Benoît Vreux

Leestijd 6 — 9 minuten

Het ‘Jeune Théâtre’: leven en dood van een project

Dossier: de jonge groepen

Tussen droom en daad staan vaak praktische bezwaren. Voor jonge theatermakers is dat niet anders: een repetitielokaal vinden, een producent over de brug halen, de vraag of je mag repeteren als je uitkeringsgerechtigde bent,… op de duur zou je vergeten te spelen. Benoît Vreux doet het verhaal van het Jeune Théâtre’ van de Franse Gemeenschap van ons land, hoe enkele jonge artiesten een Staten-Generaal bijeenriepen en hoe de minister daar afwezig bleef.

Tussen die praktische bezwaren en de opdracht die het jonge theater tegenover de gemeenschap moet vervullen, moest ergens een brug worden gelegd, ook al is die maar voorlopig en wat wankel. Aan het slaan van die brug heeft een tiental jonge artiesten zich gezet. Het zijn voornamelijk regisseurs die de handen uit de mouwen hebben gestoken en de Staten-Generaal van het Jonge Theater hebben bijeengeroepen. Jean-Christophe Lauwer s (Théâtre de l’Oc) nam het initiatief tot de oprichting van een Raad die maanden na elkaar meerdere keren per week werkwinkelde om een discussieplatform tot stand te brengen waarin de jonge gezelschappen zouden dialogeren en om een openbaar evenement te organiseren waarbij de situatie van het jonge theater op artistiek, institutioneel en financieel gebied duidelijk zou worden gemaakt aan alle deelnemers aan het theatergebeuren: overheid, schouwburgdirecties en pers.

Er werd om te beginnen een omvraag gehouden onder alle jonge gezelschappen die tenminste twee professionele stukken hadden opgevoerd in de laatste vijf seizoenen. Dit leverde een beter inzicht in de toestand en stof voor concrete voorstellen. Want al beschikt de Dienst Theater van de Franse Gemeenschap over statistische gegevens van de grote gezelschappen, over het ‘Jeune Théâtre’ is er vrijwel niets steekhoudends te vinden.

De eerste Staten-Generaal van het Jonge Theater dateerden van 1974. Toen ontstonden een aantal belangrijke initiatieven waarvan de gevolgen nu nog voelbaar zijn, maar die toch duidelijk ook vrij ver af staan van de huidige situatie of totaal geen zin meer hebben.

Dus werd beslist de Staten-Generaal van het Jonge Theater in 1994 als volgt te organiseren:

– twee dagen overleg voor alle jonge artiesten (op 21 en 22 februari). Het doel was het werk van de Regelingscommissie bekend te maken en te luisteren naar adviezen, opmerkingen en voorstellen van deelnemers.

– een dag openbare voorstelling van de vragen en eerste antwoorden uit genoemd overleg, ten overstaan van de theaterwereld en de overheid (op 26 februari in Théâtre Varia).

De eerste twee dagen hadden als hoofdthema ‘vie et mort d’un projet artistique’. De deelnemers bezonnen zich over het structurele raderwerk waar een theaterproduktie tegenwoordig doorheen moet, wat er hapert, wat er verbeterd kan worden of gewoon wat ieder afzonderlijk op dat gebied ervaren heeft.

Er stonden vier punten op de agenda: de Adviescommissie voor Hulp aan Theaterprojecten, de Culturele Instellingen en de coproduktie, de nationale en internationale verspreiding, de pers.

De Adviescommissie voor Hulp aan Theaterprojecten

De Commission consultative d’Aide aux Projets théâtraux trekt alleen projecten aan die tenminste een van de volgende vereisten vervullen:

– de nieuwste en meest vrije expressievormen van de dramatische kunst brengen en verspreiden;

– de werken van toneelauteurs van de Franse Gemeenschap presenteren of experimenteren met werken van vernieuwende hedendaagse schrijvers;

– verspreiding van werken uit het grote oude of hedendaagse repertoire.

Uitgesloten zijn echter:

– projecten waarvan de financiële haalbaarheid niet gegarandeerd is;

– projecten die niet door een verspreidingsplan worden ondersteund.

Deze laatste twee punten wegen zwaar in de evolutie van de CAP de jongste jaren.

De 41 miljoen frank kredieten die de CAP voor het jaar 1993 ter beschikking krijgt, worden besteed aan:

– hulp bij een eerste project, gaande van 300.000 tot 800.000 frank;

– hulp bij de projecten van toneelmakers die al eerder steun hebben gekregen, van 800.000 tot 3 miljoen frank;

– hulp voor wederopvoeringen, die minder vaak wordt gevraagd.

De CAP vergadert een tiental keren per jaar en onderzoekt jaarlijks een goede honderd dossiers.

Er zijn acht commissieleden en ze zijn benoemd voor vier jaar “op basis van hun bekendheid en het belang dat zij stellen in de dramatische creatie”. De Commissie moet bovendien de verschillende politieke strekkingen vertegenwoordigen.

Het kwam er al spoedig toe dat de financiële haalbaarheid maatgevend werd bij de keuze van de Commissie. Als leden van de CAP werden vooral mensen genomen die vertrouwd waren met het theaterbeheer, directeurs van culturele centra of institutionele schouwburgen. Maar dat bracht de nodige verwarring teweeg, vooral het feit dat sommige leden tegelijk rechter en partij zijn. Op de eerste vergaderdag van de Staten-Generaal werd de soms wel erg nauwe band tussen jonge gezelschappen en leden van de commissie aan de kaak gesteld.

Een van de oplossingen die op de Staten-Generaal naar voren werden geschoven, was het aantal leden van de CAP tot twaalf te verhogen om via een groter aantal subjectieve meningen tot een objectief inzicht te komen. Nog een oplossing zou kunnen zijn onder het trouwe theaterpubliek kandidaat-leden te zoeken. Zoals bij de filmcommissies zou eraan gedacht kunnen worden een verslaggever aan te stellen die als verbindingsman tussen gezelschappen en commissie zou optreden.

De culturele instellingen

In de Franse Gemeenschap zijn er vier soorten culturele instellingen, hoewel dat onderscheid voor sommige moeilijk te maken valt:

1) De Dramatische Centra, die door de Overheid in de jaren ’80 in het gewest zijn opgericht. Er is er een in Luik, een in Namen, een in Henegouwen en een embryo in Luxemburg met het Centre dramatique van Aarlen. Het Théâtre National heeft wel een bijzonder statuut, maar kan als Dramatisch Centrum van Brussel gelden.

2) De communautaire schouwburgen die doorgaans uit privé-initiatief zijn gegroeid en vervolgens door de overheid erkend en ondergebracht in gebouwen van de Franse Gemeenschap. In dat geval verkeren o.m. het Atelier Sainte Anne en het Théâtre Varia. Theoretisch moet een deel van de subsidie dienen voor onderhoud en werking van het gebouw en een deel voor de kosten van creatie en verspreiding van de voorstellingen. De scheidingslijn tussen werkings- en exploitatiekosten is soms moeilijk te trekken. De financiële moeilijkheden van het Théâtre Varia zijn grotendeels daaraan te wijten.

3) De semi-privé-schouwburgen, ook uit privé-initiatief ontstaan, krijgen een terugkerende subsidie van de overheid maar betrekken een gebouw dat aan particulieren of aan een andere overheidsinstantie dan de Franse Gemeenschap toebehoort. Zij krijgen wat inrichtings- en uitrustingskosten betreft niet dezelfde faciliteiten als de communautaire schouwburgen.

De betrekkingen tussen deze eerste drie categorieën van theaters en de overheid worden geregeld door programmacontracten (zie Etcetera nr. 39).

4) De Culturele Centra, namelijk de zowat vijfenzeventig “Maisons de la Culture” en “Foyers culturels” die over Brussel en Wallonië verspreid liggen en samen het verenigingsleven structuur geven. Lange tijd moesten de Culturele Centra alleen dienen om de cultuur in al haar uitingen te verspreiden (toneel, muziek, maar ook permanente educatie). Sedert einde 1993 is er voor hen een specifieke Commissie voor aanvullende kredieten om werk van jonge producenten binnen te halen en te programmeren, ofwel om vast onderdak te verlenen aan produktieteams (bij voorbeeld Dominique Serron en het Infini Théâtre in het “Foyer culturel” van Sint-Gillis) ofwel om jonge gezelschappen op uitnodiging te laten spelen. Binnenkort komen er programmacontracten tussen deze Culturele Centra en hun financiële partners (voornamelijk de Gemeenschap, de Provincie en de Gemeente waartoe zij behoren). Deze herstructurering is nu aan de

gang. Bij de eerste zittingen van de Staten-Generaal werden heel wat vragen gesteld over deze vier mogelijke types van partners. De voornaamste kritiek geldt de ondoorzichtigheid van de besluitvorming, de lamlendigheid van sommige schouwburgen, de onbereikbaarheid van hun directeur, de afkeer van het nemen van risico’s, de ijdele beloften. Ook over de “coproduktie” rijzen vragen, want die gaat van reële geldinbreng tot vage dienstverlening met tussenin uitkoop noch min noch meer. Het werd kortom duidelijk dat wat de jonge gezelschappen ontberen, een kader is dat de plichten en taken van alle deelnemenden vastlegt.

Een telefoontje van de Minister

Zover stond het met de werkzaamheden van de Staten-Generaal van het Theater, toen op dinsdag 22 februari een telefoontje binnenkwam van het Kabinet van de Minister van Cultuur om te zeggen dat de minister op 26 februari niet zou kunnen komen omdat hij in Lissabon moest zijn om samen met zijn collega’s van de Europese Unie de culturele hoofdstad van Europa van start te laten gaan. Dit nieuws sloeg in als een bom en het duurde niet lang of alle werkzaamheden vielen stil. Er werd nog alleen geredetwist over de houding die tegenover die laattijdige afgelasting moest worden aangenomen.

Uiteindelijk werd beslist dat de Staten-Generaal niet zouden doorgaan “zonder de aanwezigheid van degene die officieel beslist”. Die zelfde avond vertrok er een fax naar Minister Eric Tomas, waarin de Staten-Generaal verklaarden zijn afwezigheid ad actas te hebben genomen.

Donderdagavond, 24 februari, kwam een beperkt comité samen in een café in Sint-Gillis om het communiqué op te stellen dat op zaterdag in de Varia voorgelezen zou worden. Maar dan werd plots de komst van de Minister tegen 20 uur aangekondigd. Eric Tomas kwam met zijn kabinetschefs, verontschuldigde zich en legde uit waarom hij niet kon komen en bekende dat hij niet had beseft hoe belangrijk dit evenement was. Er werd overeengekomen dat de Minister en de leden van de Staten-Generaal elkaar op 29 maart zouden ontmoeten.

Na het vertrek van de Minister pleegde het redactiecomité langdurig overleg over de vraag of de vergadering van 26 februari nu al dan niet afgelast moest worden. De slotsom was dat er zaterdagochtend een communiqué werd uitgegeven waaruit de theaterwereld vernam dat “Het Jonge Theater weigerde verklaringen af te leggen en een cultureel debat aan te gaan zonder de Minister van Cultuur”. Na de gebruikelijke bedankingen verlieten de leden van de Staten-Generaal de scène, terwijl de kabinetschef van de minister diens verklaring voorlas.

Terwijl de meeste jonge theatermakers de Varia verlieten, beslisten enkelen onder hen een vereniging op te richten “Voor een jong theaterbeleid” die meteen liet weten voorstander te zijn van “een intensief gevoerde samenspraak tussen artiest, politiek en burger.”

Er is dan wel meningsverschil over de strategische middelen die moeten worden aangewend om de overheid in het debat te betrekken, iedereen is ervan overtuigd dat de benarde situatie van het Jeune Théâtre geen langer talmen duldt en dat er op 29 maart concrete oplossingen uit de bus moeten komen.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#45

15.04.1994

14.07.1994

Benoît Vreux

artikel