Bernard Dort

Leestijd 7 — 10 minuten

Het boek in het theater

Ik heb een bepaalde hebbelijkheid: ik hou ervan naar het theater te komen met de tekst van het stuk in de hand. Jazeker, om er een blik in te werpen voor de voorstelling begint: in de metro of, eens in de zaal, geïnstalleerd in mijn zitje, op een bank of op een plank die meer weg heeft van een hoenderrek dan van een zitmeubel… Kwestie van te weten wat me te wachten staat, of me (diagonaal) een werk te herinneren dat ik maar al te goed denk te kennen! Maar ik breng hem ook mee om hem te kunnen inbladeren tijdens de voorstelling, indien de zaalverlichting of de weerschijn van het scènelicht me dat toestaat. Gaat het hier slechts om een onschuldige persoonlijke hebbelijkheid, of kan ik het een gebruik van de toeschouwer noemen – in ieder geval een gebruik van een toeschouwer?

Het is een feit dat ik, waar ik ook ga, ervoor zorg dat ik een boek of een krant bij de hand heb. Anders mis ik iets. Anders zou ik me bijna onbeschut en weerloos voelen. Het gedrukte papier vormt een pantser. Het beschermt me voor de agressies van buitenaf of voor de wanorde van mijn eigen ideeën.

Zou het niet anders moeten zijn in het theater? Je bent daar toch om je te verliezen in de scène, om je door haar te laten absorberen. Een kruk of een boek heb je daar niet nodig. Je moet je overgeven. En jezelf niet belasten. De mantel die je soms op de knieën hebt, is al een last. Het papier nog meer: het schuift weg, het valt op de grond, je trapt erop of je moet je in onmogelijke bochten wringen om het op te rapen tussen de rijen, met het risico de voorstelling te storen. En toch volhard ik: ik kom met het boek in de hand.

Waarvoor dient het dan? Nee, ik heb niet de bedoeling de politie uit te hangen. Ik controleer niet of de acteurs wel degelijk de tekst zeggen, de gehele tekst, dan wel of ze er hier en daar inbreuk op maken. Of ze er een nevenschikkend voegwoord aan toevoegen of een uitroep, waar ze inderdaad op verzot zijn: een ‘maar’, een ‘dus’, een ‘oh’ of een ‘ah’ die de naturel een handje helpen… en of ze de leestekens vermenigvuldigen. Zo puristisch ben ik niet, hoewel zulke details niet onbelangrijk zijn. Zijn acteurs niet van nature geneigd om te verbinden wat losstaand had moeten blijven, of om nuances te leggen, ademzuchten (in de muzikale zin van het woord), daar waar er geen zouden moeten zijn?… Dat zijn zaken waarbij men mag, moet stilstaan tijdens de repetities. Daarna is het te laat: dan staan ze vast. Trouwens, ik ben geen regisseur. Bovendien is zo’n controle van de details gewoon onmogelijk tijdens de voorstelling. Een uitzondering daargelaten, staat het halfdonker in de zaal dat niet toe.

Toch blader ik in mijn boek wanneer ik dat kan. In de vlucht, terwijl ik probeer terug te vinden wat er op dat moment wordt gezegd, zoniet gebeurt. Ik moet toegeven: in sommige gevallen doe ik het uit ongeduld. De voorstelling lijkt me lang. Hoelang duurt ze nog? Als de duur niet uithing aan de ingang of als ik nagelaten heb er kennis van te nemen, kan ik me er zo een idee van vormen: we zijn een uur bezig en we zitten aan pagina 32; de tekst beslaat 65 pagina’s, dus we hebben nog een uur te gaan… Soms moet men zich zelfs bedienen van subtielere regeltjes van drie. Toch doe ik het niet altijd uit ongeduld. Dikwijls schat ik, aan de hand van de ruimte in het boek, de resterende duur van de voorstelling in om me te verbazen, om te voorzien, om te fantaseren: wat, we zijn al aan twee derden en er is nog niets of bijna niets gebeurd… Er komt vast een kentering: we kunnen het hopen of vrezen. De uniforme opeenvolging van de bladzijden en de regels enerzijds, en de vloeiende en wispelturige afwikkeling van de theatrale duur anderzijds, weven vreemde en fascinerende verbanden. Soms lijkt alles snel gegeven: wat gebeurt er daarna, wie zal de eindstreep van deze gedrukte pagina’s halen? Bijvoorbeeld in Macbeth. Soms gebeurt er lange tijd niets: wat zal er zich voordoen en wanneer? Zo gaat het met Tsjechov.

Wat ik probeer te lezen en heimelijk in de relatieve duisternis van de zaal probeer te ontcijferen, zijn veeleer de regieaanwijzingen dan de eigenlijke tekst. Men weet dat ze een variabele functie hebben. Soms zijn wat men gewoonlijk ‘scenische aanwijzingen’ noemt, niet meer dan suggesties van de auteur met het oog op de voorstelling. Als dusdanig zijn ze van vrij weinig belang en kan men ze – of moet men ze – negeren. Dat geldt voor de talrijke ‘Hij gaat staan (…). Zij gaat zitten’ of ‘Hij luistert (…). Zij kijkt hem verschrikt aan’ die onze burgerlijke drama’s bevolken. Soms zijn ze echter essentieel: ze duiden aan wie spreekt (de namen van de personages behoren tot de regieaanwijzingen) en tot wie; ze specifiëren de veranderingen van plaats; ze benadrukken het tijdsverloop… Het is die laatste soort aanwijzingen die ik probeer op te sporen en te confronteren met hun scenische realisatie (dat woord is bedrieglijk: beter is ‘realiteit’). Wanneer ik aan het begin van Huis Clos lees: ‘Een salon in Second Empire-stijl. Een bronzen beeld op de schouw’, en ik in de regie van Claude Régy bij de Comédie Française een breed leeg plateau zie, met daarrond muren zo breed als die van een kwartier onder strenge bewaking, met als enige uitgang een monumentale poort, ben ik verwittigd: deze Huis Clos zal het tegenovergestelde beweren van de Sartriaanse literatuur… Hetzelfde geldt voor de personages: hun aan-of afwezigheid is niet toevallig. Daarom is het interessant te weten wat de tekst voorziet. (…) Waarom dan niet ‘à chaud’, op het moment zelf van het spel, de twee architecturen vergelijken: die van de tekst en die van de voorstelling? Niet uit een bezorgdheid om getrouwheid maar om het plezier om ze elkaar te zien onderstutten, reflecteren of tegenspreken.

Architectuur… Laten we een beetje stilstaan bij die metafoor. Inderdaad, ik lees de tekst niet terwijl de acteurs hem spelen. Ik merk er hoogstens de voornaamste scharnierpunten van op. Vergeleken met de grote gehelen, zijn dat scherpe keuzes van de voorstelling (het voedsel van de scène). Dat is niet alleen een zaak van regieaanwijzingen. De schikking zelf van de tekst op de bladzijde is belangrijk en heeft betekenis. Net als de beweging op de scène. En aan de opeenvolging van de bladzijden beantwoordt de duur van de voorstelling. Hen vergelijken doet me dromen. Een beetje zoals ik vroeger op school een vlakke geometrische figuur in de ruimte projecteerde: de lijn kreeg dan lichaam en volume, soms op een onverwachte manier. De afwisseling van de lange of korte replieken, het bestaan van die vlaktes of van die momenten van oponthoud die de monologen zijn (nog eens onderstreept door een verschillende typografische organisatie, zoals bij Corneille, waar men van de alexandrijn overgaat naar de décasyllabe, of zelfs naar de octosyllabe of de hexameter – cf. de stanza’s van de Cid), een zekere dichtheid van de tekst of de lucht erin (in het discours of de dialoog)… dat alles vormt, op het papier, een architectuur die de voorstelling bevestigt of wijzigt.

Mijn plezier om de tekst te doorbladeren in het halfdonker, waarin ik niet de woorden kan zien maar de grote massa’s, en om hem te confronteren met de voortdurende maar zichtbaar gestructureerde flux van de scenische handeling, wordt geboren uit het heen en weer gaan tussen de bijna abstracte architectuur van de gedrukte badzijden en de materiële, ondoordringbare, lijfelijke realiteit. De acteur en de voorstelling bedelven me onder tekens en betekenissen die zich onophoudelijk vormen en ontbinden; het boek verwijst me naar een orde die in zekere zin tijdloos en absoluut is. Ik vind het thema -of het skelet van het thema – terug onder de weelde en de vindingrijkheid van de variaties.

Ik moet zeggen dat ik hou van, dat ik heb gehouden van (vandaag is die mode over) ‘heldere’ voorstellingen van het epische type, waarin de scène veeleer verscheen als een ‘expositieruimte’ dan wel als een decor of milieu. Zo waren die van Strehler in de jaren ’60: een Exception et la Règle waarvan de klaarheid, de eenvoud en de spaarzaamheid op dezelfde avond geconfronteerd werden met de ‘sfeer’, de verzadiging en de grijsheid van Je me souviens de deux lundis van Arthur Miller, behandeld als een naturalistische ‘tranche de vie’, alsook zijn schitterende Vie de Galilée; en zo ook de eerste ensceneringen van Chéreau. Niet alleen omdat hun ‘a giorno’ verlichte scène me toestond om in de zaal de tekst te volgen. Maar ook omdat het was alsof die voorstellingen mij de illusie gaven dat het boek zelf lichaam en leven kreeg op de scène. Dan was de acteur in staat ‘ruimte te laten tussen zijn gebaren zoals een typograaf ruimte laat tussen woorden’, zoals waar Walter Benjamin op rekende in het episch theater.

Mijn onschuldige hebbelijkheid verwijst ons misschien naar een utopie van een heel andere draagwijdte: de coëxistentie van het theater en het boek. Men weet dat Mallarmé ervan droomde daarvan het principe van een voorstelling van een superieure essentie te maken. Zijn poging bestond in niets anders dan in het éénmaken van het Boek en het Theater. Of nog: in het ‘tonen van theater als mysterie door een bewerking genaamd Poëzie, en dat in het voordeel van het boek’. ‘Het Oeuvre totale‘ zou op die manier slechts een ‘boek’ geweest zijn, dat ‘luidop wordt gelezen en becommentarieerd door Mallarmé voor een bepaald publiek, volgens een ingewikkeld ceremonieel, en een onderwijs of een overtuiging uitstralend met een metafysisch karakter, voorbestemd om de bestaande religies te vervangen’. Zeker, Mallarmé is er niet in geslaagd dat Boek-Theater te realiseren, waaraan hij vele jaren heeft gewerkt: de dood of, meer nog, een radicale onmogelijkheid heeft het hem verhinderd. Maar daarom houdt zijn droom niet op in ons te leven.

Tussen het boek en het theater bestaat er een band en een weigering die consubstantieel zijn. Het ene komt voort uit het andere maar negeert het, poogt het te annuleren, zet al zijn krachten in om het te doen vergeten. Toch slaagt het er nooit in om het helemaal uit te drijven. Het boek duikt altijd weer op. Het behekst de scène als zijn oorsprong en zijn einddoel. Misschien is naar de voorstelling komen met het boek in de hand slechts een – licht frivole – manier om dit in herinnering te brengen: op de bodem van het theater bevindt zich altijd een boek.

Uit: Bernard Dort, Le Spectateur en dialogue, pp. 47-52, Paris, P.O.L, 1995 (oorspr. in Cahiers de la Comédie-Française, nr. 5, herfst 1992). Vertaling: Clara Van den Broek

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

#74

15.12.2000

14.03.2001

Bernard Dort

Bernard Dort was in de jaren '50 en '60 een belangrijk Frans theatercriticus. Hij doceerde jarenlang aan het Institut d'Etudes Théâtrales van de Parijse Sorbonne.

artikel