‘La chute des Anges’ Jan Vercruysse (1983) / Philippe Degobert

Dirk Lauwaert

Leestijd 6 — 9 minuten

Het schot in de spiegel

De kunstkritiek is een burgerlijk, 19de eeuws concept. Ze steunt op het fragielste van alle argumenten: de ervaring van iets. Nu het moderne project voltooid is, stelt Dirk Lauwaert voor om een klein ritueel te bedenken voor de kritiek, om afscheid te nemen van een illusie. Het laatste statement in dit dossier.

De kunstkritiek is een burgerlijk concept; ze heeft een vrije beoefening van kunst, een vrije markt voor de kunst, een ongebonden smaak en een angstwekkende anonimiteit van doen om te ontstaan en te bloeien. De criticus is één van die typisch 19de eeuwse scheppingen – een variant op de flaneur en de dandy, incarnatie bij uitstek van de ‘man in de massa’. Een merkwaardige mengeling van wil om te geloven en bijtend ongeloof. Een tragikomische double bind van ambitie en trivialiteit. Slaaf in barbaarse loondienst van bedrijven die juist de vijanden zijn van datgene wat de criticus verdedigt en de incarnatie zijn van datgene wat hij wraakt. Slaaf van kunstwerken die besmet zijn door de eisen van de verkoopbaarheid: van dat commerciële wezen hoopt de criticus het kunstwerk te kunnen bevrijden. Hij is het alibi van de geest in een ontgeestelijkte wereld; hij is het schoolvoorbeeld van het ‘slecht geweten’.

Zelfbegoocheling

De criticus is als burgerlijke figuur de incarnatie van de romantische ambities: de eigen ‘ervaringen’ tot norm verheffen van iedere waarde. Hij exalteert de eigen bevindingen, de autonomie van zijn smaak en zijn emoties. Hij exalteert de aanleidingen tot die emoties in typische compensatiebewegingen. Overdrijven is de substantie van zijn denken en van zijn functie. Zijn vraag om voortdurend geraakt te worden is onmenselijk. In zijn enthousiasme is hij tomeloos: die parade verwacht men van hem. Als een exhibitionistische Lola Montès moet hij – in welke melancholie hij zich ook bevindt – telkens weer het spektakel van de vervoering opvoeren.

Luciede ten aanzien van de rol die men hem geeft als producent van enthousiasme, is hij tegelijk bodemloos aan zelfbegoocheling onderhevig. Een zelfbegoocheling die hij maar al te goed kent, waarvan hij tegelijk meester en slachtoffer is. De kritische relatie tot objecten is een romantische relatie die zich van om het even welk voorwerp kan meester maken: het is een vorm van hallucinatie, die zich weinig aan de objecten gelegen laat, maar te maken heeft met dat exquise vermogen zichzelf te exalteren. De kritische relatie is er geen van inzicht, maar van bewust geproduceerde waan.

De kritiek is geen manier om boven en buiten iets te staan, maar integendeel een grandioos middel om zich ergens aan te verankeren in een cultuurperiode die alles ziet uiteen dijnen. De ironie wil dat in het burgerlijke tijdperk de kritische geest het instrument is van een ultieme en karikaturale poging om de dingen alsnog geordend te zien, alsnog geordend te zien verdwijnen. Want de kritische geest ziet het verdwijnen – ziet de dingen onder de vorm van het verdwijnen. Aan hem is het nieuwe niet besteed, slechts één keer in zijn leven laat hij zich daardoor overmeesteren. Voor de rest bekijkt hij het langzame verdwijnen van die ene verschijning, als hij het ongeluk heeft te lang criticus te moeten zijn.

Ervaring

De kritiek is de partner en de antipode van de mode. De mode is toekomstgericht en zonder geheugen. De kritiek cultiveert het verleden, exalteert de voorbije mode, de banden van de mode met het verleden. Zonder het modieuze geen kritische activiteit; maar er bestaat anderzijds alleen kritische activiteit tegen het modieuze in.

Zit de mode verankerd in de doxa, in de ideologie – de kritiek zit als kritiek van die ideologie dubbel in de doxa verstrikt. Ze weet dat en kent de beschamende schroeigeur die het merkteken daarvan bij hem inprent. Kritiek is luciditeit hopeloos verstrikt in naïviteit. Dat is ook het drama van de burgerlijke wereld. Zij is tegelijk de meest en de minst filosofische, de meest en de minst tragische. In haar handen vertroebelt filosofie en tragiek tot kitsch. Kritiek is des te urgenter in zulk een cultuurperiode, om die onweerstaanbare verglijding met hopeloos karikaturale gestes tegen te gaan én te bewerken.

De kritiek gelooft in de mogelijkheid een maatschappij toe te spreken: deze maatschappij dan nog wel, waarin iedereen heet mee te mogen luisteren. Zij gaat ervan uit dat de kennis niet esoterisch, maar exoterisch werkt. Zij is een permanente leken-pedagogie. Haar goede bedoelingen zijn even aandoenlijk als de oprechtheid ervan weerzinwekkend is. De criticus kan niet cynisch zijn: hij heeft van het burgerlijke programma het taboe op het cynisme meegekregen. Vandaar dat in cynische fases van onze cultuur de kritiek in al haar schaamtewekkende blootheid uitgemanoeuvreerd wordt. Want de criticus is de positief ingestelde, die tevergeefs en pathetisch zijn eigen naïviteit probeert weg te bijten.

Want kritiek gelooft in de ervaring: die van de wereld en van de mensen, die van het samenleven en van de menselijke geschiedenis. Andere bewustzijnsvormen zijn (gelukkig!?) onmogelijk geworden: blijft de ‘ervaring’. Helaas, die is juist niet meer de levensbepalende en -veranderende, radicaal onvoorziene inslag, maar integendeel de prikkel die de slaap van hetzelfde alleen maar versterkt. Prikkel, sensatie, opgerakeld gespreksthema waar vooral niets aan en bij gebeurt. De ‘ervaring’ is het verweer tegen verandering. De ‘ervaring’ is gemodelliseerd. Dat is toch het grote moderne project – om het bestaan tot in de intiemste uithoeken, tot in de ervaring, te beheersen, te sturen, dus te ontkrachten.

Kritiek steunt op dat fragielste van alle argumenten: de ervaring van iets. Daarmee openbaart ze de grenzen van haar mogelijkheden, de komiek van haar ambities, de aandoenlijkheid van haar bewust gekozen vergankelijkheid. Voor de kritiek is de ervaring van de wereld niet de ervaring van het ijdele en misleidende, zoals in andere, wijzere cultuurperiodes, maar is iedere ervaring het merkteken van het ultiem authentieke. De ervaring van de wereld is voor de kritiek een categorie van het morele en van de kennis. Voor de criticus is de ervaring een positieve waarde.

Veel signalen doen het vermoeden rijzen dat we langzaam uit de burgerlijke hypothese wegdrijven, andere configuraties tegemoet. De stand van de kritiek is een van de vele indicatoren daarvan.

Vandaag is de vraag van de kritiek in het hart getroffen door een fatale uitdaging, die van de kwantiteit. Op een merkwaardige wijze is de kritiek, die nochtans van in het begin de kwantiteit zag opkomen en daar een antwoord op was, vandaag bezweken onder de toenemende intensiteit van de kwantiteit: haar rol is uitgeput, haar plaats niet meer op een krachtige manier te bezetten. Dat onvermogen heeft alles te maken met het conformisme, met de triomf van het positieve. De kwantiteit is de ultieme incarnatie van het burgerlijke positivisme en daarmee ook de liquidatie van het burgerlijke zelf.

Van de kritiek wordt vandaag verwacht dat haar negativiteit constructief zou zijn: d.w.z. dat ze haar eigen schamele tragikomedie zou negeren. Kritiek is vandaag een omschrijfbare en respectabele functie, een bescheiden knooppunt in de lopende band van de zelfproduktie van de maatschappij. Ze is realistisch geworden en collaboreert dus probleemloos met de lokale overheid’. Vandaag moet kritiek redelijk zijn, d.w.z. haar eigen contradicties en absurditeit verdoezelen.

Ontzag

Met hoe weinig ontzag weet men vandaag te kijken naar de drama’s van het verleden en naar die van vandaag. Het burgerlijke had een goed gecultiveerd besef van het ontzagwekkende; tegelijk haatte ze ieder spoor daarvan. Maar ze moest en zou het ontzagwekkende, dat laatste spoor van iets meer en iets anders, bezweren; daar is ze vandaag volledig in geslaagd: het ontzagwekkende wordt geproduceerd en dus meteen ook geliquideerd.

En kritiek heeft de maatschappelijke energie nodig die ontstaat door het voortdurend opduikende niveau-verschil, dat ontzag wekt. Uit die hydraulische energie ging ze putten; de voortdurend wisselende hoogtes en laagtes zorgden voor haar beweging. In dat carrousel werd het merkwaardige spirituele avontuur van de burgerlijke maatschappij voltrokken. Maar die carrousel heet vandaag mode: de geschiedenis als seizoenprogramma.

Instrument

Uit mijn tekstverwerker dampt de autobureaucratie bedwelmend omhoog. In de straten fluistert men me tot duizeling toe ‘Bosnië’, ‘Roumanie’ in het oor. De stad is in handen van een luguber taxidermist die mij de illusie wil laten van de herinnering in een plaats vastgegroeid. Alles lost zich op in het mechanische geheugen van mijn video-player. Van iedere gedachte meet ik pro forma de besmettingsgraad: maar onbesmette gedachten bestaan niet meer, ik laat ze na bureaucratische registratie allemaal toe. Achter ieder werkstuk vermoedt men de smeuïge hand van de sponsor, de perverse hulp van de overheid. In de beste der werelden is geen enkele verontwaardiging meer mogelijk – dus ook geen enkel enthousiasme. Laten we een klein ritueel bedenken voor de kritiek; om afscheid te nemen van een illusie. Want voortaan leven we in de radicaal positieve realiteit. De dag is aangebroken dat de negativiteit een adolescente crisis blijkt te zijn geweest.

Ondertussen staat het negatieve in heel andere gedaantes aan de poort. Reeds belegert het ons. We weten nog niet dat we niet meer naar buiten kunnen, dat de (geestelijke) uithongering al begonnen is.

Iedere kritiek is – zoals dat vroeger heette – ook maatschappij-kritiek. Er zijn nu eenmaal verbanden die men nimmer over het hoofd mag zien. Die tussen een tekst en het apparaat, die tussen een tekst en zijn medium, die tussen een woord en de manier van spreken, die tussen een beeld en zijn plaats. Vandaag is men blind voor dat verband – de kritiek is steeds het instrument geweest om dat verband te zien. Men wil het niet meer zien. Omdat ieder verband vandaag instrumenteel is; omdat ieder niet instrumenteel verband een misprezen metafoor is. Kritiek is steeds het wapen geweest tegen het instrumentele; vandaag is kritiek een instrument.

statement
Leestijd 6 — 9 minuten

Dirk Lauwaert

statement