Jan Ritsema

Leestijd 6 — 9 minuten

Het overkomt ons niet

We vroegen Jan Ritsema een tekst te schrijven over zin en onzin, waarde en onwaarde van het theater vandaag. Het resultaat is een vlammend pamflet over de leugen die zich in alles wat we doen heeft genesteld. ‘Het wordt hoog tijd dat het toneel waar wordt.’

Ik moet het over mezelf hebben. Niet over anderen, dat is te gemakkelijk. Het probleem zit bij mij. Waarom ik niet beter theater maak dan ik doe, en niet waarom anderen dat ook nalaten te doen. Terwijl er redenen genoeg zijn, ik bedoel: ik heb woede genoeg om beter theater te maken. Woede jegens zowat alles.

Om te beginnen tegen het toneel zelf. Naarmate met het klimmen der jaren het besef dood te gaan zich dwingender aandient, kan ik het narratieve, de verhaaltjes, het volgens de logica van de causaliteit verlopende gezeur van mensen op het podium over hun problemen met het leven, zichzelf en/of anderen steeds slechter verdragen. Omdat ze zonder uitzondering alle terug te brengen zijn tot de ziektes die Zelfmedelijden en Zelfhaat heten. Typisch ziektes die stammen uit de Grieks-Romeinse en Joods-Christelijke traditie. Regisseurs en acteurs, allen lijders aan dezelfde kwalen als waar hun personages aan lijden, halen hun hart op aan het nutteloos gewentel in het bekende, in wat allemaal terug te voeren is tot het je zin niet gekregen hebben. So what. Je zin niet krijgen. Dat is leven: sterven is je zin niet krijgen. Dat moet blijkbaar. Jij en de ander, we maken mekaar allemaal dood of alvast al een klein beetje dood met pesten en bedriegen van onszelf en de ander. De eindeloze verzuchting daarover op de podia verklaart of onthult niets meer. Deze is zelfs gevaarlijk omdat het de indruk geeft dat het lot, of zo u wilt het noodlot, onomkeerbaar is, iets dat ons blijkbaar overkomt, terwijl het juist de kunst is om niet voor één gat te vangen te zijn. Zo niet de helden en heldinnen uit de toneelliteratuur: zij lopen regelrecht de fuik in. En daarmee bevestigt het toneel dat lottig besef, die machtloosheid, die zo diep in de individuen van onze cultuur gebakken zit. Daarover straks meer.

Naast die verhaaltjes, dat narratieve, staat ook het onechte, dat doen-alsof, wat toch een van de hoofdkenmerken van de toneelkunst schijnt te zijn, mij tegen. Ik haat dat kinderachtige, de schijn, die poppenkast. Het wordt hoog tijd dat het toneel ‘waar’ wordt. Het wordt tijd voor een debat en plein public, voor de verdediging van een verklaring, voor een zaal die meepraat, voor een toneel dat aangeraakt mag worden. Het tijdperk van de onaantastbaarheid van het podium is voorbij. Het toneel is gewoon geworden, snel, flexibel, intelligent en waar. De nieuwe toneelspeler is het eens met wat hij zegt. Hij zoekt de confrontatie. Niet omwille van de confrontatie, maar om zo precies mogelijk te zijn, opdat er zo weinig mogelijk verhuld blijft. Er is veel te zeggen, veel om over te praten, veel te ontdekken over de wereld en onszelf. En dat debat, dat wederzijds (toeschouwers en podium) innemen van posities tijdens de voorstelling, dat debat kan met alle huidige en toekomstige technische en theatrale middelen verhelderd, versterkt en toegespitst worden.

(Misschien moet ik eens met Toneelgroep Amsterdam praten, die nu dat nieuwe theater mogen bouwen, wat een moderne zwarte doos dreigt te worden, zo’n ouderwets modern theater waarin natuurlijk niet alle stoelen voorzien zijn van een asbak, glashouder, microfoons, telefoon, kleurentelevisie enz. en het podium van satellietaansluitingen, radaren röntgenapparatuur, glasvezelbekabeling en alle mogelijke data- en telecomaansluitingen. Binnen de begroting van 31 miljoen hfl. moet er toch 2 miljoen te vinden zijn voor de modernste voorzieningen?)

Met dergelijke voorzieningen alleen heb je natuurlijk nog geen goed theater. Want stel dat één of twee van de veelbelovende jonge of oude of oudejonge of jonge-oude theatermakers, waar maar steeds weinig uitkomt, dit alles serieus neemt en zijn volgende voorstelling leuk met telefoons op de publiekstafeltjes ensceneert, zodat het publiek met elkaar en het podium kan bellen. Als die veelbelovende jonge of oude of oudejonge of jonge-oude theatermaker niet ook wat te vertellen heeft, zijn we nog niets opgeschoten. Ik bedoel iets beters dan de repeterende verzuchting over zichzelf, zijn medemensen of zijn vak. Iets beters dan de fuik waarop hij en zijn personages onafwendbaar lijken af te stevenen. Want, zo dicteert de mode, de maakbaarheid van ons leven en onze omgeving is een illusie. En dat is een illusie! Er overkomt ons niks. We willen het zo want het gebeurt zo. Dat tonen we. Als we het niet zouden willen, als we het zo niet prettig zouden vinden of gemakkelijk, zouden we het wel laten. Want een ding is zeker: wat we niet willen dat overkomt ons niet. Hoe graag we ook het tegendeel beweren of zelfs wensen te geloven.

Het overkomt ons niet dat alles om het geld draait, dat de economie groeit, dat de snelheid waarmee de gulden of de frank zijn tocht langs de onderdanen maakt op peil blijft omdat we zoveel te besteden weten. Dat willen we zo, want we willen deel hebben aan de welvaart en kennen de regels van het spel: uitgeven, besteden.

Het overkomt ons niet dat zuivere lucht en zuiver water steeds schaarser worden. Dat willen we. Dat tonen we, want we vervuilen bij alles wat we verbruiken.

Het overkomt ons niet dat we een slechte pers hebben, een die niet onderzoekt, analyseert, onthult (ik bedoel anders dan sex en fraudeschandalen), want we willen het niet weten.

Het overkomt ons niet dat we machteloos doen over het stompzinnige geweld in ex-Joegoslavië. Dat willen we, want we gaan er niet eens voor de straat op. Ook al blijkt hoe langer hoe duidelijker dat de geschiedenis zich herhaalt en ook al riepen we dat we het nooit meer zouden toelaten, dat hun enige misdaad die ze begaan hebben is dat ze jood, ik bedoel moslim zijn. Laat de fascisten hun gang gaan, want we hebben het zo gewild. Dat tonen we.

Het overkomt ons niet dat Frankrijk haar kernproeven herhaalt. Dat willen we, zoals we het willen dat Belgische en Nederlandse fabrieken wapens, mijnen en hoogwaardige technische onderdelen voor de wapenindustrie produceren, want hebben we ooit tegen Hollandse Signaal-apparaten of Belgische FN-geweren geprotesteerd?

Het overkomt ons niet dat de televisie zoveel pulp produceert, want dat willen we: spelletjes, nieuwtjes, verhaaltjes. Geen analyses, onthullingen, ideeën. We willen slapen omdat we moe zijn van alle ellende.

Het overkomt ons niet dat we geen meningen meer hebben en – zo we die al debiteren – weigeren de consequenties ervan te dragen, want dat willen we: neuzelen, borrelpraat, onszelf horen praten en alles heel erg vinden om daar dan weer ziek van te worden, machteloos zelfs, teneinde over een alibi te beschikken om niks te hoeven doen.

Het overkomt ons niet dat een derde van de wereldbevolking, meer dan 1.500.000.000 mensen, onder de armoedegrens leeft, want dat willen we, zolang we niet willen delen. Enkele tiende procenten van het Bruto Nationaal Produkt zijn al onderwerp van discussie en dan nog moet een belangrijk deel daarvan in het ‘donorland’ besteed worden.

Het overkomt ons niet dat politici als Frits Bolkestein en Filip Dewinter (ik gooi ook zo maar eens wat namen op een hoop, Bolkestein) de politieke agenda bepalen met hun op gezond verstand en gezond eigenbelang gebaseerde standpunten. Dat willen we, want we verzetten ons niet. We vergapen ons hoogstens aan onze eigen verbazing over zoveel politieke arrogantie. Die natuurlijk geen echte verbazing is, daarom vergapen we ons er ook aan, maar integendeel instemming met hun standpunten. Hun politieke tegenstanders bedienen zich van een diplomatiek tegensputteren of gespeelde verontwaardiging maar ontberen krachtige nieuwe ideeën over de toekomst van de wereld.

Het overkomt ons niet dat de kunsten niets meer te vertellen hebben. Dat willen we zolang we genoegen nemen met het verzorgen van de ontspannende, decoratieve franje voor de gespeelde vermoeidheid van de rijken.

Dit alles willen we zolang we ons niet verzetten, zolang we niet wensen te kiezen en de consequenties van die keuzes wensen te dragen. Dat wil zeggen dat die uit ons handelen blijken. Maar helaas, de wereld is te groot en wij zijn te klein, wij verkeren in meelijwekkende toestand. We zouden wel willen, maar we kunnen niet. An me hoela. Dit alles en nog veel meer overkomt ons evenmin als de dagelijkse kilometers file op onze autowegen. Ook die willen we. Ook al doen we alsof dit ‘onheil’ ons overkomt als het weer. Toneelspelers zijn we. We doen alsof we het allemaal niet zo gewild hebben, terwijl we weten dat het tegendeel waar is. Het publiek is zelf professionele acteur geworden. De toeschouwer is niet langer op zoek naar de waarheid, maar hult zich in de schijngestalte van machteloosheid en gaat schuil achter een wolk van zelfbeklag. Zelfbedrog op de vlucht daarvoor. Oedipus en Hamlet zijn nog springlevend. We hebben er niets van geleerd. Integendeel. We zijn behendige vluchters geworden, elke confrontatie vermijdend. En daarom mag die confrontatie terug naar af. Want schijn/doen alsof aan beide kanten van het podium heffen elkaar op. Vanaf nu kan alleen nog de waarheid van het podium klinken. Weg met de illusie, de metaforen, hyperbolen, paradoxen. Het toneel maakt een draai van 180 graden. Van de acteur die doet alsof hij meent wat hij zegt naar de acteur die meent wat hij zegt. Opdat het toneel weer, net als de muziek soms, diepe wonden reinigt. Opdat het toneel weer onthult. Maar daartoe moet het zelf naakt worden, ontveld. Zich ontdoen van zijn traditionele verpakking en nieuwe vormen zoeken die alleen nog de confrontatie met de schijn dienen.

Op het nieuwe toneel heeft de schijn als verschijning afgedaan.

De lat ligt hoog. Het toneel is aan een grondige vernieuwing toe. Die moet ontwikkeld worden. Eenieder die daaraan mee wil doen melde zich.

Met dank aan Schopenhauer

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

Jan Ritsema

artikel