JDX Public Ennemy, Stan / Koen de Waal

Eddie Vaes

Leestijd 6 — 9 minuten

Het is niet aan te raden een nieuw pak aan te trekken wanneer men voor Vrijheid en Waarheid ten strijde trekt.

Ibsens Vijand van het Volk stond zowel bij Stan als bij Theater van het Oosten op de affiche. Eddie Vaes bespreekt beide versies en schetst de geschiedenis van het stuk: ‘Als kunst de bestaande orde in vraag moet stellen, dan is Ibsen hier de kunstenaar en Stanislavski de draaikont.’

Van Een vijand van het volk (1882) van Hendrik Ibsen (1828-1906) liepen onlangs twee interessante versies in ons taalgebied: het Arnhemse Theater van het Oosten speelde de bewerking van Arthur Miller in een regie van Koos Terpstra; Toneelgroep Stan uit Antwerpen bracht een eigen bewerking onder de titel JDX Public Enemy, met regie-aanwijzingen van Annet Kouwenhoven.

Toeval? Een betekenisvol feit, waarmee nog eens wordt aangetoond dat Ibsen een magistraal vakman is en dat de ruim een eeuw oude problematiek hoogst actueel is. Ibsens stuk heeft veel te vertellen over de relatie individu-maatschappij en durft wat te zeggen over zin en onzin van de democratie. Moeten de rechten van minderheden niet altijd worden beschermd, ook als mensen met hun ideeën alleen staan, politiek geen kleur bekennen, geen kerk of loge aanhangen? Ibsens duidelijkste pleidooi voor een individueel anarchisme is tegelijk een bevragen van de partijdemocratie, die ten tijde van Ibsen nog maar net tot ontwikkeling kwam. Hij maakt het proces van een jonge democratie, waarin de waarheid al snel wordt verkracht, en een humaan individu wordt gestenigd. Het stuk heeft nogal wat overeenkomsten met het zestien jaar eerder geschreven Brand, waarin helden komaf willen maken met leugens en corruptie. In beide stukken is sprake van de dwingelandij van de meerderheid.

Een stad is door haar voordelige ligging uitgegroeid tot een kuuroord. Arts Thomas Stockmann, verbonden aan de badinrichting, ontdekt dat het bronwater en de grond door een infectie zijn aangetast. Dat kan een gevaar betekenen voor de gasten. Stockmann is een beminnelijk wetenschapper, die er niet aan denkt iemand te benadelen. Hij verheugt zich op zijn onderzoek, omdat hij van de waarheid houdt. Hij is een vriend van het volk en zijn onderzoek kan zijn aanzien doen stijgen. Hij is onhandig, draagt een bril – een element dat het Theater van het Oosten heeft behouden -, is soms pedant, maar meestal redelijk. Als het onderzoek de schadelijkheid voor de volksgezondheid aangeeft, staat zijn gegronde conclusie vast: sluiten en saneren. Dat is tegen het zere been van zijn broer de burgemeester, van politici, industrie en horeca. Aanvankelijk krijgt hij de steun van de oppositie en van een krant. Ondanks zijn moreel gezag haalt hij zich toch de haat van de stad op de hals, want iedereen leeft van het kuuroord. Tot zijn ergernis ontdekt hij dat naast de bron ook de mentaliteit van zijn stadsgenoten is vergiftigd. Ten slotte staat hij met zijn gezin en zijn vriend Horsten alleen, als een vijand van het volk. Hij gedraagt zich gegriefd en als zijn broer hem onder de neus wrijft dat ‘de meerderheid altijd gelijk heeft’ replikeert hij: ‘De meerderheid heeft nooit het recht aan haar zijde! Nooit, zeg ik.’

Hij had nooit de bedoeling een confrontatie met de corruptie aan te gaan. In feite staat hij pal achter de waarheid en zelfs als hij de hele stad over zich heen krijgt, denkt hij niet aan wijken. Wanneer zijn ramen worden ingegooid en hij de stenen op de vloer ziet liggen beseft hij dat ‘het niet aan te raden is, een nieuw pak aan te trekken wanneer men voor Vrijheid en Waarheid ten strijde trekt.’ Kapitein Horster is de enige die Stockmann niet afvalt. Hij kan dat omdat hij als zeeman de normen aan de wal kan negeren. Recht door zee is zijn motief. Zijn schip vormt ook de enige vluchtweg voor Stockmann, die al plaatsen heeft gereserveerd voor de volgende afvaart. Maar ook Horster krijgt klappen, wordt door zijn rederij ontslagen. De baas van zijn huidige rederij kon hem niet behouden. ‘Dat is ook niet zo eenvoudig wanneer men tot een partij behoort,’ zegt de kapitein fijntjes.

Theater van het Oosten

Bij het Theater van het Oosten wordt Stockmann – gespeeld door Victor Löw -op den duur drammerig en pedant, maar men zou voor minder. Löw krijgt schitterend weerwerk van Esko Heil als broer en burgemeester en van Willem Kwakkelstein als Morton Kiil, Stockmanns schoonvader, wiens leerlooierij de vervuiling heeft veroorzaakt. In deze grotezaalproduktie wordt aanvankelijk nogal kleintjes gespeeld, soms op een kluitje aan de rand van het enorm hellend vlak. Als de burgemeester het vlak durft te betreden trekt het spel open. Als enige decorstuk hangen er op de achtergrond een half dozijn ramen, die aan het slot

worden stukgegooid. De tekst en het verhaal krijgen alle aandacht in een sobere wat minimalistische mise en scène, die tijd nodig heeft om op kruissnelheid te komen. Eenmaal dat punt bereikt laat de voorstelling je niet meer los, vooral dankzij het vuurwerk van Löw. Stockmann is hier niet meelijwekkend, want zeer goed van de tongriem gesneden, ad rem, soms arrogant en gelijkhebberig, zelfs bot tegenover zijn vrouw, die de dagelijkse karweien van de humane filosoof mag opknappen. Wellicht heeft dit met de bewerking van Arthur Miller te maken die het stuk in een hedendaagse context plaatste.

Stan

Toneelgroep Stan trok de geschiedenis eveneens naar het hier en nu, zonder iets aan de tekst te veranderen. Er werd enkel een kleine scène geschrapt. Middels een Antwerps tongval kon het meespelen in de stand der dingen bij aanvang van het Cultuurjaar 1993, waarvoor het stuk speciaal werd opgevoerd. Het leek wel of de groep het stadsbestuur op de vingers tikte, daarmee letterlijk gehoor gevend aan Stanislavski’s definitie van de maatschappelijk-politieke lijn die in elk goed theaterstuk aanwezig zou moeten zijn. Hoewel dit stuk als een minder sterke Ibsen staat aangeschreven, heeft het een meeslepende verhaallijn en een hoge actualiteitswaarde. Toch was Antwerpen ’93 een wat ongelukkig kader voor dit stuk, omdat de euforie van de eerste maanden van het cultuurjaar de feiten uit de voorstelling overrompelde. Gelukkig heeft Stan het stuk nu – een jaar later -hernomen. Antwerpse situaties die nauw aansluiten met het geval van de badinrichting zijn legio. Misschien zijn hun inzichten gegroeid, maar waarschijnlijker is dat naast het rijpere spel pas nu de machinaties van de macht voelbaar worden, nu de recuperatie na Antwerpen’93, in het perspectief van naderende verkiezingen in volle gang is.

Stan speelt dit sterk, o.m. door een goede tekstzegging en een vitale invulling van de rol van de arts Stockmann door Frank Vercruyssen en van de burgemeester door Damiaan de Schrijver, die daarnaast ook nog de rollen speelt van Mor-ten Kiil en Horster. De arts is hier geen mondige gelijkhebber maar een gevoelige humanist met hoogstaande morele principes. Er wordt – zoals gebruikelijk bij Stan – nogal luchtig gespeeld, soms grappig terugschakelend naar de aanwijzingen of het souffleurwerk van toneelmeester Annet Kouwenhoven, die aan een lessenaar opzij van het toneel zit. De acteurs gaan er met een sneltreinvaart doorheen, niet gehinderd door decor of attributen, hun bedoelingen enkel accentuerend met sterke gebaren. Dit is een prachtige voorstelling, die dicht aanleunt bij de komedie, helder gespeeld, die door de afwezigheid van psychologie niet belerend of didactisch en niet als een pamflet overkomt. De voorsteling van het Theater van het Oosten is in dat opzicht klassieker met een dwingende regie. Stan speelt het frisser en minstens zo virtuoos. De wat zure Stockmann bij Stan is geloofwaardiger en sympathieker.

Stanislavski

Jaren bleef dit stuk ongespeeld. In de jaren tachtig, toen de belangstelling voor Ibsens werk weer opbloeide, gold die vooralsnog alleen zijn bekendere werk: Nora, een Poppenhuis en Spoken – stukken die hij in dezelfde periode schreef als Een vijand van het volk, namelijk tijdens zijn verblijf in Rome van 1878 tot 1885 – en Hedda Gabler uit 1890. Ook in de jaren zestig en zeventig, toen uitgesproken theater met kritiek op de burgerlijke maatschappij in trek was, is er in ons taalgebied nauwelijks een spoor van dit stuk – politiek theater pur sang – te vinden. En al helemaal niet in de jaren vijftig, toen Ibsens werk als sterk verouderd werd ervaren en/of zijn keuze voor het individu als totalitair en dus gevaarlijk voor de democratie werd geacht. Critica Jeanne van Schaik-Willing schreef in 1957 in De Groene Amsterdammer zelfs, dat het hele werk van Ibsen onverteerbaar is geworden door de herkenning na de Tweede Wereldoorlog, van het potentieel-fascistische, Germaans-mytische klimaat in dat werk. Gelukkig werd dit stigma op Ibsen snel door de praktijk achterhaald. Zijn bekendste stukken werden spoedig weer overal gespeeld, maar niet Een vijand van het volk. Veel later – in 1982 – vond theatermaker Karst Woudstra -naar aanleiding van zijn eerste regie van Hedda Gabler – Ibsens werk nog altijd elitair, met totalitaire trekjes. “Ibsens kritiek op de burgerlijke maatschappij is het tegenovergestelde van progressief, emanciperend en bevrijdend”, zo noteerde recensent Sternheim Woudstra’s visie in de Haagse Post. “Ibsen idealiseerde onleefbare waarden, gebaseerd op de veilige levenskansen van zijn eigen grote talent. Hij uitte zijn kritiek te veel vanuit de onneembare veste van zijn kunstenaarschap”, aldus de Haagse Post. Zijn betrokkenheid was te weinig op de collectiviteit en te veel op het individu gericht.

Die kritiek is niet nieuw. Al in 1900 bracht Stanislavski het stuk op de planken van het Moskouse Kunsttheater en speelde zelf de rol van Stockmann, zoals hij trouwens ook zelf de rollen speelde van andere klassieke helden zoals Lövborg in Hedda Gabler, luitenant Wersjin in in de Drie Zusters en de arts Astrow in Oom Wanja.

Als kunst de bestaande orde in vraag moet stellen dan is Ibsen hier de kunstenaar en Stanislavski de draaikont, die lang voor de dictatuur van de partij in Moskou was gevestigd, de titel van het stuk veranderde in Dokter Stockmannen diens tekst afzwakte door er ‘De zogenaamde meerderheid heeft nooit gelijk’ en ‘Een vijand van de zogenaamde meerderheid van het volk’ van te maken. Stanislavski maakte desondanks van Stockmann een aangrijpend personage, de theaterkritiek vond hem echter een te zwakke meelijwekkende en ongeloofwaardige figuur, ‘veeleer een Stock-kind dan een Stockmann’. Maar het publiek in de zaal ging in de heftige meetingscène ten huize Horster – tegen het acteurspubliek in -Stockmann steunen. Stanislavski maakte voor het eerst zijn maatschappelijk-politieke lijn met succes zichtbaar. Een jaar later vallen de voorstellingen in Sint-Petersburg samen met onlusten op straat. De grens tussen binnen en buiten vervaagt. Het publiek kiest binnen en buiten partij voor de zwakke. Aan het einde van elke voorstelling bestormt het publiek het podium om Stockmann -door in een kring om hem heen te gaan staan – te beschermen tegen de stenen en de woede van zijn stadsgenoten in het stuk.

Zo’n vaart loopt het vandaag niet meer, maar in beide voorstellingen wekken de Stockmannen grote sympathie op.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#45

15.04.1994

14.07.1994

Eddie Vaes

artikel