Rainer Maria Rilke

Leestijd 2 — 5 minuten

Het Dagboek van Malte Laurids Brigge

Men zal moeite hebben, mij ervan te overtuigen, dat de geschiedenis van de Verloren Zoon niet de legende is van hem, die niet bemind wilde worden. Toen hij nog een kind was, hielden allen in huis van hem. Hij werd groter en gewende aan de weke liefde van hun hart, omdat hij een kind was.

Maar als knaap wilde hij zijn aanwensels kwijtraken. Hij zou het niet hebben kunnen zeggen, maar als hij buiten ronddwaalde de gehele dag en zelfs de honden niet meer mee wilde hebben, dan was dat, omdat ook zij van hem hielden; omdat in hun blikken aandacht was en deelneming, verwachting en bezorgdheid; omdat men ook volgens hen niets kon doen, zonder blij te maken of te kwetsen. Wat hij echter toenmaals bedoelde, dat was de innige onverschilligheid van zijn hart, die hem soms vroeg, in de velden, met zulk een zuiverheid aangreep, dat hij hard begon te lopen, om tijd noch adem te hebben, om niet meer te zijn dan een licht ogenblik, waarin de morgen tot bewustzijn komt.

Het geheim van nog nooit geleefd te hebben breidde zich voor hem uit. Onwillekeurig verliet hij het voetpad en liep verder het veld in met uitgestrekte armen, alsof hij in deze breedte verscheidene richtingen tezamen kon bemachtigen. En dan wierp hij zich ergens achter een heg neer en niemand sloeg acht op hem.(…) Alleen ellendig, dat je dan terug moest naar huis.(…) Allen zullen in de huiskamer zijn en de deur hoeft maar open te gaan, of zij kijken in zijn richting. Hij blijft in het donker, hij wil wachten tot zij vragen. Maar dan komt het ergste. Zij grijpen hem bij zijn handen, zij trekken hem mee naar de tafel, en allen, zoveel zijn er, buigen zich nieuwsgierig voorover naar de lamp.(…) Zal hij blijven en het stumperige leven naliegen, dat zij hem toeschrijven, en op hen allen gaan gelijken met zijn hele gezicht? (…)

Neen, hij zal weggaan. Bijvoorbeeld, terwijl zij allen bezig zijn voor hem de verjaardagstafel in gereedheid te brengen met de verkeerde dingen, die alles weer eens goed moeten maken. Weggaan voor altijd. Veel later zal het hem duidelijk worden, hoe stellig hij zich indertijd had voorgenomen, nooit lief te hebben, om niemand in de verschrikkelijke omstandigheid te brengen, bemind te worden. Jaren later herinnert hij het zich en, evenals andere voornemens, is ook dit onmogelijk te verwezenlijken geweest. Want hij heeft liefgehad en nog eens liefgehad in zijn eenzaamheid; telkenmale met verspilling van zijn gehele natuur, en onder ontzettende angst voor de vrijheid van de ander. Langzaam heeft hij het geleerd, het voorwerp van zijn liefde met de stralen van zijn gevoel te doorlichten, in plaats van het daarin te vernietigen. En hij was verwend door de verrukking, die hem, door de altijd doorschijnender gestalte der liefde heen, de ruimten liet gewaarworden, die zij voor zijn eindeloze bezitslust openlegde.(…)

Eerst in zijn herdersjaren kwam zijn ontelbaar verleden tot rust. (…) Dat was de tijd dat hij zich onpersoonlijk en anoniem begon te voelen als een aarzelend herstellende. Hij hield van niemand en niets, behalve dat hij ervan hield, te zijn.

uit: Het Dagboek van Malte Laurids Brigge van Rainer Maria Rilke, 1910.

essay
Leestijd 2 — 5 minuten

Rainer Maria Rilke

essay