Leestijd 3 — 6 minuten

Het geloof in ‘de straat’

Redactioneel Etcetera 164: speelruimte

8 mei 2021. In de steden trekt een begeesterde massa met een brede collectieve glimlach door straten en over pleinen, terwijl een laatste terras nog snel in elkaar wordt getimmerd. Outdoorevenementen mogen weer publiek ontvangen, terrassen mogen opnieuw open, de avondklok wordt afgeschaft. Hier hebben we zo lang op gewacht. Tegelijk blijven de breuklijnen van het coronabeleid zichtbaar, wellicht om nooit meer helemaal te verdwijnen.

23 mei 2021. Terwijl het Kunstenfestivaldesarts zich na maanden van plannen en herplannen nog steeds aan hyperstrenge protocollen moet houden en daardoor een nog selecter publiek bereikt dan gewoonlijk, komen de supporters van Club Brugge met duizenden op straat om de bekeroverwinning te vieren. De politie gedoogt het, want ‘de mensen hebben een uitlaatklep’ nodig. Zo makkelijk zijn wij, de theaterwereld, ‘het braafste jongetje van de klas’ volgens De Groene Amsterdammer, te negeren.

In The Fall of Public Man (1977) wijt socioloog Richard Sennett de teloorgang van het publieke leven aan de tirannie van het persoonlijke, het ‘echte’ en ‘authentieke’. Daardoor worden het belang van een onpersoonlijke politiek die het individu overstijgt, het sociaal decorum, het collectieve ritueel en het esthetische spel structureel onderschat. Deze tirannie wordt volgens Sennett geflankeerd door twee fenomenen: enerzijds de claustrofobie van het gezinsleven – ‘blijf in uw kot’ – en anderzijds een staat waarin alle activiteiten van de burgers worden gemonitord. Het is schrikbarend om te merken hoe dicht we tijdens deze pandemie tegen dat doembeeld van het verschraalde publieke leven hebben aangeschurkt. Op politiek niveau wordt de coronacrisis louter gemanaged als een bedreiging voor de economie en de beschikbaarheid van de ICU-bedden. Geen enkele andere dimensie van het sociale leven kwam aan bod.

Zo snel kan een samenleving schakelen en haar ‘geloof’ in de straat, als een ruimte die het sociale en culturele leven vormgeeft, opschorten. De enigen die de straten en pleinen nog bevolkten, waren zij die gedoemd waren tot dwalen: mensen zonder bezit, dak of papieren. Voor de bewakers van de openbare orde bood de pandemie een ideaal excuus om pleinen en straten ‘schoon te vegen’: van het sluiten van speeltuintjes en terrassen tot het verbieden van betogingen en het ontruimen van parken. Was de publieke ruimte dan zo onbeheersbaar geworden?

Misschien was zich in de jaren voor Covid-19 wel langzaamaan een verschuiving aan het voltrekken. In 2004 schreef filosoof Bart Verschaffel in De mythe van de straat nog: ‘De dominante sociale logica die de relaties van de mensen regelt met wat buiten de privésfeer ligt, en die de sociale regels in het “openbaar gebied” bepaalt, is niet de logica van het samenleven en het overleg, maar die van de consumptie.’ Dat was echter nog voor de Arabische Lente, Occupy Wall Street en Extinction Rebellion. Sindsdien leek het erop dat burgers de politieke dimensie van de straat aan het herontdekken waren. Windowshoppen alleen volstond niet meer. Klimaatprotesten, Gele Hesjes, Black Lives Matter en andere bewegingen kregen de bredere bevolking op de been. In een verbond met de nieuwe publieke sfeer van het internet beloofden de straten het toneel van vrijheidsstrijd, inclusiviteit, politieke verandering te kunnen worden – aan alle zijden van het politieke spectrum.

Ook cultuurhuizen, die als afgescheiden ruimte een zekere autonomie ten opzichte van de straat opeisen, konden (en kunnen) niet anders dan zich over deze ontwikkelingen bezinnen. Hoe doorlaatbaar moeten de wanden van instituten zijn voor de sociale, politieke en culturele bewegingen en manifestaties die op straat plaatsvinden? In de Beursschouwburg stampte Globe Aroma vorig jaar een dagcentrum uit de grond, waar kwetsbare burgers toegang kregen tot internet, een douche, eten en frisse kleren. Ook het collectief Coup des Arts eist al langer dat de kunstensector zijn exclusieve en inherent beschermde ruimtes openstelt als veilige haven voor daklozen en vluchtelingen. Ligt hierin een wezenlijke taak voor de kunstensector, ook post-covid, en hoe verhoudt dat zich in artistieke zin tot het theater als ‘negatieve ruimte1 in de samenleving? Valt het onderscheid tussen theater en de samenleving überhaupt nog te maken, nu het theater zich in de publieke ruimte afspeelt en die ruimte daardoor ook privatiseert?

Tijd en noodzaak om dieper na te denken over deze vragen was er in de afgelopen lockdownfases genoeg. In dit nummer brengen we erg uiteenlopende perspectieven samen, zoals altijd in een associatieve constellatie. Op het snijpunt tussen inclusief en exclusief, sociaal en artistiek, stad en platteland, fysiek en virtueel zoekt deze Etcetera praktijken op die het ‘buitenspelen’ tot politieke en esthetische oefening verheffen.

Tot binnenkort in het theater, of op de drempel?

1Tupivic, J (2015). Het theater als negatieve ruimte. Etcetera 141.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#164

01.06.2021

31.08.2021

De kleine redactie (ed. 164-)

De kleine redactie van Etcetera (ed. 164-) bestaat uit Simon Baetens, Charlotte De Somviele, Sébastien Hendrickx, Ciska Hoet,  Joachim Robbrecht en Esther Tuypens.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!