António Lobo Antunes

Leestijd 3 — 6 minuten

HET KAFFERJONGETJE

In het werk van António Lobo Antunes staan herinneringen aan het Portugese koloniale verleden in Angola centraal. Een fragment uit de roman ‘De glans en pracht van Portugal.’

10 MEI 1988

Eigenlijk had ik al moeten weten dat Angola afgelopen was voor me toen de mensen op twee plantages ten noorden van die van ons vermoord waren, de man met zijn hoofd omlaag op de trap, dat wil zeggen aan een tree genageld met een gordijnrail, de vrouw naakt op haar buik in de overhoop gehaalde keuken, duizend keer naakter dan als ze nog had geleefd, zonder tong, zonder handen, zonder haren, zonder borsten, bewerkt met het vleesmes en tussen haar benen de hals van een fles, het hoofd van de oudste zoon staarde ons aan vanaf een tak, zijn lichaam, aan stukken gesneden met de mechanische zaag, lag in dunne reepjes tussen de bloemen, de jongste zoon achter het huis (waar we ‘s middags thee met hen dronken, biscuitjes aten en ons koelte toewuifden met raffia waaiers) met de hond, hun beider darmen één groot kluwen, bloederige vingerafdrukken op de muren, het armzalige meubilair omgegooid, de fotolijstjes kapotgesmeten, de gordijnen voor de open ramen veegden door de stilte en de stank van de ingewanden, ganzengegak boven de kantine, de tractoren en de in brand gestoken zonnebloemvelden, waar de opzichters ineengerold op de grond op hun eigen neus en oren kauwden met groepjes zoemende kevers in de open wonden, mijn vader zocht samen met de cipaio’s de akkers af zonder iemand te vinden, alleen zijn eigen geschrokken schaduw en de boshonden, die de lijken aan het verscheuren waren en snuivend, met hun haren overeind terugweken, kwaad dat ze de vodden en botten moesten achterlaten, met een zakdoek voor de mond gaf hij opdracht hen te begraven, voor het eerst in zijn leven zonder zelfvertrouwen of gezag of zekerheden, het interesseert me niet waar wat kan mij dat schelen maak gewoon een gat in de grond en stop ze daarin, de Hollanders van de diamanten waren bezig het door de regens vernielde asfalt op te kalefateren met een soort kachels die kiezels en zwarte tranen uitspuugden, de boshonden kwamen terug en snuffelden aan de bomen, mijn vader tegen de cipaio’s, terwijl hij net zo snuivend als de honden met de zakdoek tegen zijn mond terugdeinsde, hoezo kruisen verdomme hoezo kruisen vergeet die verrekte kruisen we gaan toch zeker geen tijd verspillen aan het maken van kruisen, en dan het geluid van voetstappen, als een overhaaste vlucht of een flitsende lont of wegstuivende mussen, paniek in het gras, de korporaal rende tussen de planten door om de toegang tot de savanne af te snijden, de cipaio’s sloegen met hun lopen op de grond en dreven de voetstappen in de richting van de graanschuur, de lont en de wegstuivende mussen verschenen op het erf veranderd in een Kafferjongetje van acht of negen jaar dat voor ons bleef staan met een zak gestolen bonen onder zijn arm, een boom met een enorme kruin waarvan de naam me nu niet te binnen schiet

ik zie hem zo voor me maar ik kan niet op de naam komen

schudde het gealarmeerde gekras van de raven van zich af, repen stof van de gordijnen voor de open ramen zonder kozijnen en ruiten veegden nog steeds door de stilte en de stank van de ingewanden, de korporaal boog met de kolf van zijn geweer tegen zijn schouder voorover naar het Kafferjongetje en mijn vader

‘Nee’

een jongetje van acht of negen jaar op blote voeten tegen de graanschuur met een gestolen zak bonen onder zijn arm keek naar de geweren, keek naar de cipaio’s, de boshonden groeven de gaten in de gewonden uit, mijn vader snoof met de zakdoek tegen zijn mond net als de honden, opnieuw vol zelfvertrouwen, gezag, zekerheden, hij was het hoofd aan de tak vergeten, de vrouw op haar buik in de keuken die naakter was dan als ze nog had geleefd

‘Nee’

boeken
Leestijd 3 — 6 minuten

António Lobo Antunes

boeken