Ciska Hoet

Leestijd 10 — 13 minuten

Het artistieke kapitaal van de vluchteling

Naar een duurzame, humane en holistische visie op de vluchtelingenproblematiek binnen de kunsten.

De vluchtelingencrisis is al jaren een populair thema op onze podia. Toch opereert de vluchteling-kunstenaar zelf nog altijd in de marge. Andere impulsen en bevraging van eigen canon blijven zo achterwege. Hoe kan de kunstensector die noodzakelijke nieuwe stemmen een duurzame plek bieden?

‘Kosovo go home’. De slotscène van Allemaal indiaan, de voorstelling waarmee Arne Sierens en Alain Platel in 2000 hun immens populaire drieluik – Moeder & kind en Bernadetje waren de andere twee –beslechtten, laat weinig aan de verbeelding over. Een man kalkt de hatelijke woorden op de muur, net nadat een vluchtelinge uit de Balkan van op een hoge ladder euforisch alle Belgen uitgebreid heeft bedankt voor hun gastvrijheid. Gospelmuziek zet de emotie dik aan. De zaal blijft verweesd achter.

Sierens en Platel leggen met de racistische graffiti niet alleen de vinger op een actuele maatschappelijke wonde. Het gênant lange dankwoord waarmee de actrice zich tot het publiek richt, wrijft zowel het personage als het meer gefortuneerde publiek ook onder de neus dat ze wellicht nooit erg hoog zal klimmen op de sociale ladder.

Vluchtelingen zijn als actueel thema nooit meer van onze podia verdwenen. Peter Sellars zette ze in 2004 letterlijk op de bühne van deSingel in zijn The Children of Heracles; ze vormen al meer dan tien jaar een rode draad door het werk van Michael De Cock en in 2014 gooide de voorstelling Nobody Home van Daria Bukvic nog hoge ogen door het verhaal te brengen van een jonge generatie gevluchte theatermakers.

De recente vluchtelingencrisis bracht het afgelopen seizoen zelfs een hype teweeg in de kunstensector. Het dagelijkse nieuws over de duizenden wanhopige mensen onderweg naar Europa, maar ook het besef dat in ons eigen Brusselse Maximiliaanpark en net over de Franse grens in Calais of Duinkerke mensen in erbarmelijke omstandigheden leven, waren aanleiding tot een golf van solidariteit. Minister van Cultuur Sven Gatz riep zijn sector zelfs op om zich in te zetten voor nieuwkomers.

Kleine en grote initiatieven schoten als paddenstoelen uit de grond. Individuele kunstenaars, kunstencentra en stadstheaters organiseerden debatavonden, zamelden spullen in voor Calais of ondersteunden projecten over, met, en van vluchtelingen. Intussen is het thema dankzij een strenger grenzenbeleid en een dubieuze deal met Turkije alweer naar de achtergrond verschoven in de journaals. Ons rest de vraag wat de kunsten kunnen betekenen binnen deze problematiek.

Kristof van Baarle gaf in dit tijdschrift (Etcetera 141) al aan dat het theater een uitgelezen plek kan zijn om voorbij de waan van de dag actuele thema’s te bevragen en te koppelen aan grotere, dieperliggende vraagstukken. In het beste geval ontstaat in de zaal een louterende gemeenschappelijkheid die kunstenaars en toeschouwers toelaat maatschappelijk onbehagen met elkaar te delen. Exact wat Allemaal indiaan wist te bewerkstelligen.

Maar de vluchtelingencrisis is meer dan een interessant actueel thema. Ze houdt specifieke artistieke mogelijkheden en uitdagingen in. Op DeWereldMorgen.be wijst Erwin Jans erop dat ‘tussen die vluchtelingen ook heel wat intellectuele kunstenaars zitten die deel zullen gaan uitmaken van onze culturele sector. Ons publiek verandert. We moeten ons afvragen voor wie we maken en of deze maatschappelijke evoluties een effect moeten hebben op onze programmatie.’

Naast de uitdagingen qua programmering ligt er ook reflectiewerk voor de boeg over de plaats van de vluchteling-kunstenaar in het veld. Eerder dan op de bühne en in de zaal, is de Balkanvluchteling uit Allemaal indiaan vandaag vooral terug te vinden onder het poetspersoneel van kunstenorganisaties. Kunstenaars met een vluchtverleden opereren bijna allemaal in de marge. Nieuwe esthetische impulsen die een bloeiende artistieke praktijk garanderen, blijven zo achterwege. Toch bieden zij de kunsten een uitgelezen kans om dominante vormen en artistieke strategieën te bevragen en te herdenken. Hoe kan de sector een duurzame plaats bieden aan de andere canons die in het zog van nieuwkomers het oude continent bereiken?

Eenmalig of duurzaam?

De oproep die Sven Gatz in september 2015 lanceerde, klonk wat dat betreft alvast nogal vrijblijvend. Omdat ‘deze asielcrisis onze samenleving voor een beschavingsvraagstuk stelt’, moeten ‘kunst en cultuur hun stem laten horen’, meende Gatz. Ze kunnen volgens hem bovendien dienen als ‘een balsem voor de vluchtelingen’. ‘Minstens tijdens de soms lange periode dat ze onderdak krijgen in een opvangcentrum.’ Gatz ziet voor de kunsten met andere woorden zowel een rol weggelegd als instrument om het debat aan te zwengelen en de autochtone bevolking tot gastvrijheid te bewegen, maar evengoed als aangenaam en troostend tijdverdrijf voor de vluchtelingen zelf.

Très sympa van de minister. Minder sympathiek was dat er geen extra fondsen voorzien werden, en dat er in zijn oproep geen aandacht was voor de jarenlange ervaring van organisaties als Globe Aroma en KunstZ.

Dan getuigt de aanpak van de sector van meer visie. De directe noden van de vluchtelingen – voeding, kleren, zeep, medicatie, een warme, veilige plek om te slapen – gaven in eerste instantie vooral aanleiding tot een resem inzamelacties en benefieten. Om een greep te doen uit het aanbod: zowel AB, KVS, Beursschouwburg als Kunstenfestivaldesarts verzamelde kleren en ander materiaal. Victoria Deluxe richtte in samenwerking met andere organisaties een Gents inzamelpunt op en trok zelf naar Calais om de handen uit de mouwen te steken. Zinneke was dan weer aanwezig in het Maximiliaanpark met materiële en immateriële steun, en Timelab stelde een flat ter beschikking van twee families. Flip Kowlier en Democrazy sloegen de handen in elkaar voor een grootscheeps benefietconcert in de Handelsbeurs. En op 20 juni, Wereldvluchtelingendag, speelde het Brussels Jazz Orchestra een benefietconcert samen met gevluchte muzikanten.

Wat het openbreken van de (weliswaar muzikale) canon betreft, mag dat laatste initiatief alvast als voorbeeld dienen. Tijdens het eerste deel speelde het orkest muziek gecomponeerd op het libretto Two Small Bags, Ten Million Dreams van Michael De Cock. Voor de tweede set traden ook gevluchte Syrische muzikanten aan. Hun muzikale taal, gegoten in een jazz-arrangement, toont aan hoe artistiek verrijkend een culturele kruisbestuiving kan zijn.

Ook de twee avonden die Toneelhuisin oktober 2015 inrichtte onder de noemer Kunst op de vlucht, waren wat dat betreft veelbelovend. Naast werk van hun ‘eigen’ Mokhallad Rasem, was er onder meer poëzie, muziek en dans te zien van kunstenaars uit Syrië, Irak, Burundi en Marokko. Dit blijven echter eenmalige initiatieven. Als de poëtica’s van gevluchte kunstenaars een duurzame plek verdienen in het kunstenlandschap, is er meer nodig.

Slachtoffers en helden

‘Wij zijn “crisis” en “problematiek”. Wij zijn zielig of helden. (…) Wij zijn een groep maar nooit een individu. Over ons wordt gedebatteerd in de politiek. Ze schrijven over ons in boeken, kranten, tijdschriften en internet. (…) Vaak zijn we het onderwerp in documentaires en je kan ons tegenkomen in tentoonstellingen waarin er foto’s van ons hangen. Er wordt voor, tegen en door ons gedemonstreerd. Ze zoeken naar antwoorden, begrip en oplossingen maar laten we eerlijk zijn; ze hebben eigenlijk geen idee.’ Fotografe Uljana Orlova, die als kind naar Nederland vluchtte, verwoordt de verzuchting van heel wat vluchtelingen in De Groene Amsterdammer van 22 juni 2016.

Ook binnen de kunsten geldt dat een oprechte interesse in en aandacht voor de artistieke visie van gevluchte kunstenaars een voorwaarde is voor een duurzame kruisbestuiving met andere poëtica’s. Voor je het weet hebben we het in onze geijkte vormentaal met z’n allen weer vooral over de vluchteling in plaats van hem daadwerkelijk een plaats te geven in het veld. Zoals Orlova aangeeft is de kans dan groot dat we terechtkomen bij wat Claude Grignon en Jean-Claude Passeron geduid hebben als ‘miserabilisme’ en ‘populisme’: het objectiveren van vluchtelingen en ze hetzij als zielenpoten, hetzij als heldhaftige overlevers neerzetten.

Een individuele kunstenaar die daaraan is kunnen ontsnappen, is theatermaker Mokhallad Rasem. Hij gooide in 2010 hoge ogen met zijn Irakese geesten. Intussen is hij verbonden aan Toneelhuis, waar hij de voorbije jaren onder meer met Shakespeare aan de slag ging in een heel eigen vormentaal. Naar aanleiding van de vluchtelingencrisis programmeerden enkele huizen in Vlaanderen zijn double bill Body Revolution/Wachten. De twee korte voorstellingen ademen de ervaring van een maker die zelf op de vlucht is geweest.

In Body Revolution gaan drie performers, gehuld in witte pakken, een fysieke dialoog aan met de beelden van oorlogsgeweld die achter hen op een doek geprojecteerd worden. Nu eens worden ze bijna één met de projectie, dan komen ze ervan los en werpen hun lichamen een donkere schaduw op de ruïnes, die fungeren als stille getuigen van geweld en angst. Op deze plaatsen hebben bommen en wapens levens kapotgemaakt. Een derde dimensie wordt toegevoegd door het drietal op hun beurt gemonteerd te laten figureren in verschillende oorlogsscènes. De performers zitten op de brokstukken van wat ooit gebouwen waren, rennen weg van het geweld of liggen in een zetel te midden van het puin terwijl hun liveversie voor hen op scène meebeweegt. De bruutheid van de gefotografeerde vernieling steekt af tegen de kwetsbare lichamen op de scène. Met één been staan ze daar, met het andere zijn ze hier. Ingebouwde stiltes, de dansers die soms haast tussen de doeken lijken te zweven, en enkele lichtvoetige momenten voorkomen dat het een topzwaar geheel wordt.

Ook Wachten bestaat uit drie performers voor een doek met projecties. De camera zoomt in op gezichten van allerlei leeftijden die in straatinterviews vertellen over wat wachten voor hen betekent. Dooddoeners passeren de revue. Van wachten op de bus tot pure verveling. Het contrast met de getuigenissen van vluchtelingen die erop volgen, maakt de problematiek pijnlijk acuut. Terwijl de performers voor het doek het beeld voortdurend breken door het op te vangen met witte lakens, vertellen de vluchtelingen op het scherm dat ze wachten op papieren, dat ze al een jaar wachten op nieuws van vrouw en kind, of dat ze wachten tot hun dochter beter wordt. Het spel met de doeken verbrokkelt hun gezichten en doet het beeld uit elkaar vallen. ‘I wait to be who I am but I can’t in my situation. Een door lakens geboetseerde piëta sluit de voorstelling af.

Rasems tweeluik refereert zowel aan de vele oorlogsbeelden die we dagelijks te verwerken krijgen, als aan het contrast tussen de gefortuneerde Europeaan en de vluchteling. De vraagstukken waar mensen op de vlucht mee kampen, worden eerlijk en subtiel op scène gezet – wars van clichés over slachtoffers en helden.

Maar één zwaluw maakt nog geen lente. Een duurzame integratie van nieuwe stemmen en poëtica’s vergt een duurzame visie en aanpak. Wat dat betreft bevatten de organisaties die langdurige trajecten afleggen met vluchtelingen, wellicht de meeste toekomstmuziek.

Cinema als trigger

Een intrigerend grassroots-initiatief is dat van kunstenares Gwendolyn Lootens en haar partner, kunsthistoricus Gawan Fagard: Cinemaximiliaan. Wat begon met dagelijkse filmscreenings mondde uit in een artistieke netwerkorganisatie die nieuwkomers en mensen van hier verenigt in filmvoorstellingen, artistieke debatten, workshops en masterclasses. Bovendien ontwikkelden Fagard en Lootens onrechtstreeks, maar met succes, ook een broodnodige springplank voor gevluchte kunstenaars.

Een klein jaar geleden trok het duo nietsvermoedend naar het Maximiliaanpark om er een film te tonen aan de vluchtelingen. Wat bedoeld was als een wekelijks initiatief, groeide al snel uit tot een populaire dagelijkse filmvertoning. Bij heel wat gestrande Syriërs, Irakezen, Palestijnen en Afghanen bracht de geïmproviseerde cinema voor het eerst in maanden een ‘thuisgevoel’ teweeg. Die relaxte sfeer maakte bovendien prikkelende discussies mogelijk over welke prent er al dan niet vertoond kon worden – de kiem van de artistieke filmdebatten die ze later zouden organiseren.

Als reactie op het grote verloop van de vluchtelingen waren Fagard en Lootens zo slim de Facebookgegevens te noteren van de mensen die ze ontmoetten. Daardoor wisten ze intensieve contacten uit te bouwen. Met hun cinema op wieltjes trokken ze – overigens zonder middelen – naar de opvangcentra waar ‘hun’ vluchtelingen terechtkwamen en algauw groeiden heel wat nieuwkomers uit tot vaste vrijwilligers die mee de opvangcentra bezochten en screenings organiseerden. Cross-over en evenwaardige samenwerking staat daarbij centraal.

Intussen organiseert Cinemaximiliaan spraakmakende debatten met regisseurs (onder andere op het Kunstenfestivaldesarts en het Ritcs, maar ook in BOZAR en bij mensen thuis), trekken ze met de nieuwkomers naar exposities, volgen hun mensen workshops bij onder meer S.M.A.K. en Ultima Vez en staan er masterclasses in de steigers. Doordat Fagard en Lootens zo dicht bij de vluchtelingen staan, leren ze ook de kunstenaars onder hen kennen. Met behulp van het uitgebreide netwerk van Cinemaximiliaan wordt het voor hen mogelijk de weg naar de sector te vinden.

Bij de crowdfunding die Cinemaximiliaan enkele maanden geleden organiseerde, werden de werken van Irakezen en Syriërs tentoongesteld naast die van meer gevestigde, internationale kunstenaars. Maar ook muzikanten, dansers en acteurs uit Palestina, Syrië en Afghanistan worden opgepikt. Soms is de rol van Lootens en Fagard daarin niet groter dan het met elkaar in contact brengen van mensen, maar evengoed plannen ze in de toekomst film- en videoproducties waarvoor ze intensief zullen samenwerken met gevluchte kunstenaars en nieuwkomers die hun weg zoeken.

Voorbij de hype

Ook werkingen zoals Globe Aroma en KunstZ, die dagelijks artistiek werken met nieuwkomers, slagen erin een duurzame visie te ontwikkelen op vluchtelingen en artisticiteit. KunstZ won de Gastvrije Award van Vluchtelingenwerk Vlaanderen met zijn Culturele Trajecten voor Nieuwkomers. De Antwerpse organisatie zet sinds haar oprichting in op de opleiding, ondersteuning en begeleiding van nieuwkomers, asielzoekers en vluchtelingen. Naar aanleiding van de crisis riep de organisatie de sector op zich te engageren als coach, of om vrijwilligerswerk of stageplaatsen aan te bieden. Dat resulteerde in uiteenlopende trajecten die de ene keer wel en de andere keer niet artistiek geïnspireerd waren.

Zo werd een Afghaanse jongen door iemand van het Antwerpse lokaal cultuurbeleid op sleeptouw genomen om samen het culturele aanbod in Vlaanderen te ontdekken. Maar evengoed bracht Hassan uit Irak een monoloog tijdens de STADsnomaden onder begeleiding van Koen van Kaam van Theater Zuidpool. De jury van Vluchtelingenwerk loofde de strategie om de‘vluchteling-kunstenaar zo snel mogelijk in de professionele kunstenwereld te katapulteren’ omdat dit ‘duurzaam is, innoveert, en betrokkenheid creëert’. Ze prees KunstZ omdat het dat ‘structureel, op lange termijn, en met aangehouden moed’ doet en ‘daartoe partnerschappen met het reguliere kunstenveld uitbouwt en draagvlak creëert’.

De grote verdienste van de Culturele Trajecten is dat ze bruggen bouwen tussen nieuwkomers en de sector. Heel wat coaches merkten op dat ‘hun’ nieuwkomer prima zou kunnen meedraaien in hun organisatie, zowel voor als achter de schermen. Daarmee gaat KunstZ voorbij aan de vluchtigheid van de initiële verbolgenheid en zoekt de organisatie naar een duurzaam antwoord op de vluchtelingencrisis.

Verontwaardiging en medelijden zijn goede emoties om van te vertrekken, maar ze vervliegen snel als ze niet gepaard gaan met de openheid voor het individu achter de vluchteling, en met een geïnformeerd politiek bewustzijn. Duurzame trajecten combineren artistieke en sociale aspiraties. Ze exploreren de kansen die we mensen kunnen bieden eens ze geen kleren en dekens meer nodig hebben of asiel hebben gekregen. Wie plaats wil ruimen voor prikkelende nieuwe canons en vormentalen, heeft kortom nood aan een duurzame, humane en holistische visie op de vluchtelingenproblematiek.

Platel en Sierens oogstten in de jaren 1990 onder meer succes met het feit dat ze hun voorstellingen wisten te bevolken met jong Gents talent dat ze welhaast letterlijk van de straat hadden geplukt. Binnen de sector sprongen daarbij vooral de jongeren met een migratieachtergrond in het oog. Maar wie vandaag de carrières van pakweg Ben Benaouisse of Abdelaziz Sarrokh onder de loep neemt, moet vaststellen dat ze ondanks hun initiële succes en onmiskenbare talent geen van beiden een vaste plek in podiumland wisten te verzilveren. Dat is het lot van wel meer jonge makers. Alleen leert de recente geschiedenis ons dat dit voor aanstormend allochtoon talent wel erg vaak het geval is. De advocaat van de duivel zal dan ook vragen hoe de sector zal omgaan met kunstenaars die ooit gevlucht zijn, als we er al niet in slagen om divers talent van eigen bodem de duurzame plek te geven die het verdient.

Het zou een mooi begin zijn mochten organisaties als KunstZ en Globe Aroma de middelen krijgen die in verhouding staan tot hun artistieke en maatschappelijke verdienste. Beide organisaties opereren in de marge, terwijl hun methodieken als voorbeeld kunnen dienen voor het hele veld. Impulsfondsen die snel inspelen op dynamische bottom-up initiatieven als Cinemaximiliaan, zijn een andere piste als we willen evolueren van liefdadigheid naar samenwerking en wederzijdse artistieke erkenning.

De vrijblijvendheid van Gatz’ oproep indachtig, klinken die suggesties utopisch in de oren. Is het dan een idee om solidariteitsscenario’s binnen de sector zelf uit te denken? De Grote Instellingen hebben doorgaans nog wat werk aan de winkel op het vlak van hun diversiteitsbeleid. Wie weet wat zij financieel zouden kunnen betekenen voor KunstZ, Globe Aroma en Cinemaximiliaan.

Op 30 juni jongstleden maakte Sven Gatz bekend dat de kunstensector het zonder de beloofde extra financiële zuurstof moet stellen. Op dezelfde dag werd bekendgemaakt dat het budget voor defensie met maar liefst 70 procent zal stijgen. Die extra 2,7 miljard euro zal vooral geïnvesteerd worden in wapens en gevechtsvliegtuigen – precies de machinerie die het leed veroorzaakt waarvoor mensen op de vlucht slaan. Gatz’ oproep klinkt plots wel erg cynisch. Hoog tijd voor een nieuwe golf van collectieve verontwaardiging? Er is genoeg stof voorhanden om samen nieuwe, duurzame verhalen te schrijven.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 10 — 13 minuten

#146

15.09.2016

14.12.2016

Ciska Hoet

Theaterwetenschapper Ciska Hoet is directeur van RoSa, kenniscentrum voor gender en feminisme. Daarnaast is ze freelance-cultuurjournalist bij onder meer De Morgen. Ze maakt deel uit van de kleine redactie van Etcetera.

essay

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!