Mark Deputter

Leestijd 5 — 8 minuten

Het aankleden van jonge berkenboompjes

La Finta Giardiniera, de repetities

In april leverde de Munt (alweer) een schitterende Mozart-enscenering af: La Finta Giardiniera, in een regie van Karl-Ernst en Ursel Herrmann. Dirigent was Sylvain Cambreling.

Een gebouw aan de Borrensstraat, de repetities van La Finta Giardiniera. Een fiets, bakstenen gebouw in de rij, waarvan alleen het bekende logo van de Nationale Opera me geruststelt dat ik op het juiste adres ben. Een voorzichtige druk op de bel brengt me binnen. Ik ben blijkbaar vroeg. Kwart voor elf. Ik koop een kopje koffie.

Rond elf uur arriveren ze: het regisseurstrio Karl-Ernst Herrmann, Ursel Herrmann en Geoffrey Layton; dirigent Sylvain Cambreling, de regieassistente, de accessoiriste en de zangers Ugo Benelli, Marek Torzewski, Malvina Major en Elzbieta Szmytka. De repetities zijn al een goeie week aan de gang, en vele van de zangers kennen mekaar al van vroegere produkties. ‘Buon Giorno tout le monde!’ komt Benelli opgeruimd binnen, ‘Ah, fa brutto tempo, toujours la pluie’.

Es regnet zuviel für Ugo’, verklaart Ursel Herrmann haar man. Er wordt Duits gesproken, Frans, Engels, Pools, Italiaans, Nederlands en een rijke schakering aan mengvormen en combinaties.

Herrmann zelf spreekt uitsluitend Duits en dat wil nogal eens een vertragend effect hebben op het verloop van de repetities.

In de zaal, die ooit een opslagplaats moet geweest zijn, staat een podium opgebouwd met daarop een ‘facsimile’ van het uiteindelijke decor. De bomen zijn van plastic, de scèneopening met de zitbank en het bronnetje is nagemaakt in hout. De verzinking rond het standbeeld en het waterbassin zijn in witte lijnen op de vloer aangegeven. Vóór het podium een ldavecimbel en een piano voor de begeleiding, wat stoelen en een paar tafels, met daarop her en der verspreid prenten- en fotoboeken, partituren en een paar rekwisieten. Aan de muur veel foto’s, prenten en schetsen. In een hoek staat een mooie maquette van het decor, bevolkt met plaasteren figuurtjes. Een repetitiesessie (drie per dag) begint telkens met het overlopen van de te spelen scène. Karl-Ernst en Ursel Herrmann, Geoffrey Layton en de regieassistente voegen zich bij de zangers op het podium en bespreken uitvoerig het verloop van de scène. Wat er staat te gebeuren, hoe de personages zich daarbij voelen, langs welke lijnen de relaties tussen de personages evolueren en ook hoe dat er ongeveer op de scène moet gaan uitzien. In de loop van anderhalve maand repetities wordt me duidelijk hoe Herrmann reeds tijdens de voorbereiding de resultaten van muziek- en tekstdramaturgie heeft vertaald naar visuele oplossingen toe, niet alleen in decor en kostumering, maar ook in bepaalde handelingen, typering van personages of gebruik van tijd en ruimte.

Uil

Deze voormiddag zet men Act I, scène zeven ineen, de aankomst van Graaf Belfiore. Wanneer Marek Torzewski zijn aria ‘Che beltè, Che leggiadria’ aanheft, zak ik wat dieper in mijn stoel, de spanning van mijn eerste intrede totaal vergetend. Die jongeman zat zo-even nog prozaïsch een koffiehoek te smaken en zingt nu op de tonen van het klavier de góden uit de hemel: ‘Che spendore, eterni Dei’. De ontroering slaat om in verbazing als ik merk dat Belfiore een rond uilebrilletje opzet. Dat had ik er bij de lezing van het libretto niet in gezien. ‘Je moet maar eens kijken hoe dikwijls die man zich vergist’, verklaart Frau Herrmann me later, ‘en toch is hij geen volslagen idioot. In confrontatie met Arminda is hij wel dikwijls verward en onzeker, maar in de scènes met Sandrina bijvoorbeeld is de graaf heel gevoelig en begrijpend. Als hij zoveel flaters slaat, is dat ook omdat hij gewoonweg niet zo goed ziet.’ Het ei van Columbus. Aan het slot van de aria worden de zangers/acteurs onderbroken. Regisseur en co begeven zich, partituur in de hand, op de scène. Geoffrey Layton wijst Arminda erop dat ze zenuwachtiger moet zijn als ze zich opmaakt voor de komst van Graaf Belfiore. ‘Aber du solist ganzfertig sein, wenn der Graf ausstiegt’, vult Ursel Herrmann aan en ze geeft precies de plaats aan waar het tweetal, Arminda en Podestà, hoort te staan op dat moment. Herrmann neemt Serpetta onder de arm: ‘Die Geschichte mit dein Apfel soli auf che splendore’ (op dat moment is het nog Serpetta die Belfiore de glanzende twistappel in de hand legt, later wordt dat het Amor/Puckfiguurtje). Bij de herneming van de aria en ook tijdens het daarop volgende recitatief, wordt er nog vaak onderbroken, gecorrigeerd, uitleg verschaft. Daarbij valt op hoeveel belang er gehecht wordt aan precieze timing. Vaak wordt de tekstuele of muzikale zinssnede of het woord aangegeven waarop een bepaalde handeling verricht dient te worden.

Zo wordt elk stukje ‘informatie’ uit de tekst of de muziek vertaald in een scenisch gebeuren. De ene keer gebeurt dat met veel zin voor visuele inkleding en detail, de andere keer blijft de behandeling bewust spaarzaam ten voordele van het muzikale statement. Maar altijd wordt er getracht naar een innige band tussen woord, muziek en handeling.

Wanneer Herrmann dat principe laat varen, komt hij al gauw in moeilijkheden, zoals een paar dagen later blijkt tijdens de moeizame ineenzetting van de Sandrina-aria ‘Noi donne poverine’ (Act I, scène veertig) met Britt-Marie Ahrun. De aria wordt geconcipieerd als een ‘toneelstukje’ van Sandrina voor Ramiro, dat echter naar het einde toe bittere ernst wordt. Gebaseerd op het tekstgedeelte ‘Disgrazie da bambine / Strapazzi grandicelle / E dell’ età nel fiore’ (‘Ongelukkig in de kindertijd, Mishandeld tijdens de groei, En in de bloei van ons leven…’), ‘speelt’ Sandrina eerst het onschuldige meisje, daarna de jonge femme fatale en ten slotte de vertwijfelde Medea, het mes in de hand. Na veel proberen, herbeginnen, nog eens proberen, merkt Cambreling op dat de ironische afstandelijkheid van het ‘toneeltje spelen’ eigenlijk niet strookt met de delicate gevoeligheid van de muziek. En ook Herrmann voelt zich niet gelukkig met het feit, dunkt me, dat de enscenering te veel aan de tekst en de muziek is toegevoegd in plaats van er organisch bij aan te sluiten; de referentiële betekenis van drie verzen wordt immers uitgesmeerd over de hele aria. Diezelfde dag komt men er niet meer uit. Later wordt de scène sterk vereenvoudigd, uitgezuiverd tot een uiting van Sandrina’s diepgevoelde pijn en ontgoocheling. Enkel tijdens het allegro aan het einde van de aria blijft iets over van het vroegere Medea-gegeven: Sandrina, het tuinierstertje, verscheurt in een vertwijfelende uitbraak van assertiviteit de liefdesgedichten van cavalier Ramiro.

Uitstel

Naarmate de maand vordert, voel ik hoe heel het opera-apparaat in beweging komt, niet als een log gevaarte, veeleer als een goed geoliede machine. In de Borrensstraat wordt zes dagen per week van 11 uur ’s ochtends tot 22 uur ’s avonds gerepeteerd; het regisseurstrio is de hele dag aanwezig, de zangers komen in shifts van drie uur. Ondertussen vinden er ook regelmatig muzikale repetities plaats onder leiding van Sylvain Cambreling. In de ateliers van de Nationale Opera is men geduldig bezig met het ‘aankleden’, blad voor blad, van de jonge berkenboompjes. Ook kostuums en rekwisieten zijn reeds in de maak. In de Borrensstraat komt hoe langer hoe meer volk over de vloer: medewerkers van Herrmann komen staaltjes van stoffen presenteren, bespreken de kleur van de pruiken, vragen wat meer bijzonderheden over het schoeisel van deze, de vest van gene. Geen enkel kostuum of rekwisiet wordt definitief afgewerkt, niet het geringste onderdeel van de productie vastgelegd, zonder eerst de zegen van Herrmann te hebben ontvangen.

Tien dagen vóór de première gaat het dan naar het Théâtre Royal du Parc, het schattigste schouwburgje dat ik ooit te zien kreeg. Een luxueuze uitgangspositie eigenlijk, om zo vroeg al volledige beschikking te hebben over de theaterruimte. Maar dat is, zo blijkt al gauw, buiten de waard gerekend: de decorbouw stelt meer problemen dan verwacht en ook met de belichting raakt men serieus in de knoop. Als dan ook nog Alicia Nafé (Ramiro) omwille van stemproblemen noodgedwongen dient af te haken, wordt de stemming stilaan geladen. Af en toe vallen er harde woorden, iedereen gaat wat meer op zijn tippen lopen. De technische problemen blijven aanhouden en uiteindelijk zal de première van La Finta Giardiniera met drie dagen vertraging plaatsvinden.

Ondertussen wordt er echter hard gerepeteerd en naarmate de verschillende scènes aaneengeregen worden tot grotere delen en uiteindelijk hele bedrijven, zie ik hoe al het werk van de voorbije maand bijna miraculeus samensmelt tot één geheel en daarbij nog aan kracht en betekenis wint. Waar ik tevoren de indruk had dat de regie zich vooral toespitste op het ‘mogelijk’ maken – in termen van dramaturgische verantwoording en visuele arrangementen – van tekst en muziek, merk ik nu hoe ook de enscenering zijn eigen statements begint te generen, betekenissen toevoegt, lijnen trekt die er voorheen niet waren of op zijn minst onzichtbaar bleven. Alsof Herrmann volgens plan een hele reeks panelen had geschilderd en ze nu met veel zorg samenpaste tot één schitterend tableau.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#84

15.12.2002

14.03.2003

Mark Deputter