? Kunst alleen als er noodzaak is; een discours over kunst alleen als er noodzaak is…

Wat wordt er trouwens van kunst in een maatschappij waarin arbeid meer en meer de neiging heeft te verdwijnen?

Vierde dag

Nog een ander ‘verdwijnen’ houdt mij bezig. In het programmaboekje van Eidos: Telos staat het helder vermeld; niet ‘choreografie: William Forsythe’, maar wel ‘concept en organisatie: William Forsythe in choreografische samenwerking met het ensemble’. Forsythe verdwijnend in zijn gezelschap, zichzelf ‘verdampend’ als choreograaf. Als je de voorstelling bekijkt zie je: a) de uitgesproken autonomie van deze dansers als performers én b) de enorme levendigheid van dit grote ensemble. Dat laatste is niet evident: grote ensembles vertonen bijna per definitie een neiging tot logheid, zeker in Duitsland waar hiërarchie in het theater hoog aangeschreven staat. Betekent hiërarchie als ‘niet-organische autoriteit’ niet op den duur de dood van de creatie? Want hiërarchie verschanst zich, beschermt alleen zichzelf, wil alleen zichzelf reproduceren?

De vraag rijst of niet precies a) (de emancipatie van de danser) voorwaarde/sleutel is tot b) (het wakkerhouden van de grote structuur), of niet alle problemen die al zo lang rond b.v. onze repertoiretheaters zweven alleen maar opgelost kunnen worden door die structuren open te breken en te durven de dialoog aan te gaan met de mondige speler/acteur/danser/muzikant… Toneelgroep Amsterdam met zijn Toneelfabriek waarin de acteurs hun eigen projecten animeren, het orkest Anima Eterna van Jos van Immerseel met het grote aandeel van zelfstandige beslissingen in handen van de muzikanten, Maatschappij Discordia dat zich af en toe opengooit naar andere gezelschappen om de gezamenlijke improvisatie van De Vere aan te gaan – om daarna opnieuw ‘klein te durven zijn -, William Forsythe die zijn ‘wetenschap’ als choreograaf wegschenkt aan zijn dansers en met hen een collectief avontuur ontwikkelt: zijn dat niet de modellen van grote ‘podiumstructuren’ voor de toekomst? Moet het gevecht om autonomie en emancipatie niet, keer op keer, in elke productie gevoerd worden? Bevatten deze vormen van zelfbeheer niet meteen een uitgesproken politieke stellingname? ‘Devenez adultes, camarades travailleurs’ (Roberto d’Orazio, vakbondsleider, Forges de Clabecq). In het volle besef: de weg via de emancipatie van elkeen is de moeilijkste weg.

Vijfde dag

De fysicus Ilja Prigogine schrijft over de biologische cel en over de stad als over open systemen, die alleen maar kunnen blijven bestaan omdat ze open zijn; er zijn stromen van energie nodig van binnen naar buiten en omgekeerd. ‘Een kristal kunnen we isoleren, maar een stad of een cel sterft wanneer de verbindingen met de omgeving verbroken worden.’ Misschien is een choreografie wel een stad en een choreograaf een levende cel, misschien is creëren wel het stimuleren/organiseren van die stromen van energie.

Kurt Schwitters (1887-1948) in 1924: ‘De artistieke daad is er steeds een van ondergeschikt maken, niet van overheersen.’ Forsythe laat zichzelf als schepper verdampen; doet afstand van zijn soevereiniteit als individu; stelt zichzelf als auteur ter discussie; als kunstenaar én als individu verdwijnt hij in het werk en in de groep. Om de creatie levend te houden geeft hij zich over in volle generositeit.

De Nederlandse cultuurbeleidsman – of hoe moet ik hem omschrijven? – Jan Kassies (1920-1995) in 1980: ‘We hebben altijd maar gepraat over het vinden van onszelf. Over zelfontplooiing en identiteit, daar heb ikzelf ook aan meegedaan, maar misschien zijn deze zaken wel helemaal niet zo gewichtig als we altijd gedacht hebben. Misschien is het wel de functie van de kunst mensen van hun identiteit te beroven. Het is de vraag of het onze bestemming is een harmonisch leven te leven.’

Jezelf oplossen, ‘tot stof laten vergaan’; wat blijft is het kunstwerk: het kunstwerk als hartstocht.

Zesde dag

Kan talent in perfectie verdwijnen? Kan je vastlopen in professionaliteit, in een soort van overprofessionalisering? En is dan het opengooien van het werk naar/het ondergeschikt maken aan andere individuen een middel om dichtbouwen en vastleggen te vermijden?

Kijken naar de doodlopende straat van het olympisch turnen, naar die steeds jongere meisjes die 9.98 behalen. Wat rest zo’n meisje nog aan perspectief? Twee honderdsten van een punt meer te verdienen? Of alles om te smijten en met dat turnen ‘iets anders’ te gaan doen? Is het niet logisch dat wanneer ze valt en met verzwikte enkel naar het erepodium gedragen wordt, precies dat vallen belangrijker wordt dan de punten die ze behaalde? Theatermaker Jan Joris Lamers (1986): ‘Het kan geen meesterwerk zijn als er niet iets niet aan klopt.’ Of de Franse schilder Matisse (1869-1954) die op late leeftijd met de linkerhand begon te schilderen omdat hij het rechts te goed kon. Jezelf afbreken en terughalen, je losmaken uit de chantage van het opbieden. Theatermaker Tone Brulin in een tekst over Naïef theater (1981): ‘Het is hier niet de bedoeling onbekwaamheid te huldigen door vakkundigheid te veroordelen. Maar er is vandaag de dag een merkwaardig proces aan de gang. Al te vaak komt men tot valse vakmatigheid. Door de geschoolde kaders sluiten de gelederen van de maatschappij zich hermetisch. In de dramatische kunstbeoefening is er zulk een striktheid gekomen, dat zelfs de legalen nog ternauwernood kunnen ademen. Net alsof de mens en zijn maatschappij zo perfekt is dat dit nog eens extra moet omlijnd worden door nog meer wetten en reglementeringen. Men zou wensen dat er in die sektor onvolmaakte mannen en vrouwen opstonden om dit klimaat te lijf te gaan.’ (…) En verder over de ‘naïeve kunstenaar’: ‘Hij weigert nog steeds het individu te worden dat in een groeiproces tot individualisme wordt gedwongen om in afzondering te leren dat het paradijs voor altijd verloren is.’

Zevende dag

Telkens weer de waanzin en de wanhoop toelaten, de vrijheid en de anarchie; de paradox als levende kern der dingen vooral niet oplossen; het onvolmaakte leven koesteren. Regisseur Dr Hinckfuss in Pirandello’s (1867-1936) Vanavond improviseren wij (1930): ‘Het leven moet aan twee tegengestelde voorwaarden voldoen: het moet in beweging zijn en het moet in stand blijven.’

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#59

15.03.1997

14.06.1997

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).

artikel