Elvis Peeters

Leestijd 20 — 23 minuten

Het Uur van de Aap

Ik begin een nieuw leven, zei hij. Een beter dan dit. Want ik zit strop nu, zei hij. Dat is het laatste wat ik van hem heb gehoord, het inhaken van de hoorn niet meegerekend. Kon ik weten dat hij bedoelde : een leven na de dood ?

Ik hoop dat het hem bevalt.

Ik zit strop : de meeste van zijn hints heb ik altijd pas achteraf begrepen.

Van welke bloemen hield hij nu het meest ?

Misschien moet ik eens een biologisch tuinier om raad vragen. Of er geen bloemen zijn die de wormen weghouden.

Ik heb nooit bloemen van hem gehad. Jij bent zelf een bloem, zei hij en hij gaf me wat water.

Ik vraag me nog steeds af welke bloem ik in zijn ogen was. Een narcis misschien.

En waarom ik een bloem ? Beschouwde hij zichzelf als een bij ? De bij bevrucht de bloem met haar pootjes, niet met haar angel.

We gingen vaak samen wandelen in het provinciale park. Ze hebben daar prachtige bloementuinen. Soms word je er overweldigd door de geur. De bloemen zijn er ontzettend zoet. Je ruikt er de honing doorheen, beweerde hij.

Maar hij hield niet zomaar van bloemen. Hij waardeerde ze op zijn manier. Omwille van hun namen en de beelden die ze opriepen. Guldenroede, maagdenpalm, judaspenning, … Ooit gaf ik hem een plantenboek kado. Hij klasseerde het onder de tientallen dichtbundels die hij bezat.

Zijn favoriete dichter was Roman von Schleissinger. Een Oostenrijker. Een soort Thomas Bernhard uit de negentiende eeuw, volgens hem. Door de officiële literatuurkritiek niet gewaardeerd. Hij moet een mannenhater zijn geweest. Hoewel hij zelf een man was. Maar hij liet zich kastreren. Nota bene toen hij zo oud was als ik nu – en ik heb nog niks bereikt. Zijn wegge-

sneden ballen liet hij mummificeren en daarna inleggen in goud. Hij droeg ze als zeldzame juwelen aan een kettinkje rond zijn hals. Roman von Schleissinger. Vier jaar later stierf hij aan siffilis.

Je hebt niet geleefd als je niet ergens aan sterft, schreef hij in een van zijn laatste gedichten.

Wat zou hij geschreven hebben, bengelend aan zijn koord ? Ik ben aan het leven verhangen ?

Of : Je hebt niet geleefd als het niet adembenemend is geweest ?

Dichters weten het allemaal zo belangrijk voor te stellen : het leven, de dood, de vrouw,…

Ze wikkelen het in gewichtige woorden. Dat vinden ze zinvol. Dichters hebben mooi praten.

Het leven, de dood, de vrouw,…

Ik zou niet weten wat ik erover moet zeggen. En het gekke is dat ik er niet kan over zwijgen. Nee…, gek is het niet, je wórdt er gek van, het is vreselijk.

Wat was ook weer het adres van de historicus ? Ik ging het niet vergeten, had ik hem beloofd.

Ik herinner mij niet meer het telefoonnummer dat ik hem heb gegeven. Wat ging er trouwens op dat moment door mijn hoofd dat ik hem zomaar een nummer opdiste ? Wou ik hem maar wat op de mouw spelden met de bedoeling nooit meer iets van hem te horen ? Maar ik gaf hem mijn adres.

De historicus. Een intrigerende man. Saai, maar geschift. Veel meer kan je van een man niet verlangen.

Het waren drie leerrijke dagen. Bovendien had ik nog nooit gevrijd met iemand die mijn vader had kunnen zijn. Ook drie leerrijke minuten.

Talaad Harb Avenue, Caïro. Zo was het. Soms woont hij ook in Parijs. Maar alleen als hij in Frankrijk verblijft. Zo heeft hij het mij gezegd.

Misschien moet ik hem toch maar schrijven.

Waarom moest de dichter in mijn leven als eerste sterven ? Waarom niet de brandweerman in mijn leven ?

Ik ben getrouwd met de brandweerman drie maanden voor ik de dichter leerde kennen. De dichter zette mijn hart in vuur en vlam. De rook kwam mijn neus en mijn oren uit. Maar de brandweerman vroeg alleen verwonderd naar mijn merk van sigaretten.

De brandweerman was geen brandweerman uit principe. Hij werd het door de omstandigheden. Hij had altijd graag matroos willen worden, maar op een schip werd hij zeeziek en brandweerman vond hij een goed kompromis : niet op zee en toch dicht bij het water.

Ik ben van hem gaan houden, niet uit principe maar door de omstandigheden. Ik leerde hem kennen op de kermis. Ik bevond mij in het spookpaleis toen daar brand uitbrak. Daarna paniek. Reeds zwaaide Magere Hein naar mij met zijn zeis als plots de brandweerman me in zijn armen nam en me door de vlammen heen in veiligheid bracht.

Achteraf bleek het allemaal niet zo erg geweest te zijn. Er waren geen gewonden en de zeis was van plastiek.

Maar de armen van de brandweerman lieten mij niet los. Een jaar later heb ik hem getrouwd in smetteloos wit. Soms kan het leven van zo’n eenvoud zijn dat het alle begrip te boven gaat. Eenvoudige dingen kunnen wij niet begrijpen omdat wij alleen het ingewikkelde uit de doeken kunnen doen.

De brandweerman was ontzettend lief voor mij. Ik denk dat hij mij echt zag als zijn vrouw.

Het moet een harde klap geweest zijn toen ik hem vertelde van de dichter. Maar hij liet niks merken. Hij bleef lief. Misschien ging hij wat roekelozer tewerk bij het blussen van branden, ik weet het niet. Buiten die ene keer op de kermis heb ik

hem nooit meer aan het werk gezien als brandweerman. Misschien liet hij ‘s nachts als hij alleen was stil zijn tranen vloeien. Waarom niet ? Hij hield van de zee en tranen zijn zout en je wordt er niet zeeziek van. Tranen moeten voor hem een goed kompromis zijn geweest.

Ik heb van nature altijd een argwaan gekoesterd tegenover de liefde. Niet dat ik niet in de liefde geloof, maar ik vind haar te groot voor een mensenleven. Je krijgt ze er nooit helemaal ingepast. Dat is het ongelukkige van de liefde. Je moet haar eerst kapotslaan en zien welke stukken ervan je kan gebruiken om haar toch nog zo volledig mogelijk in je leven op te nemen. Sommige stukken zal je onherroepelijk moeten weggooien. En met de rest moet je gaan puzzelen.

Daarom ziet de liefde eruit als een gebroken ruit in het venster dat uitzicht biedt op je leven.

Zo’n zin zou de dichter hebben opgeschreven. En daar zou hij uren gelukkig over zijn geweest.

De brandweerman zou de glazenmaker hebben laten komen.

Toch had de brandweerman ook iets poëtisch. Hij had een zwak voor mijn borsten. Voor hem waren die zo goed als zijn kinderen. Hij gaf ze namen: Ludwig en Rita. Hij verwarde hen nooit. En als ik ze ‘s nachts nu eens verwissel ?, plaagde ik hem, want wat weet een man tenslotte van borsten. Toen we trouwden wou hij hen adopteren. Dan hadden we meteen een gezinnetje. Ik stemde toe. Als je trouwt denk je niet aan de toekomst. Nu we gescheiden zijn heeft hij maandelijks bezoekrecht. Hij voelt zich dan steeds wat ongemakkelijk – omdat ik er ook de hele tijd bij ben. Meestal praat hij tegen hen, soms streelt hij hen. Ik sluit dan mijn ogen. De laatste tijd is het niet meer zo duidelijk of hij tegen hen praat of tegen mij.

Ik weet niet of ik op hem ooit nog verliefd zou kunnen worden. Hij was zo zoet in alles wat hij deed. Ik kreeg er soms tandpijn van.

Volgens de historicus heb ik Egyptische trekken.

Je lijkt sprekend op Wadzjitahwere, zei hij me.

Wie is Wadzjitahwere, vroeg ik hem.

Een Egyptische prinses, zei hij. Hij zocht een kurketrekker.

Ze is al meer dan 3000 jaar dood, maar ze ziet er nog net zo jong en mooi uit als de dag dat ze stierf. Er is onnoembaar veel zorg besteed aan haar mummie. Ze is een eeuwige schoonheid, zei hij.

De kurketrekker was zoek.

Hoe oud was ze toen ze stierf, vroeg ik.

Ongeveer twintig, zei hij. Om precies te zijn : ze stierf tussen haar zeventiende en eenentwintigste levensjaar. Zo staat het in mijn studie.

En waaraan ging ze dood ?

Aan zelfmoord. Ze liet zich wurgen door een slaaf.

Eigenlijk was het dan euthanasie, zei ik.

Ze was kerngezond toen ze stierf, antwoordde hij terechtwijzend. Hij zette de fles wijn ongeopend weer op tafel.

Misschien was haar gezondheid haar ondraaglijk geworden, opperde ik. Waarom zouden alleen ziekte en pijn ondraaglijk worden ? Waarom zouden liefde, vreugde, gezondheid enzovoort het leven niet ook ondraaglijk kunnen maken ? Onuitroeibare liefde geeft toch evenveel recht op een menswaardige dood als onuitroeibare kanker ?

Hij ging naar het terras dat op dit uur danste van de hitte om een handdoek te halen.

Je vergelijkt appelen met peren, zei hij.

Met de handdoek bracht hij ook de geur van zeewater en zonneolie binnen.

Het is allebei fruit, zei ik.

Maar ze smaken heel verschillend, beweerde hij.

Niet als ze rot zijn, zei ik.

Hij plooide de handdoek dubbel en wikkelde hem om de fles wijn. Alleen haar hals stak naar buiten.

We openen haar op de manier waarop ze dat hier gewoon zijn, verklaarde hij en begon de fles krach-tig met haar bodem tegen de muur te slaan. De handdoek ving de schokken op. Dat gaf telkens een doffe bons. Met elke schok schoofde kurk een onzichtbare millimeter naar buiten.

Kan ze niet breken, vroeg ik.

Niet als de fles van een goed jaar is, antwoordde hij.

Af en toe zette hij de fles even op de tafel en wiste met de handdoek het zweet van zijn gezicht, waarna hij zijn karwei hernam. Ik hield twee glazen gereed.

Zodoende brachten we een heel stuk van de namiddag door.

Volgens de historicus had de zelfmoord van Wadzjitahwere te maken met een liefdesaffaire. Het arme meisje was door een- andere vrouw van haar geliefde beroofd. Toen overviel haar de onmacht om nog te leven en snikkend droeg ze haar meest toegewijde slaaf op haar te wurgen. Zodat met haar ook de pijn in haar hart zou versmachten. Je moet mijn studie, over haar en haar graf maar eens lezen, zei hij. Haar graf is werkelijk een pareltje.

Ik hou niet van graven, zei ik.

Ik wist toen nog niet dat ook de dichter er een had.

Ik hou van een kerkhof, maar niet van graven.

Als kind bracht ik vaak mijn namiddagen door op het kerkhof bij ons in de buurt. Zelfs op het kerkhof was het minder doods dan bij ons thuis. Toch was het er rustig en je kon er elke week weer andere bloemen plukken. Thuis zette ik de bloemen in een vaas die ik ooit ook van het kerkhof had meegebracht.

Mijn moeder had geen oog voor bloemen. Het enige dat kleur aan haar leven gaf, was haar lippenstift.

Als kind stond ik er niet bij stil dat een kerkhof een verzameling van graven is. Ik lette op de bloemen die er stonden, op de insekten die er ‘s zomers zoemden, op de vogels die er sjilpten, op de stilte die er alle tijd nam die de mensen niet meer hadden, maar ik lette niet op de graven. Dat waren grote anonieme stenen die zelfs in de felste hitte van de zomer nooit behaaglijk warm werden. Maar het wordt anders als de dood er zich mee gaat bemoeien en je iemand kent die in zo’n graf ligt. Als zo’n graf persoonlijk wordt. Op de duur zie je door de graven het kerkhof niet meer.

Maar haar graf is werkelijk het einde, hield de historicus vol.

Dat zal wel, zei ik.

Het graf van een meisje dat stierf van liefdesverdriet en dat na drieduizend jaar nog steeds een glimlach op haar lippen heeft.

Daar word je koud van, zei hij.

Ik blijf daar koel bij, zei ik.

Is de liefde een voldoende reden om zelfmoord te plegen ? Ik geloof het niet. Het enige werkelijke motief om zelfmoord te plegen lijkt mij de angst dat je anders op een andere manier aan je einde komt.

Pang ! Met een droge knal vloog de kurk van de wijnfles. Ik schrok en liet de beide glazen vallen. De historicus besproeide de scherven. Maar er bleef nog genoeg wijn in de fles om de woorden ‘liefdesverdriet’ en ‘zelfmoord’ en voor mijn part ook het woord ‘dichter’ te verdrinken.

De zon liet weer lange schaduwen naast de dingen vallen.

Voor een Oude Egyptenaar was een schaduw iets persoonlijks, zei de historicus. Zoals de ziel iets persoonlijks is.

Een mooi gegeven voor een dichter, zei hij. Maar wij weten dat een schaduw een natuurfenomeen is. De wetenschap heeft de dichtkunst veel ontnomen.

Ik had geen zin om aan dichters te denken, dus dacht ik maar aan de brandweerman. Of ik hem alimentatiegeld zou durven vragen om mijn borsten groot te brengen.

Kenden de Oude Egyptenaren brandweermannen, vroeg ik.

Ze kenden het vuur, antwoordde de historicus. Waarom ?

Misschien was Wadzjitahwere verliefd op een brandweerman, zei ik. Nee, ze was verliefd opeen dichter. Je moet echt mijn studie eens lezen, zei de historicus.

Soms gebeurt het dat dingen waar je absoluut niet wil aan denken zich met de hardnekkigheid van het toeval toch aan je weten op te dringen.

Die avond was de dichter zo een ding. Waarom begon de historicus immers over dichters ? Waarom was hij niet bij zijn schaduw gebleven ? Waarom had hij geen studie gemaakt over de schaduw door de eeuwen heen in plaats van over een verliefde mummie ?

Ik wist niet dat de dichter dood was toen.

Toen ik afscheid van hem nam, zei ik hem dat hij in mijn herinneringen zou sterven. Dat ik met zijn nieuw leven niks te maken wou hebben.

Okee, zei hij, ik hang op.

De meeste van zijn hints heb ik altijd pas achteraf begrepen.

Hij is niet gestorven in mijn herinneringen. In mijn herinneringen is hij pas echt gaan leven. Een leven zonder schaduw. Dat besef ik nu pas, dat je zonder schaduw niet begraven kunt worden. Onze schaduw is ons enige onvervreemdbare bezit hier op aarde. Het enige dat niemand je kan afnemen. Meer nog : dat je zelfs niet kunt wegschenken. Zo beschouwd is het niet alleen een mooi gegeven voor dichters, maar eerder voor filosofen.

Ik ga terug naar mijn hotel, zei ik tot de historicus.

De fles wijn was leeg. De dag zat erop.

Zie ik je morgen weer, vroeg hij. Ik trakteer je op een ontbijt.

De eerste man die mij ‘s avonds op een ontbijt wou trakteren.

Wat de geur voor het lichaam is, is de liefde voor de ziel, zei de dichter. Liefde is het parfum van de ziel. Daarom is de liefde vaak zo bedwelmend. Sommige zielen hebben een fijne neus, andere zijn voortdurend verkouden. Als twee zielen mekaar graag opsnuiven, zijn ze verliefd.

Wil jij mij opsnuiven ? vroeg ik dan.

Dat moet je mijn ziel vragen, zei hij.

We lieten ons vallen in het zand. Ik geloof dat we ons in de duinen bevonden, aan de zee. Boven ons hing een roofvogel te bidden.

Waarin zou hij geloven ? vroeg ik.

In de Heilige Geest, zei de dichter, omdat dat een duif is.

Hoe kan ik jouw ziel wat vragen ? vroeg ik.

Daarvoor hebben we nu net een lichaam, antwoorde hij. Als tussenpersoon. Rechtstreeks kontakt met de ziel kunnen we niet krijgen. De ziel spreekt immers de taal van het lichaam. Jammer dat we daar zelf zo weinig van snappen.

Je maakt het weer ingewikkeld, zei ik.

De mooiste literatuur zijn de fysische letteren, antwoordde hij en hij gaf me een kus.

Ik geloof dat we toen gevrijd hebben. Ik kon mijn ogen niet gesloten krijgen. Ik sloeg ze helemaal achterover en het was alsof ik door mijn hersens heen keek naar de lucht. Ik zag hoe achter mij de roofvogel zich als een steen liet vallen. Ik moet geschreeuwd hebben. De fysische letteren worden soms met bloed geschreven.

Nadat hij mij voor het laatst had opgebeld, telefoneerde hij naar een sexlijn. Waarschijnlijk omdat hij gehoord had dat die laatste erektie zo geweldig is en hij het onderste uit de kan wou. Hij had de telefoon ingenieus opgehangen naast de luchter. Hij moet er vast een hele voormiddag mee bezig zijn geweest. En daar hingen ze dan : hij, de luchter en de telefoon. Echt iets voor een gedicht. De dood groet ‘s middags de dichter :

Dag man aan de lamp 
Dag lamp aan de luchter
Luchterkelicht goeiedag 
Dag teletring telefoon 
Hijg Hijg
Gezwijg.

Licht uit. Doek !

En dan tuut tuut tuut tuut tuut : de telefoon die niet was opgehangen.

Zulke onvolkomenheden geven de dood dan toch weer iets levendigs.

Het ontbijt waarop de historicus mij trakteerde was uitstekend. Het restaurant had een stemmig terras met palmbomen en we hadden een mooi uitzicht op de oceaan. Meteen vissersboot die naar ons wuifde met zijn zeil.

De palmbomen wuifden terug.

Bij zo’n ontbijt is het eten bijkomstig, maar het was lekker en voedzaam. De historicus vertelde mij dat hij hier vaak op vakantie kwam. Soms wel drie keer op een jaar. En

jij?

Voor mij is dit de eerste keer.

Dat je hier komt ?

En dat ik op vakantie ga.

Hij prees me dat ik meteen de beste bestemming had gekozen.

Het was een aanbieding van het reisbureau.

Waar wil je naartoe, fleemden ze. Naar de zon ?

Nee, naar de maan.

Zij beschouwden dat als een grapje.

Die ochtend dat ik het reisbureau binnenstapte, wist ik niet dat ik ‘s avonds al op een vliegtuig zou zitten.

Ik had weinig bagage mee in een veel te grote valies.

Toen ik de valies kocht, dacht ik dat ik de halve wereld zou nodig hebben wanneer ik op de andere helft van de wereld aankwam. Maar toen ik mijn meeneemlijstje opstelde, drong het tot me door dat ik me de halve wereld niet kon veroorloven.

Ik troostte mij met de gedachte dat als mijn hotelkamer wat te eng zou zijn, ik in mijn valies nog ruimte had.

De historicus moest lachen om mijn verhaal. Hij lachte om alles die morgen. Blij dat hij me zag. Hij had al lang niet meer zo aan één stuk gepraat met een vrouw.

O ja, hij was getrouwd geweest met een vrouw. Op een blauwe maandag. Maar op een goede vrijdag was ze ervandoor gegaan. Hij heeft nooit uitgezocht waarom.

Het was in die tijd dat hij verliefd was geworden op Wadzjitahwere en aan zijn levenswerk was begonnen. Die studie was nu voltooid. In Wadzjitahweres graf was de tijd blijven stilstaan, maar elders in de wereld niet. Zijn studie stond op computer, zijn eigen vel was bijna perkament geworden. Maar er stond nauwelijks leven op te lezen.

Na het ontbijt gingen we naar het strand. De historicus was bang van zoutwater en bleef in het zand zitten. Hij keek naar me terwijl ik zwom. Ik zwom drieduizend jaar terug in de tijd. Ik herkende nog alles : de blauwe hemel en de zon die straalde als was hij gelukkig. Dat zal hij ook wel geweest zijn. Onder zijn goedkeurend oog plukte een zeevalk een vis uit het water. De vis verdronk in de lucht.

Leven en dood houden weinig rekening met elkaar.

Ik waadde terug het strand op. De historicus stak mij een handdoek toe, maar de zon was hem voor en had mijn rug al gedroogd voor ik ging zitten.

De schaduwen kropen in de kruinen van de palmbomen alsof de grond hen te heet werd. Dit keer zochten wij de koelte op van mijn hotelkamer. Er was geen wijn, maar wel een kurketrekker. En aan het plafond hing een ventilator.

De historicus had nooit durven denken dat hij ooit met een meisje als Wadzjitahwere op de rand van een bed zou zitten, nippend aan een glas vers vruchtensap.

Hij keek naar de vloer.

Er is iets met mijn herinneringen.

Er klonk vermoeidheid in zijn stem. Misschien was het de hitte. Ik knipte de ventilator aan.

Ik heb er te weinig. Maar ik herinner me niet dat ik er meer zou moeten hebben. Dan overvalt mij de angst dat ik niet genoeg heb geleefd. Dat ik al mijn kansen op meer herinneringen heb verkeken.

De ventilator maaide de lucht in schijfjes.

Dat ik jou ontmoet heb, geeft me weer wat hoop.

En elk schijfje lucht was welkom.

Ik glimlachte. Ik zei: ik heb dagen gekend dat ik mij niet herinnerde dat ik een geheugen had. Dan deed ik geen moeite om iets te onthouden. Dat was gemakkelijk. Leven op de indrukken van het moment. Ik liet dan alles waaien : gedachten, kleren, de wind. Het waren dagen zonder verleden. Ze hadden zelfs nauwelijks een heden. Als je jong bent, zijn je gedachten en herinneringen licht. Dan waaien ze vanzelf weg. Maar als je ouder wordt, worden ze monumenten. In mijn hoofd werd het Stonehenge.

Als ik het nu laat waaien, hoor ik het vaak alleen maar huilen.

Ik ga dan drinken, bekende hij.

Plots had hij haast. Alsof hij zich opeens wel iets herinnerde waarop hij niet gerekend had. Hij stond op en vroeg of hij me ‘s anderendaags zou weerzien.

Waarom niet ? Maar ‘s anderendaags was mijn laatste dag vakantie.

Daar maken we wat van, zei hij en groette beleefd.

De schaduwen lieten zich weer uit de kruinen van de palmbomen en van onder de daken glijden. De ventilator in mijn hotelkamer viel stil. Waarschijnlijk weer een electriciteitspanne.

Herinneringen. Is dat de liefde die de dood overwint ? Dat je sterft, maar dat je voortleeft in de herinnering van een geliefde ? Of is het alleen maar het geheugen ? Misschien is het geheugen alleen maar voor de doden gemaakt. Om het hen mogelijk te maken na de dood in het geheugen van anderen op een onstoffelijke manier verder te leven. En misschien is de ziel dan alleen maar het vermogen om zich in het geheugen van anderen te prenten. En ofwel hou je op een goeie dag toch op te bestaan omdat niemand zich jou nog herinnert, ofwel worden de herinneringen aan jou van generatie op generatie doorgegeven en leef je op de duur verder als een mythe of een legende die niemand nog kapotkrijgt. Waarom niet?

Het gaat allemaal zo vlug tegenwoordig. Het is niet meer bij te houden. De aarde draait in 24 uren rond haar as. De geschiedenis gaat vooruit in de tijd.

Daar moet iets mee te doen zijn.

Bijvoorbeeld. Als we de snelheid van de geschiedenis kunnen afremmen zodat ze onder de omwentelingssnelheid van de aarde komt te liggen en dat ze dus dagen nodig heeft van laat ons zeggen 25 uur, om zich nog in een etmaal te kunnen afspelen, dan moet de aarde voorsprong nemen op de geschiedenis. En wij met de aarde, vermits we erop leven.

Na verloop van tijd kunnen we de geschiedenis vanop een afstand bekijken. Omdat ze dan achter ons ligt. Op die manier kunnen we buiten de geschiedenis gaan staan. Terwijl we ons toch niet buiten de tijd bevinden, want dat is immers onmogelijk. Maar als de last van de geschiedenis van onze schouders zou vallen, zou tenminste niemand van ons zijn hoofd nog in een strop hoeven te steken.

Fysische letteren. De uitdrukking komt van Roman von Schleissinger. Er is in zijn leven een periode geweest, dat hij ongelukkig was omdat zijn oeuvre niet bestond uit slechts één onbeschreven blad.

Waarom geen twee onbeschreven bladen, vroeg een kritikus.

Omdat ik mezelf niet wil herhalen, antwoordde von Schleissinger. Schrijvers leggen te lichtzinnig een verband tussen schrijven en een boek, zei hij. Ik schrijf graag en ik leid graag het leven van een schrijver, maar zijn dat argumenten om het nageslacht met boeken op te zadelen ?

Schrijven is inbreken in de geschiedenis en de perfekte inbreker laat geen sporen na. Ik zoek een nieuwe vorm van schrijven. Een die geen sporen nalaat.

En hoe deed hij dat ? vroeg ik de dichter, die dit vertelde.

Hij schreef met zijn vinger in de lucht, zei de dichter.

De grootste denker, aldus von Schleissinger, is die zonder geheugen. Voor wie alles altijd opnieuw oorspronkelijk is en die geen twee gedachten hetzelfde denkt. Niet het denken maakt de mens tot wat hij is, maar zijn geheugen. Want dat herinnert hem eraan dat hij denkt. En met schrijven is het precies zo. Het schrift is het geheugen van de taal.

In de sjieke salons van Wenen in die tijd klom hij onverhoeds op een stoel en begon molenwiekend de lucht met lettertekens te doorklieven. Telkens hij een punt zette, richtte hij zijn vinger dreigend op iemand uit het publiek.

Een deel van het publiek vond het potsierlijk, anderen vonden het subliem, maar niemand die er een letter van begreep.

Het waren performances avant la lettre.

Daarna begon hij te experimenteren : schrijven in een emmer water, schrijven in een pot inkt, schrijven op brandend papier of schrijven met tabak : de tabaksrook letters laten klingelen in de lucht.

Hij verwekte schandaal toen hij zijn gedicht De Waarheid van de Man met zijn tong in de mondholte van een vooraanstaande dame wou graveren. Haar man nam dit niet en eiste een duel.

Akkoord, zei von Schleissinger.

Kies een wapen, zei de ander.

De stomheid, zei von Schleissinger. Wij zwijgen elkaar dood. En hij draaide zijn rug naar de ander die inderdaad verstomd bleef staan

De dichter kon zo enthousiast over hem vertellen dat ik ook van von Schleissinger ben gaan houden. Zijn leven sprak me aan. Dat gebeurt mij zelden. Van de meeste mensen spreekt alleen hun dood mij aan.

Op een keer was von Schleissinger te gast bij een der voornaamste Weense notabelen uit die tijd. Een man die bekend stond om zijn mooie vrouw en om zijn liefde voor goedgeschreven literatuur.

Naast zijn mooie vrouw bezat hij een verzameling inheemse en uitheemse bloemen die hij kweekte in serres en waar hij bijzonder trots op was. Geen enkele bloemenverkoper uit Wenen had zo’n breed aanbod als hij in zijn sierkasten had staan.

De man had een uitgelezen gezelschap uitgenodigd. Le tout Paris, maar dan in Wien. Tussen de hapjes en de lekkernijen door begaf men zich naar de serres. De tongen zaten los, er werd gepraat, er werd gedronken.

De schoonheid is het hoogste goed, beweerde de gastheer. Omdat ze louter onbaatzuchtig is, want de schoonheid dient tot niets, ze brengt ons niets bij, ze schittert alleen maar. Ze is het laatste restje van het paradijs in deze donkere wereld. We moeten haar koesteren.

Gezeik, riep Roman von Schleissinger terwijl hij de daad bij het woord voegend tegen een zeldzame doornbroodboom stond te plassen.

De mens kan nooit tenvolle van schoonheid genieten, zei hij. En dat ligt niet aan de mens, het ligt aan de schoonheid. Ze is te onvolmaakt voor de mens.

En hoe komt dat, werd er gevraagd.

Ondertussen nam de verbouwereerde gastheer de schade aan de doornbroodboom op.

Hoe dat komt, herhaalde von Schleissinger. Omdat de mens vijf zintuigen heeft.

Men keek hem onbegrijpend aan.

De schoonheid prikkelt slechts twee zintuigen, vervolgde hij. Het horen en het zien. Je kan de schoonheid niet ruiken, je kan ze niet voelen, je kan ze niet smaken. Allemaal dingen die je wel kunt met zoiets eenvoudigs als vrijheid. Maar die kunnen de meeste van ons dan weer niet horen of zien. Maar als horen en zien vergaan, is het met de schoonheid gedaan.

En deze bloemen dan, bromde de gastheer, zijn ze niet mooi ? En kun je ze niet ruiken ?

O jawel, zei von Schleissinger, ze zijn buitengewoon schoon, maar hoe ruiken ze dan ?

Lekker, zei de gastheer.

Maar niet schoon, zei von Schleissinger. Zie je ? Ons begrip schoonheid is onvolmaakt. We kunnen het niet ruiken.

Het is de taak van kunstenaars zoals jij om daar iets aan te doen, gromde de gastheer.

Okee, beaamde von Schleissinger en hij trok een prachtige roodgloeiende ballerinabloem met wortel en al uit haar bloempot.

De genodigden hielden hun adem in, de gastheer werd krijtwit.

Wat doe je, brieste hij.

En von Schleissinger antwoordde : Ik zoek naar de wortels der schoonheid. Problemen moet je bij hun wortels aanpakken.

Dat soort verhalen daar hou ik van. De dichter kon ze prachtig vertellen. Soms konden we zo opgaan in verhalen dat er voor de werkelijkheid geen tijd meer overbleef.

Er is een verhaal, zei de dichter, dat zegt dat toen de mens nog kon spreken met zijn ziel hij op een dag zijn ziel vroeg wat eigenlijk de liefde is.

De liefde…, begon de ziel, maar ze kreeg het niet gezegd. Ze bleef sprakeloos. En dat zwijgen duurt nog voort. Zodat de mensen van nu niet eens meer weten dat de ziel ooit heeft gesproken. Maar om de mensen toch een aanduiding te geven van wat de liefde is, schonk de ziel een klein beetje liefde aan de bloemen. Sindsdien hebben alle bloemen een geur.

Ik heb bloemen leren kennen op het kerkhof, zei ik.

Ik bij ons thuis op het behang, zei hij.

Dat heeft onze relatie tot bloemen blijvend bepaald. Voor de dichter bestonden ze vooral op papier. Voor mij waren ze tastbaarder dan de dood.

De historicus had tot ‘s nachts gewerkt aan een wetenschappelijk artikel. Toen ik ‘s middags bij hem aanklopte, was hij net uit bed. Hij vertelde mij waarover het artikel handelde. Ik begreep er niet veel van. Het ging over de archeologie van de liefde. Over de mogelijkheid om in het heden sporen terug te vinden van een liefde die pakweg drieduizend jaar geleden had gebloeid.

Het waren allemaal hypothesen die hij formuleerde en hij had er nog geen onderzoek naar verricht, maar hij had tenminste de idee aan de orde gesteld. Hij glunderde. Hij wou er een glas op drinken. Had al een fles wijn in een handdoek gewikkeld.

Ik had een kurketrekker meegebracht.

Het is gek, zei hij, maar het is alsof ik je al jaren ken.

Bijna had hij eeuwen gezegd.

Weet je waarnaar ik het meest nieuwsgierig was, toen ik je voor ‘t eerst zag ? Naar je stem. Ik had het doodjammer gevonden, had je doofstom geweest.

Ik ook, zei ik.

Weet je, liefde begint op een afstand. De kiem ervan ligt altijd in het oor of in het oog. De stem of de blik vertellen het eerst van de liefde. Daarna volgen de aanraking, het ruiken van de geliefde en tenslotte het proeven ervan. Maar mijn geliefde heeft nooit een woord tot me gesproken of me aangekeken. Daardoor kon onze liefde nooit beginnen. Daarom ben ik blij dat ik jou heb ontmoet.

Hij keek me aan als een schooljongen. Een beetje vroegrijp misschien.

Op onze gezondheid, zei ik.

De rest van het gesprek herinner ik mij niet meer. Ik weet alleen dat we op zeker ogenblik in bed terechtkwamen zonder dat ons dat moeite had gekost. Wat we dan deden, had-

den we in drie minuten achter de rug. Dus de namiddag was nog lang niet om.

De historicus leek nu pas echt een schooljongen. Hij had er de hik van gekregen. Ik moest daar schaamteloos om lachen, terwijl hij zich alle moeite getrooste om voor te wenden dat het door de wijn kwam.

Hij stelde voor om nog iets te gaan eten. Ik stemde toe. In mijn hotel stond mijn valies al klaar. En hoewel die nog lang niet vol zat, zou ik de resterende uren ginder nooit meenemen.

Ik liet mij verwennen door een gekke ouwe man. Ik wond hem op en hij mocht me. Wat kon het leven me op dat moment meer bieden ?

In het restaurant deed iedereen zijn best om het ons naar onze zin te maken. De uitbaters van de zaak -een Europees paar – die ons welkom heetten en ons een plaats op het met palmblaren overdekte terras aanbevolen, de kelner die ons ondanks zijn stijve pak met akrobatische handigheid bediende, de gebakken maanvis die pruttelend tussen het exotische fruit op een enorme houten schotel op onze tafel werd gezet : ze waren allen zeer voorkomend. Misschien omdat we de enige klanten waren.

Op het muurtje rond het terras zat een aapje. Tussen het muurtje en het aapje zat een ketting. Het aapje glimlachte naar me.

Kunnen aapjes glimlachen ?

Nee, meende de historicus, want de mens stamt af van de aap, niet de aap van de mens.

Op dat ogenblik leek me dat een logische verklaring.

De oude Egyptenaren hielden van apen. Ze hielden ze als huisdieren. De schooljongen was weer een geleerde geworden.

Prinses Wadzjitahwere had een aapje.

En de geleerde had geen last van de hik.

Het was haar lievelingsdier. Ze hield van zijn grimassen. Omdat er toen nog geen film bestond, moest het aapje haar met zijn beweeglijke gezicht het gelaat van haar geliefde tonen telkens die afwezig was en zij naar hem verlangde. Het aapje verstond die kunst als geen ander, alleen kon hij hem nooit tonen terwijl hij glimlachte. Op de duur herinnerde prinses Wadzjitahwere zich haar geliefde niet meer als iemand die haar glimlachend aankeek. Dat heeft zonder twijfel bijgedragen tot haar besluit om te sterven. Ik zal je een exemplaar van mijn studie opsturen.

Maar het aapje dat daar op het terrasmuurtje zat, glimlachte wel degelijk naar me.

Ik glimlachte terug. Misschien waren dit metafysische letteren.

Ik gaf de historicus mijn adres, maar toen hij mijn telefoonnummer vroeg, verzon ik hem ter plaatse een reeks cijfers.

Hij gaf mij zijn adres, maar ik schreef het niet op.

Ik onthou het zo wel, zei ik. Hij was er niet gerust in.

Toen we afscheid namen, was hij dronken.

Ik heb er lang over nagedacht. Maar wat is lang in een kort leven ? Het leven is altijd te lang om kort en goed te zijn.

Ik voel hoe mijn hart klopt in allebei mijn borsten en met iedere slag het leven stukje bij beetje vermorzelt.

Nu roemen mijn minnaars nog de kracht van mijn dijen. Met hun handen aan mijn borsten kneden ze het brood van de liefde.

Omdat ik hou van de liefde moet ik afzien van één geliefde en heb ik mij vele minnaars gekozen. Ik spiegel mij aan vele gezichten en vele gezichten spiegelen zich aan het mijne en altijd en door ieder oog kijkt de eenzaamheid ons aan.

Ik kan niet alles willen als ik niet ook de dood kan willen.

Vreugde smaakt het zoetst voor wie de bitterheid van de pijn nog op zijn lippen proeft.

Toen ik thuiskwam, was de dichter dood.

Het is gek, maar een mens wordt meer getroffen door de dood van een ander, dan door zijn eigen dood.

Moedig, hoe de dichter tot op het laatst de eindjes aan mekaar wist te knopen.

Heeft het zin te praten als niemand luistert, vroeg ik hem soms. En dan antwoordde hij : het heeft net zoveel zin als zwijgen wanneer niemand luistert.

Al wat er tot nu toe over het leven is gezegd en geschreven zijn : woorden. Korter kan ik het niet samenvatten. En al wat ik daaraan kan toevoegen zijn woorden. Anders gezegd : ik herhaal de samenvatting.

Dat noem ik logika.

Maar daar schiet ik dus niks mee op.

Alleen het zwijgen valt niet in woorden samen te vatten. Tenminste als het niet v/ordt uitgelegd. Alleen in wat verzwegen blijft, schuilt nog iets oorspronkelijks. Dat de dichter dat onder woorden wil brengen is zijn drama. Wie echt het leven wil doorgronden moet wachten tot het zwijgen vanzelfsprekend wordt.

Misschien is dat de dood.

theatertekst
Leestijd 20 — 23 minuten

Elvis Peeters

Elvis Peeters is rockmuzikant (Aroma di Amore), songschrijver en theaterauteur. In Etcetera 30 (juni 1990) verscheen zijn theatermonoloog Het uur van de aap.

theatertekst