Theo Van Rompay

Leestijd 7 — 10 minuten

Het Theaterfestival 1991

Over noodzaak en inplanting

Het Theaterfestival is in 1991 aan zijn eerste lustrum toe. Deze vijfde verjaardag gaat gepaard met een belangrijke innovatie voor het Vlaamse publiek: voor het eerst is de festivalselectie ook in Vlaanderen te zien, met name van 7 tot 15 september in de Antwerpse theaters deSingel en Monty. Theo Van Rompay houdt een pleidooi voor de noodzakelijke dialektiek tussen festivalorganisatie en permanente werking als voedingsbodem voor de artistieke ontwikkeling binnen de podiumkunsten.

Het Theaterfestival is het geesteskind van de Nederlander Arthur Sonnen, die zich bij de conceptie ervan liet leiden door het befaamde (West-)Berlijnse Theatertreffen. Het uitgangspunt is gekend: een tiental toneelprodukties uit Vlaanderen en Nederland, geselecteerd uit het aanbod van het voorbije seizoen, worden als opmaat voor het nieuwe seizoen gepresenteerd in één stad. Amsterdam beet in 1987 de spits af, daarna werd gedurende driejaren de Rotterdamse Schouwburg de gastheer. Dit jaar wordt er verhuisd naar Den Haag en steekt men dus voor het eerst ook de grens over.

Het basiscriterium van de selectie is het ‘belangwekkende’ karakter van de betreffende produktie. Die gemeenschappelijke noemer wordt bewust nogal vaag gehouden en geeft ruimte tot een zeer uiteenlopende invulling. Zowel de lezing van een tekst, als de bewerking van een prozatekst voor theater, het spel van de acteur of het concept van de regisseur kunnen de keuze verantwoorden. “De jury wijst telkens opnieuw op lichtpunten, waarin nauwelijks de curve van een verborgen constante te ontwaren valt”, zo schrijft juryvoorzitter Michaèl Zeeman in het Juryrapport 1991.

Door op zoek te gaan naar ‘belangwekkende’ voorstellingen poogt de jury ook de ‘hitparade’-klip te omzeilen. Het zou er niet om gaan de beste produkties samen te brengen, maar wel diegene dus die zich op een of andere manier onderscheiden hebben. Niet de prijsuitreiking, maar wel het debat en de confrontatie horen centraal te staan op Het Theaterfestival. Dit nobele uitgangspunt van de initiatiefnemers is inmiddels door de praktijk bijgekleurd. Zelfs Arthur Sonnen zet in zijn voorwoord bij het komende festival het rare woord ‘belangwekkend’ tussen aanhalingstekens. Voor de media en het ruime publiek is Het Theaterfestival al lang een klassieke Best of; er is ook nauwelijks een theatergezelschap te vinden dat een festivalselectie niet in zijn curriculum opneemt. Om dit wedstrijdkarakter in de mate van het mogelijke te ondergraven kan het belang van het parallelprogramma niet overschat worden. De organisatoren hebben terzake dan ook een zeer belangrijke inspanning geleverd.

Een en ander neemt niet weg dat de samenstelling van de jury steeds meer met argusogen gevolgd wordt. Dit hoeft niet te verbazen. Toen bijvoorbeeld in 1990 het relatief onbekende Marche funèbre pour chat van Turbiasz/Van Dijck/Dehollander geselecteerd werd, miste dit zijn effect niet. De produktie had tijdens het seizoen in nauwelijks een vijftal theaters speelkansen gekregen. Onmiddellijk na de bekendmaking van de jury-selectie stond de telefoon roodgloeiend bij het gezelschap. Nogal wat organisatoren laten zich in hun theaterprogrammering blijkbaar leiden door het oordeel van de jury!

Deze jury is samengesteld uit zes Nederlandse en drie Vlaamse critici, elk zetelend voor maximaal drie jaar. Deze verhouding was acceptabel zolang de organisatie en financiering van Het Theaterfestival exclusief Nederlands waren. Logischerwijze zou daar nu verandering in moeten komen, zij het dat het aantal professionele Vlaamse theatercritici dat zich voltijds aan de theaterkritiek kan wijden, op één hand te tellen is. Misschien kan de Vlaamse verankering van het festival een aansporing zijn voor de media in Vlaanderen om de kunstkritiek meer aandacht te geven. Het is toch godgeklaagd dat in de redactie van belangrijke informatiebronnen als bijvoorbeeld De Standaard of Knack geen vaste plaats voorbehouden is voor een theater- of danscriticus.

Hoe dan ook, de jury voor dit festival bestond uit de Nederlanders Hanny Alkema, Hans Oranje, Max Smith, Karen Welling, Marijn Van der Jagt en Michaël Zeeman (voorzitter) en de Vlamingen Pol Arias, Johan Thielemans en Luk Van den Dries. De trouwe lezer van Etcetera kent deze drie laatsten uiteraard als Etcetera-medewerkers van het eerste uur. Andere Vlamingen die vroeger reeds in de jury zetelden zijn Carlos Tindemans, Marianne Van Kerkhoven, Jon Misselyn en Wim Van Gansbeke.

Truuk

Toen vijf jaar geleden de idee voor Het Theaterfestival gelanceerd werd, voerde in vele theatermiddens scepsis de boventoon. Er bestond nogal wat argwaan tegen iets wat als een typische organisatoren-truuk beschouwd werd. Het begrip ‘festival’ bezorgt velen al maagpijn, denkend aan de inflatie waaraan gans West-Europa sinds een tiental jaren onderhevig is, laat staan een festival dat onbeschaamd en met flinke overheidssteun, over de hoofden van de dagelijkse werkers heen, schoolmeester zou gaan spelen. De vrees bestond dat management de bovenhand haalde op artistiek fundamenteel werk. En dat deze handigheid bovendien tonnen geld zou kosten. Trouwens, was het geen onzin te veronderstellen dat theatermakers hun voorbereiding van het nieuwe seizoen zouden stilleggen om even een oud stuk van onder ‘t stof te halen ?

Op de achtergrond speelde de twijfel die als dé klassieker van de tachtiger-jaren-organisatoren kan beschouwd worden: festival of permanente werking? Theaterdirecteuren kijken met afgunst naar de luxe die de festivalorganisator zich kan permitteren om een gans jaar of zelfs twee jaar naar een piek toe te kunnen werken. De festivaldirecteur van zijn kant benijdt de flexibiliteit van de schouwburg, de mogelijkheid om direct te kunnen inspelen op de actualiteit. Beide vormen van theater-presentatie zijn inderdaad zeer uiteenlopend, maar de persoonlijke positie van de organisator is volstrekt irrelevant voor de grond van de zaak.

De vraag is immers waar publiek en theatermaker mee gebaat zijn. Het antwoord mag klaar en duidelijk zijn: met de dialectiek tussen festival- en schouwburgwerking. Een festival is inderdaad pas relevant wanneer het dicht bij de dagelijkse praktijk staat en in een verhevigd moment die praktijk commentarieert, wanneer het verbanden of tegenstellingen blootlegt die in een gespreide werking onder de oppervlakte dreigen te blijven, wanneer het theatermakers helpt een (nieuw) publiek te vinden. Vooral dat laatste mag niet onderschat worden. De verhoogde pers- en publieksaandacht die eigen is aan het event-karakter van een festival is een ideale basis om ongekend werk een duw in de rug te geven.

De dagelijkse werking in de schouwburg van zijn kant heeft een totaal ander ritme en, vooral, een andere taak. Niet ten onrechte duikt de term ‘diepte-werking’ hier vaak op. Niet gestoord door een keurslijf van tijd, ruimte, beschikbaarheid of thema kunnen de presentatie-condities in een seizoenwerking geoptimaliseerd worden. Anders gesteld: men kan zich als programmator beter afstemmen op de specifieke behoeften van de theatermaker. Of nog, om de cirkel rond te maken, men kan er het terrein dat door het festival vluchtig omgewoeld werd verder ontginnen. De theatermaker vindt er een perspectief voor zijn artistieke creatie.

Sinds het Kaaitheater in 1986, na de organisatie van zijn vijfde festival, fuseerde met de artiestenvereniging Schaamte en zich concentreerde op een permanente produktie- en presentatiefunctie, is er geen theaterfestival meer in Vlaanderen. Er is natuurlijk nog wel Klapstuk in Leuven, maar daar wordt het accent quasi exclusief op de dans gelegd. Alle andere festivals – De Beweeging(Antwerpen), Bruzzle (Brussel), Time Festival en Vooruitzicht (Gent) – zijn, althans vanuit theateroogpunt, slechts een zwakke afspiegeling van wat het Kaaitheaterfestival ooit was. De stap die Kaaitheater toen zette was een logische institutionele vertaling van de inhoudelijke koers die Hugo de Greef vaarde sinds 1977. De scherpe keuze voor een bepaalde groep van artiesten had op den duur meer last dan baat bij een tweejaarlijks evenement. Het werk van mensen als Anne Teresa De Keersmaeker, Jan Lauwers, Steve Paxton, Jürgen Gosch of The Wooster Group was beter gediend met een permanente werking. De bewering echter als zou een festival op zich voorbijgestreefd zijn – stelling die sindsdien vaak door Kaaitheater verdedigd werd – snijdt geen hout. Voor de groep van mensen, organisatoren én artiesten, die Kaaitheater schraagde was een festival effectief irrelevant geworden, maar in het globale landschap kwam er een grote lege plek. Voor het publiek betekende de omschakeling van Kaaitheater tegelijkertijd winst en verlies. Het werd wachten blazen op de organisator die de vrijgemaakte plaats zou innemen. Behalve een té schuchtere poging van Bruzzle, heeft er nog niemand de durf gehad een nieuw grootschalig (theater)festival op te starten.

De oversteek van Het Theaterfestival naar Vlaanderen is dus een goede zaak. Ook al is de opzet ervan in geen enkel opzicht vergelijkbaar met het vroegere Kaaitheater. Maar de glasheldere constructie van Het Theaterfestival heeft evenzeer de mogelijkheden in zich om de maatschappelijke rol van het theater als kunstvorm te onderlijnen. In the long run heeft iedereen daar baat bij: artiest, publiek en organisator. Hoe meer het festival erin slaagt het opduikende wedstrijdelement te neutraliseren en hoe meer de complexiteit en vitaliteit van de actuele kunstenaar op de voorgrond komt, des te belangrijker zal dit festival worden voor de ontwikkeling van het theater.

Antwerpen

Afgaande op de hardnekkigheid waarmee zowel Antwerpen, bij monde van Frie Leysen (toen nog directeur van deSingel), als Brussel, op initiatief van Hugo de Greef en Karel Anthierens (respectievelijk directeur Kaaitheater en voorzitter Bruzzle), ervoor gepleit hebben gastheer te kunnen zijn voor Het Theaterfestival in Vlaanderen, wordt het belang van dit festival niet meer in twijfel getrokken. Uiteindelijk heeft de constructie deSingel/Monty aan het langste eind getrokken en zal het festival alvast tot in 1995 in Antwerpen plaatsvinden. Onder andere vanuit infrastructureel oogpunt lijkt de keuze om eerst naar Antwerpen te gaan niet onlogisch. Eigenaardig is wel dat meteen een periode van vijfjaar vastgelegd wordt. Als argument geldt dan dat het festival zich stevig moet kunnen vastankeren, dat er een verderliggend perspectief moet zijn om met de lokale organisator naartoe te kunnen werken. Kijk naar Duitsland, zo wordt gezegd, waar het Theatertreffen ook steevast in Berlijn gebleven is.

Ik heb geen enkele twijfel over het feit dat Het Theaterfestival in Antwerpen in goede handen is, maar toch lijkt me dit een zeer foutieve beslissing. De argwaan die er her en der nog bestaat tegenover wat ik hierboven een organisatoren-truuk genoemd heb, wordt er alleen maar door versterkt. In tegenstelling immers tot een ‘klassiek’ festival als het vroegere Kaaitheater of het huidige Klapstuk, staat bij Het Theaterfestival niet de artistieke visie van de programmator voorop. De programmatische invulling is hier net niét lokaal gekleurd, integendeel. Het Theaterfestival afficheert zich in het beste geval als het synthese-moment van een theatergemeenschap en er is geen reden denkbaar waarom dit feest voorbehouden zou blijven aan één stad. De noodzakelijke organisatorische know how ligt anderzijds niet zo ingewikkeld dat Gent en Brussel terzijde zouden moeten geschoven worden.

Naar het ruime publiek toe lijkt deze honkvaste inplanting ook een ongelukkige keuze. Het is verstandiger Het Theaterfestival als een smaakmaker te gebruiken om in de permanente seizoenswerking, waar het dan toch vooral om gaat, verder op door te werken. Door de verankering in één stad riskeert men nu een festival voor een restpubliek te creëren, dat niet geneigd zal zijn de ontwikkelingen op de voet te volgen omdat het zich toch verzekerd weet van een jaarlijks terugkerende crème de la crème. Het dienstdoende argument om een perspectief op langere termijn te hebben, is voor dit festival geen verdienste, maar een gebrek. Alleen vanuit het standpunt van de organisator kan dit argument gelden, omdat Het Theaterfestival (met de portefeuille en media-aandacht die eraan vasthangt) een vette kluif is die je zonder veel inspanningen op je bord krijgt.

De verwijzing naar Berlijn houdt ook geen steek. Gezien het isolement van West-Berlijn in het verdeelde Duitsland, was het Theatertreffen noch min noch meer een constructie om het Westberlijnse publiek op de hoogte te houden over de ontwikkelingen in het verre West-Duitsland. Juister lijkt het mij zich te spiegelen aan de traditie van het Theater der Welt-festival dat tweejaarlijks georganiseerd wordt en waarvoor steeds een andere Duitse stad de gastheer is, ook al blijft de organisatie in handen van dezelfde stichting.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

Theo Van Rompay

artikel