‘I/O Solo’ – Jean Luc Ducourt / Anja Hitzenberger

Marleen Baeten

Leestijd 5 — 8 minuten

Het gedachtenisgehalte van ruis

Hoe stel je als danser het lijden van de concentratiekampen aanwezig? Marleen Baeten over I/O Solo van Jean Luc Ducourt.

Hoe stel je het lijden van de concentratiekampen aanwezig in een dansvoorstelling, zonder af en aan te zeulen met dekens, te schreeuwen of krampachtige bewegingen te maken? Deze vraag houdt me bezig terwijl ik naar Kortrijk rijd, waar Jean Luc Ducourt bij valavond zijn nieuwe voorstelling I/O Solo in open lucht zal dansen.

Voor de hand liggende theatraliteit moet je van Jean Luc Ducourt niet verwachten. In De Theorie van Rosenfeld (1999), een theatervoorstelling zonder acteurs, stelde hij de mogelijkheid van een theatrale vertolking van Marguerite Duras’ Détruire dit-elle in vraag. Met zijn tekstgetrouwe, computergestuurde stemmeninstallatie zocht – en vond – hij ‘une autre vocale du texte qui peut-être touche miraculeusement un essentiel de celui-ci, dans un à peine-vivant, cette “peine-à-vivre” dans sa beauté, comme aussi toute écriture souffrirait alors déjà, par avance, des lectures potentielles qu’ elle génère’. (Jean Luc Ducourt).

Voor I/O Solo vertrekt hij van L’Espèce Humaine, het relaas van verzetslid Robert Antelme (vriend en enige tijd echtgenoot van Marguerite Duras) over zijn deportatie naar en ervaringen in Buchenwald in 1944. L’Espèce Humaine heb ik nooit gelezen, maar Duras’ indringende beschrijving van het menselijk wrak dat Antelme was na zijn bevrijding uit het concentratiekamp (in La Douleur, 1985) maakt mijn vraag alleen maar prangender: hoe stel je als danser het lijden van de concentratiekampen aanwezig? Voor Jean Luc Ducourt, die na meer dan tien jaar podiumervaring het dansen gedurende een tiental jaar voor bekeken hield, is deze ‘audio-dance’-voorstelling ongetwijfeld ook een onderzoek naar de mogelijkheden van het medium dans.

Het dansvlak bestaat uit een groot, vierkantig, grijs plastic zeil op het grasveld bij de Tacktoren. Op ooghoogte wordt het omzoomd met een meterbrede strook groen gaas, bevestigd aan vier eenvoudige stalen hoekconstructies. De krachtige, geelkleurige belichting boven het dansvlak en Ducourts oranje overall beletten dat het groene gaas zijn dansende lichaam onttrekt aan de ogen van de rondwandelende toeschouwers. Toch hebben zijn bewegingen, mede door de naar binnen gerichte concentratie, meer weg van een opwarming of een zoekend repetitieproces dan van een voorstelling. De toeschouwers lijken toevallige passanten bij een avondlijk oefenpartijtje tennis op het plaatselijke sportveld, maar de klankinstallatie maakt deze verwarring onmogelijk. Uit acht microfoons rond het dansvlak weerklinkt een kakofonie aan geluiden: de tot substantievenlitanie gereduceerde tekst van Antelme, uitgesproken door een vrouwenstem, metaalachtige geluiden (machines, motoren, een poort die opendraait of in het slot valt,…), blatende schapen, de versterkte ruis van de bewegende kleren van Ducourt. De miezelregen voorziet de vergezochte enscenering van een extra toets troosteloosheid. Hoewel ook het dansvlak zich onder de blote hemel bevindt, voel ik me zowel letterlijk als figuurlijk in de kou gezet door deze voor zichzelf dansende man binnen zijn beschermende omheining. Ik zou de tekst willen horen in plaats van deze nietszeggende woorden en voor de hand liggende geluiden.

Maar dan gaan de theaterspots boven het dansvlak uit en rest alleen het koude witte licht dat van de schijnwerper boven op de Tacktoren naar beneden valt. Jean Luc Ducourt plooit het plastic zeil dat hem tot dansvloer diende op en ruilt de oranje overall voor een zwarte bermuda en dito T-shirt, met op de rug ducourt in duidelijke witte letters. Zijn blote voeten steekt hij in een paar zware bottines en hij zet zich weer in beweging. De bewegingen liggen in de lijn van die van daarnet, maar zijn wat repetitiever en tegelijk ongerichter, alsof hij tegen zijn zin en dodelijk vermoeid moet blijven dansen. Nu en dan glijdt hij uit op de natte kale plekken in het gras. Daarnet was de ruimte binnen de omheining nog helder en egaal verlicht; nu wordt de danser gedeeltelijk aan het oog onttrokken door het omheiningsgaas en de lange schaduwen die bomen en toeschouwers voor zich uit werpen. De omkering treft me als een slag in het gezicht. Ik doe geen enkele moeite meer om de zelfstandige naamwoorden die de luidsprekers uitbraken te verstaan. Het volstaat te weten dat de tekst een betekenis heeft, zonder dat ik die nog verder hoef te volgen. De stem is nu belangrijker dan de tekst. Ze maakt de monotone gedachtenis-ruis waartoe de tekst gereduceerd werd onontkoombaar. De ruis die de bewegingen en ademhaling van de zwoegende danser door de microfoons stuwen, kenmerkt zich door onregelmatige uithalen. Het grijze, onuitgelichte beeld ademt de sfeer van een clandestien opgenomen filmdocument. Het geheel incarneert zowel de nietsontziende uitroeiingsmachine als de menselijke overlevingsdrang.

Weer eens een kwartier later gaat de ontmanteling van het beeld nog een stap verder. Jean Luc Ducourt rolt het omheiningsgaas op en plaatst de vier microfoons van de hoekpunten van het dansvlak een heel eind verder weg, zodat ze samen met de andere vier microfoons op het grasveld een wijde cirkel vormen. In het midden verwijzen alleen nog de vier stalen hoekprofielen naar wat eens het dansvlak was. Ducourt kleedt zich volledig uit, scheurt een groot stuk aluminiumfolie van een rol, pakt er snel zijn hoofd mee in en legt zich half op zijn buik, half op zijn zij op de kale plek in het gras. Ongeveer een kwartier blijft hij zo goed als roerloos liggen. De enkele keren dat hij zich verroert, scheurt het versterkte geluid van zijn beweging door de microfoons, waaruit de woordenlitanie en allerlei geluiden (waaronder nu ook vioolflarden) onophoudelijk blijven weerklinken. Als een achteloos achtergelaten, naamloos lijk ligt hij op deze oningevulde plek in de stad; een plek zoals er zovele zijn: wat gras, wat bomen, omsloten door allerlei soorten bouwsels, in dit geval woonappartementen, oude stallingen en het kunstenaarshuis Tacktoren. Allerlei vragen gaan door mijn hoofd. Wat doe ik op deze plek? Waarom ga ik naar een voorstelling met een concentratiekampervaring als uitgangspunt? Wat verwacht ik van een dansvoorstelling? Wat is kijken? Wat is dansen? Zijn het allebei vormen van herinneren, van gedenken, van hopen misschien ook? Hoe geef je betekenis aan een huiveringwekkend verleden dat je niet zelf beleefd hebt? Hoe vluchtig mag of moet een gedenkteken zijn? Is een medium met een permanent karakter (een tekst, een voorwerp, een gebouw, een monument) echt sterker dan een levend, maar vluchtig medium (een lichaam, een stem, een voorstelling)? Of moeten ze juist samengaan om te voorkomen dat het verleden gedood of gebanaliseerd wordt? Wat is er nodig opdat een landschap, een ruimte een levende gedenkruimte zou worden? Ik zou het mooi vinden indien de vier stalen hoekprofielen op dit grasveld mochten blijven staan als herinnering aan deze voorstelling, maar anderzijds zal ik hier ook zonder materiële herinnering niet meer kunnen komen zonder aan I/O Solo te denken.

Mijn gedachten dwalen af naar een maquette van Daniël Libeskind, die ik enkele jaren geleden zag op een tentoonstelling die het Nederlands Architectuur Instituut(Rotterdam) wijdde aan deze Pools-Amerikaanse (en joodse) architect. Het betrof een voorstel voor een architectuurwedstrijd in 1993 die de reconversie van het eerste Duitse concentratiekamp (1933) en later vernietigingskamp Sachsenhausen (Oraniënburg) tot onderwerp had. Libeskind stelde voor om een deel van het kamp uit te graven, de fundamenten bloot te leggen, het vervolgens onder water te laten lopen en er enkele doodlopende loopbruggen over te bouwen. De uitgegraven grond zou gebruikt worden om het andere deel van het kamp mee te bedelven. Dwars op dit begraven kampdeel plande hij een lang gebouw met woon- en andere functies, dat de naam Hope Incision zou dragen. In zijn toelichting bij het project schreef hij dat hij deze beladen site, vroeger The Ideal City of Dead, niet wilde trivialiseren door ze in een museumfunctie te temmen of er ‘gewoon’ huizen op te zetten. Zijn verlangen om het gedenken van het verleden een plaats te geven in een toekomstgericht leven, vertaalde hij ook in de titel van het project: MOURNING, met doorkruiste U. Libeskind haalde de tweede prijs; zijn voorstel werd dus niet gerealiseerd.

Intussen is Jean Luc Ducourt rechtgestaan en naar de aanpalende stallingen gegaan. Daar neemt hij in een grijze werkoverall plaats achter de geluidsturende computer. Hij zingt onverstaanbare, vreemde woorden. Ook de klanken zijn zo vreemd dat de betekenis niet te achterhalen is. Het diepmenselijke janken en grommen blijkt een Japans lied te zijn uit de film Ikiru(Living, Vivre, 1952) van Akira Kurosawa. Ik hoor dat Fumyo Ikeda de tekst vertaalde voor Jean Luc Ducourt, maar wanneer ik hem ernaar vraag zegt hij dat het geen belang heeft. ‘Ce qui m’importe c’est de le chanter et la translation vocale de ce que l’on ne comprend pas en “son”, en phonétique, en phonèmes de voix “humaine” et qui a pourtant une signification.’

I/O Solo is een coproductie van Kunstencentrum Limelight, Dans in Kortrijk en Szene Salzburg.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#73

15.10.2000

14.01.2001

Marleen Baeten

Marleen Baeten is lesgever in Open School Leuven en freelancer in de kunstensector.

recensie