Textielworkshop van Knitting Club tijdens het Zomerkaffee in de Vrijstraat O

Evelyne Coussens

Leestijd 12 — 15 minuten

Het buzzt rond de coop

Eendracht maakt macht: het is de Belgische wapenspreuk, maar vandaag, in tijden van crisis, lijkt het een nieuw mantra. Terwijl de overheid zich terugtrekt en een agressieve markt de mens enkel nog gedoogt als consument, herrijst in verschillende maatschappelijke sectoren een bedrijfsmodel dat dat ‘samen sterk’ honoreert: de cooperatieve vennootschap (cvba). Inhoudelijk lijken de premissen van het model – samenwerking, solidariteit, medezeggenschap – op maat gesneden van de waarden die de cultuursector graag uitdraagt. In praktijk blijken tussen droom en daad heel wat bezwaren. Is de coop een werkbaar model voor de cultuur-, meer bepaald de kunstensector, vraagt Evelyne Coussens zich af.

Toen Ban-Ki Moon in 2012 de coöperatieve vennootschap uitriep tot ‘model van het jaar’, definieerde hij de coop nadrukkelijk als een bedrijfsmodel met een sociale dimensie. Een model waarbij de mens achter de cijfers zichtbaar blijft, waarin de economie niet ten dienste staat van zichzelf maar van het ‘goede leven’ 1. Dat hoeft nochtans niet zo te zijn. Voor dat ‘sociaal oogmerk’ kan bij oprichting expliciet gekozen warden. Dat de coöperatie vaak wel die sociale dimensie heeft, heeft te maken met de historische voorbeelden uit de negentiende eeuw uit socialistische en anar­chistische hoek, maar in wezen is een coop simpelweg een onderneming die opgericht wordt om te voorzien in de gemeenschappe­lijke behoeften van zijn vennoten. De risico’s, kapitaalinvesteringen en verantwoordelijk­ heden warden op grate schaal gedeeld, het­ zelfde moet gebeuren met de winst. Belgie telt meer dan 26.000n coöperaties 2 de grootste cvba’s situeren zich in land- en tuinbouw, banken en spaarkassen en farmaceutica.

Waarom nu?

Het buzzt rand de coop. Cynici zouden zeggen dat de remonte ‘van moeten’ is. Sinds de Tweede Wereldoorlogwas het enthousiasme rand het coöperatieve gedachtengoed gaandeweg af­ gekalfd, door een samenspel van toenemend individualisme en consumentisme, gestegen welvaart en de ontwikkeling van de verzor­gingsstaat.3 Waarom een model van gedeelde winst en onderlinge inspraak aanhouden in een bestel waarin alles voor elk individu afzonder­lijk in overvloed is? Intussen zijn de tijden ver­anderd. De kapitalistische bubbel heeft in het nieuwe millennium  een flinke deuk gekregen, de verzorgingsstaat van de jaren zestig wordt overal in Europa afgebouwd. Sommige buur­landen liggen daarin een neuslengte voor op Vlaanderen. Voor de Britse premier James Cameron is de Big Society het toverwoord: in Groot-Brittannië werden het afgelopen decen­nium honderden community enterprises opgericht. In Nederland heet dat ‘actief verantwoordelijk burgerschap’ of ‘burgerkracht’. Het oogmerk is hetzelfde: de burger moet zelf verantwoordelijk­heid opnemen voor zijn omgeving.

Het enthousiasme voor een bedrijfsmodel dat steunt op gedeelde verantwoordelijkheid en medezeggenschap lijkt dus van twee kanten te komen. Van onderop is de coop een imago­ vriendelijker alternatief voor het harde kapita­lisme, want ‘solidair’, ‘duurzaam’ of ‘waarden­vol’ ondernemen klinkt sinds de bankencrisis zoveel sympathieker dan ‘winst maken’. Recent nog verscheen het boek ‘Coöperaties. Hoe heroveren we de economie?’ van Dirk Barrez, waarin de auteur inderdaad een lans breekt voor de coop als alternatief voor het financieel kapitalisme. 4 Top-down stimuleert het beleid zelfredzaamheid en zelforganisatieals belang­rijke gemeenschapswaarden, en de coop lijkt daar de bedrijfsmatige vertaling van. Dat die zelfredzame burger de overheid meteen ook helpt te besparen, is mooi meegenomen.

Hoe zit het met de mogelijkheden van het model in de ‘zachtere’ sectoren, zoals de cultuur- of kunstensector? Het is een vraag die ook het beleid zich in toenemende mate stelt. Het Vlaams Subsidieagentschap Werk en Sociale Economie voorziet jaarlijks een aantal momenten voor het indienen van een dossier voor het opstarten van een cvba. Opvallend is dat de oproep van Werk en Sociale Economie verscheen op cjsm.be, de website van de administratie Cultuur, met de uitdrukkelijke vraag aan de cultuursector om de coöperatie te onderzoeken als werkmodel. Is de oproep te lezen in het kader van de verschuiving in het nieuwe Kunstendecreet richting een grater ‘ondernemerschap’? De vzw-structuur waarin quasi alle spelers uit het kunstenveld zich heb­ ben georganiseerd zit dat ondernemerschap namelijk lelijk in de weg: een vzw mag enkel bijkomstige handelsactiviteiten stellen en kan geen vermogen opbouwen ten voordele van haar leden. Een vennootschap kan dat wel. Puur symbolisch zou de verschuiving van vzw naar cvba van de kunstenaars dus betere on­dernemers maken. Goed nieuws voor de over­heid, die behoefte heeft aan een meer zelfred­zame sector met meer eigen inkomsten. Maar komt een coop ook tegemoet aan de behoeften van de Vlaamse kunstenorganisaties?

Cultuursector

In juni 2012 werd een onderzoek afgerond naar geschikte juridische structuren in de beeldende kunst- en muzieksector, geïnitieerd door CERA, het Muziekcentrum en BAM. In het onderzoek werden de beschikbare constructies met hun respectieve voor- en nadelen opgelijst.5 In een ander CERA-onderzoek rand de ontginning van de marktniche ‘Kunst en Cultuur’ klinkt de lijst troeven van coöperatief ondernemen aanlokkelijk. 6 Samengevat komt het er op neer dat de ‘samen sterk’-positie een culturele coop schaalvoordelen biedt op elk niveau, gaande van materiaal dat samen kan aangekocht warden over het delen van over­head tot het innemen van een sterkere onder­ handelingspositie bij prijszettingen en derge­lijke. Klinkt goed, maar ergens moet er tussen de theorie en de toepassing in de praktijk een kink in de kabel zitten. Want wie inzoomt op de Vlaamse kunstenorganisaties en binnen het (gesubsidieerde) veld op zoek gaat naar voor­beelden van coöperatief ondernemen, komt thuis met vrijwel lege handen. Een handvol werkende cvba’s van erg disparate aard en een handvol moedige pogingen, meer is het niet. Het is een eerste, niet onbelangrijke vaststel­ling: tussen het aanlokkelijke imago van de coöperatieve en de concrete implementatie ervan is het water klaarblijkelijk erg diep.

Praktijkvoorbeelden uit de kunstensector

Wat valt er wel te sprokkelen? De Waalse Krook, die in Gent de ‘bibliotheek van de toekomst’ realiseert, is een recent opgerichte cvba waarin een  paar grate aandeelhouders (de lokale overheden) zich verzameld hebben. In de muzieksector, met een grate grijze zone tussen gesubsidieerd en niet-gesubsidieerd aanbod, is de grootste speler SABAM, de Belgische Vereniging van Auteurs, Componis­ten en Uitgevers, die de auteursrechten van haar coöperanten beschermt. Het zijn twee grote, in het oog springende coops die evenwel niet helemaal passen in het rijtje reguliere spelers onder het Kunstendecreet.

Interessant zijn vooral de experimenten waaraan enkele organisaties onder dat Kun­stendecreet zich de voorbije  jaren  waagden. In Oostende droomde men van een Cultuur­coöperatie die gedragen zou zijn door lokale creatives. Het Oostendse kunstencentrum Vrijstaat O was aanvuurder  van wat in 2010 ‘Het kunstencentrum van de toekomst als cultuurcoöperatie – pilootproject Vrijstaat O’ werd gedoopt. Gemeenschappelijk doel was een ‘cultureel volkshuis’ dat het draagvlak voor cultuur in Oostende zou verbreden door de ruimte op de Oostendse  zeedijk optimaal te benutten. Lokale creatives zouden in die ruimte activiteiten organiseren waarvan de winst zou terugvloeien naar de coöperatie. Artistiek leider Hendrik Tratsaert sprak de ambitie uit dat het model bottom-up gefinan­cierd zou kunnen warden en zeltbedruipend zou zijn. Vergeefs: in 2012 bleek dat het busi­nessplan niet leefbaar was. De winstgevende activiteiten konden het gat niet dichten dat de niet-winstgevende activiteiten achterlieten. De combinatie van een zakelijk en inhoudelijk sterk programma, onafhankelijk van externe subsidiëring, bleek te veel gevraagd voor een kleinschalige vzw als Vrijstaat 0- die de struc­turele kapitaaltekorten dreigde te moeten bijpassen of gedwongen overschakelen naar louter winstgevende culturele initiatieven. Precies de meer kwetsbare initiatieven lever­den weinig financiele return, een indirect be­wijs van de noodzaak aan subsidies bij het gros van de kunst- en cultuurproductie. Tratsaert geeft in Courant aan dat coöperatief onderne­men met culturele producten een zoektocht blijft: ‘In het geval van Vrijstaat O wijst het huidige business plan van  de cultuurcoöpera­tie erop dat een parallelle autonome coöperatie die 100 procent self-supporting is voor onze kleine vzw niet realistisch is.  [… ] We achten gemengde modellen zeker denkbaar, met toch een mate van recurrente financiele participa­tie, opgehangen aan een grote (gesubsidieerde) structuur.’ 7

Is kunstencentrum Vooruit groot genoeg? Te groot misschien, aldus directeur Stefaan De Ruyck. Het project SuperCoop, een ‘coöperatief leerplatform’ rond transitieprojecten in de stad, is voorlopig nog steeds ingebed in de veilige vzw-moederschoot. ‘En daar stellen we ons soms vragen bij’ 8, zegt De Ruyck. De belangrijkste vraag luidt of kleinschalige pro­jecten rand levenslang leren, stadslandbouw en kinderopvang kunnen gerealiseerd worden binnen een model van inspraak en gelijkwaar­digheid waarin de ‘graote’ Vooruit samenwerkt met ‘kleine’ coöperanten. Vooruit is een grote machine met mogelijks andere wetmatigheden dan de andere partners binnen het project. Om zo’n model werkbaar te maken moeten dus zeer goede afspraken gemaakt warden.

Voormalig directeur Luc Dewaele was de oor­spronkelijke architect van de SuperCoop, maar na zijn vertrek bij Vooruit lijkt het project een doorstart nodig te hebben. De beslissing om het transitieplatform onder te brengen in een cvba is nakende, maar nog niet definitief. Over het aantal mogelijke coöperanten en de graad van hun engagement is voorlopig nog niets beslist. De goesting is er nog steeds. Het ont­werp van dossier zegt het zo: ‘We willen [… ] op kruissnelheid, subsidie niet zien als basis voor dit platform. Een eigen financiering garandeert de vrijheid om zelf een koers te bepalen, los van strategische keuzes vanuit overheid of politiek, in functie van wat de coöperanten zelf drin­gend, noodzakelijk en haalbaar zien.’9 Voelt Vooruit een politieke verschuiving hangen in socialistisch Gent?

Praktische problemen

De voorzichtige experimenten leggen eerst en vooral een aantal problemen bloot van zake­lijke aard. Ter herinnering: een coop is in de eerste plaats een bedrijfsmodel,gericht op het realiseren van een gemeenschappelijk doel via een activiteit die economisch rendabel moet zijn. Ziedaar de meest voor de hand liggende verklaring voor de weinige praktijkvoorbeel­ den. Gebrek aan bedrijfsmatige kennis en ervaring bij de kunstenorganisaties blijft een groot struikelblok. Welk kapitaal is nodig om een onderneming te starten? Hoe gene­reer je een terugverdieneffect? Hoe zet je een product concurrentieel in de markt? Weinig kunstenorganisaties weten hoe ze een sluitend businessmodel moeten opstellen. ‘Bij veel kunstenpraktijken ontbreekt een duidelijk financieel groeipad’, luidt dat in Creativiteit zkt structuur voorzichtig. 10

Daarnaast speelt een onvoldoende ver­trouwdheid met het coöperatieve model. De cvba is een complexe juridische structuur, flexibel en rijk aan mogelijkheden maar relatief onbekend in de kunstensector. Het vastleggen van de organisatiestructuur, de inspraak van de aandeelhouders, de finan­ciële inbreng van deze vennoten… Het vergt allemaal doordacht denkwerk waarbij het gemeenschappelijke doel en de return kraak­helder moeten geformuleerd warden. Vaag­heid lijkt de beste garantie op mislukking. Tratsaert: ‘Het business plan en de statuten moeten goed zitten, de grenzen van inspraak vastgelegd, de communicatie transparant. De return moet niet steeds financieel zijn, maar wel concreet.’

Het model groeit het liefst organisch van onderuit, dat is de aard van het beestje, maar schaal is ook een valkuil. Veel coöperatieven starten als een kleinschalig initiatief. Hoe hou je het inspraakmodel echter beheersbaar wan­neer de coop groeit? SABAM is wat dat betreft een negatief voorbeeld: de strubbelingen van de laatste jaren bij de coöperatieve bewijzen hoezeer het gebrek aan transparantie en bottom­ up-filosofie de geloofwaardigheid van een coöperatieve organisatie kan schaden.

Tenslotte wordt te vaak vergeten dat het aangeboden product breed verkoopbaar moet zijn – een podiumorganisatie die hermetische voorstellingen maakt voor een nichepubliek zal het lastig hebben om voldoende coöperan­ ten te vinden. ‘Kunst heeft zeker een bepaald marktpotentieel’, aldus Stefaan De Ruyck, ‘in die zin dat mensen meestal bereid zijn ervoor te betalen. De vraag is alleen of ze er voldoende voor willen betalen.’ In het geval van Vrijstaat 0 trad bijvoorbeeld een marktfalen op omdat het aangeboden product niet economisch rendabel was. In het geval van kunst wil de markt zelden de prijs betalen die nodig is voor productie, want de consument is gewend aan lage prijzen – met dank aan het uitstekende Vlaamse subsidiesysteem. Een coop die buiten het gesubsidieerde veld een cultured product aanbiedt dreigt met andere woorden te worden weggeconcurreerd door gesubsidieerde organisaties. Bovendien speelt het kleine taalgebied en dus beperkte afzetgebied in bepaalde sectoren (denk aan het teksttheater) parten. Vooral in de opstartfase van een cultu­rele coöperatie, waarbij de return nog onzeker is, lijkt een financiële injectie van de overheid onontbeerlijk.

Filosofische problemen

Maar er staat meer in de weg dan zakelijke be­zwaren. De cruciale vraag is wat de behoeften van de kunstenorganisaties zelf zijn, en of een coöperatief model op een inhoudelijk niveau wel tegemoet komt aan die behoeften. Want het delen of samen beheren van infrastructuur of logistiek is een ding, het delen van een artistieke praktijk is iets anders. Hoezo, gebeurt dat dan niet spontaan in de kunstensector?

Neen. Natuurlijk speelt samenwerking een rol op creatieniveau, zeker in bepaalde deel­ sectoren als de  podiumkunsten, bij  uitstek een ‘gedeelde’ praktijk. De theatercollectieven van de jaren tachtig en negentig maakten van die gedeelde verantwoordelijkheid zelfs een artistiek (en politiek) statement. Maar bij het onderzoek naar de toepasbaarheid van het coöperatieve model gaat het om een bedrijfs­matig en juridisch ‘vastleggen’ van dat delen, niet op creatieniveau, maar op niveau van de organisatie. Dat klinkt al heel wat minder sexy. En op dat niveau moet misschien ook wel eens een mythe doorprikt over de samenhang van de kunstensector. Want het ‘wij’-discours dat ze vaak voert strookt niet altijd met de realiteit. Ook de kunstensector onttrekt zich niet aan de conjuncturele golven die een maatschappij heen- en weer slingeren tussen individualisme en gemeenschapsdenken. De individualiseringstendens uit de laatste decennia van de twintigste eeuw – die nauw sa­menhangt met de bloei van het kapitalisme – heeft ook kunstenaars en kunstenorganisaties sterk beïnvloed. De institutionalisering van de sector in die jaren maakt dat overduidelijk. De jaren tachtig en negentig van vorige eeuw waren de jaren van professionalisering: ieder gehucht kreeg zijn eigen cultured centrum, iedere kunstenaar zijn eigen structuur, iedere sector zijn eigen koepel – het kon niet op. De meeste kunstenaars of kunstenorganisaties richtten een eigen vzw op – een eenvoudige en behapbare juridische structuur die van boven­uit geleid kan worden en waarmee makkelijk subsidies kunnen aangevraagd worden. Voor de meeste kunstenaars is zo’n eigen structuur, een eigen ‘huis’ nog steeds het summum. Het leidt tot de weinig verheffende gedachte dat, in een periode van voorspoed, de aard van het menselijke beestje hem wegdrijft van de ander, richting eigen ‘ik’ en autonome besluit­vorming. Eigen praktijk eerst.

Die periode van voorspoed is overduide­lijk voorbij en er waait er zoals gezegd een maatschappelijke en beleidsmatige wind die ook de kunstenorganisaties, goedschiks of kwaadschiks, voortstuwt in de richting van een nieuw gemeenschappelijk denken. Tot op welk niveau is een kunstenorganisatie bereid om daarin mee te gaan? Het uitgangspunt van een coop is de wens dat er een grote inspraak, betrokkenheid en verantwoordelijkheid zou zijn van alle vennoten. Maar wil een kunste­naar zijn praktijk eigenlijk wel delen met een groep ‘coöperanten’?

Verschillende initiatieven bogen zich de laatste jaren over die vraag. Het Mestizo Arts Festival (MAF) voer in 2012 onder de vlag Das Kapital en dacht na over het specifieke basis­ kapitaal waarover een kunstenveld beschikt: de samenwerking tussen kunstenaars. Net het loslaten van die zo gekoesterde en verankerde artistieke autonomie, aldus artistiek leider Gerardo Salinas, kan een meerwaarde zijn.

Salinas: ‘Een van de belangrijkste aspecten van een coöperatieve werking is het wegvallen van de ongebreidelde vrijheid van de kunste­naar. De artiest moet zijn mede-coöperanten overtuigen. Zij maken immers deel uit van de dialoog die leidt tot de uiteindelijke productie. [… ] Dat is de echte uitdaging voor het veld: leren delen.” 1 Het Brusselse kunstenfestival Batard testte het coöperatieve gedachtegoed in 2013, met de inbreng van zijn jonge kunste­naars als ‘kapitaal’ en ‘het opzetten van een goed festival’ als gemeenschappelijk oogmerk. Gedurende een maand, tussen midden augus­tus en midden september, werkten de negen geselecteerde jonge kunstenaars intensief samen. Er werd gesproken over en gemorreld aan de grenzen van artistiek auteurschap, overigens zonder zwaarwegende implicaties.

Wie zich concreet een artistieke coöpera­tieve tracht in te beelden, stoot eenvoudigweg op de aard van het menselijke/artistieke beest­je. De coop staat of valt met de solidariteit van iedereen, maar wat als projecten van de ene vennoot steevast een succes zijn, terwijl de ander keer op keer faalt? Hoe lang willen de ‘winnaars’ opdraaien voor de ‘verliezers’? Dat is, naast een economische kwestie, vooral een kwestie van gevoelseconomie. Regisseur Lucas De Man die met zijn Stichting Nieuwe Heiden een breed kunstenaarsplatform leidt, spreekt in dat verband over een samenspel van ‘kwets­ baarheid en ego’. De Man: ‘Kwetsbaarheid van het project betekent dat  het zich openstelt voor inbreng, kritiek en  medezeggenschap van iedereen. Ego betekent dat ook iedereen zijn eigen inbreng en gewicht gevalideerd wil zien – ik hoor erbij, ik krijg iets terug.’ De balans tussen geven en ontvangen is voor alle artistieke vennoten een must. De Man zegt het cru: ‘De mensen zijn maar zo trouw als hun eigen belangen.’

Naar een nieuw  financieringsmodel?

Het besluit lijkt op dit moment simpel: de realiteit heeft altijd gelijk. Het coöperatieve model is vandaag nog nauwelijks geïmple­menteerd in de Vlaamse kunstensector omdat de vzw-structuur nog steeds het best beant­ woordt aan de behoeften van die sector. Er mag er dan wel een nieuwe vibe heersen rond samenwerking, zakelijk noch mentaal is de sector klaar voor het vertalen van die buzz in een nieuwe juridische structuur: het ‘leren delen’ van een artistieke praktijk op organi­satorisch niveau is nog niet voor morgen. Een gemengde financiering, waarbij coöperatieve praktijken zich ontwikkelen in de schoot van een gesubsidieerde organisatie, lijkt het hoogst haalbare.

De vraag is hoe lang de behoeften van de sector nog voorop zullen staan. Want de overheid heeft zo ook haar behoeften. Het voorbeeld van boven de moerdijk, waar een verschuivend discours rand ondernemerschap en eigen inkomsten de aankondiging was voor een drastische besparingsronde, geeft te denken. In Vlaanderen blijft het nieuwe Kun­stendecreet gematigd in zijn bedrijfsmatige push: ondernemerschap is een troef, geen eis. Nog niet.

Gelukkig maar. Want zelfs indien de zake­lijke en mentale obstakels bij de kunstenaars zouden weggewerkt zijn, blijft de vraag of een bedrijfslogica –  onder eender welke vorm – wel toepasbaar is op het trage en symbolische product dat kunst is. De Vlaamse consument zal voor dat (soms onstoffelijke) ‘product’ nooit de reële productieprijs willen betalen. En er zullen naast de populaire ‘producten’ altijd minder populaire, meer hermetische, moeilijk verkoopbare ‘producten’ zijn. Daar kan ook de coöperatieve niet aan verhelpen. De idee dat de coop als zelfstandig financieringsmodel kunstsubsidies overbodig kan maken is dus vandaag, laat dat duidelijk zijn, absoluut niet aan de orde.

Noten

1 Het redactioneel ‘De economie is van ons’ uit rekto:verso 53 (september-oktober 2012, dossier ‘De crisis voorbij’) wijst erop dat economie altijd een kwestie is geweest van verhalen rond het ‘goede leven”.

2 Van Opstal, Wim, CoOperaties in Belgie. Profielschets 2005-2010, Leuven: CESOC-KHLeuven & Coopburo, 2012.

3 Onder meer in: Defoort, Hendrik, ‘Werklieden, Bemint uw profijt!’: de Belgische sociaaldemocratie in Europa, Lannoo, 2006

4 Barrez, Dirk, Hoe heroveren we de economie?, PALA.be, 2014

5 De Voldere , Isabelle & POMA, Babila, ‘Creativiteitzkt structuur: onderzoek naar geschikte organisatie­ structuren in de beeldende kunst- en muzieksector” (managementsummary), Brussel, juni 2012

6 Jacobs, Lieve, et al., ‘Ontginning van nieuwe markt­ niches: marktniche Kunst en Cultuur’, 2012, 24-29.

7 Hendrik Tratsaert van Vrijstaat O. in: COURANT 105 ‘Toegevoegde waarde’, mei-juli 2013, p. 22

8 Stefaan De Ruyck in een een interview. Alle volgende citaten zonder expliciete voetnootvermelding (Tratsaert, De Ruyck, De Man) zijn het resultaat van een (telefonisch) interview met de spreker, in het kader van dit artikel.

9 ‘Kleine Revolutie, een coöperatief leerplatform voor een veerkrachtige stad’, blauwdruk voor een onderzoeks­ traject “SuperCoop” van Kunstencentrum Vooruit in het kader van een projectovereenkomst met het Europees Sociaal Fonds, oproep 235 – Coöperatief Ondernemen, december 2013

10 De Voldere, Isabelle &POMA, Babila, ‘Creativiteit zkt structuur: onderzoek naar geschikte organisatie­ structuren in de beeldende kunst- en muzieksector’ (managementsummary), Brussel, juni 2012, p. 4

11 Salinas, Gerardo, ‘Coöperatie: een levenswijze’, in: rekto:verso nr. 53, september-oktober 2012, via www.rektoverso.be.

essay
Leestijd 12 — 15 minuten

#137

15.06.2014

14.09.2014

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

essay