‘Herrmann’s Battle (ein Kleist’) © Barbara Braun

Leestijd 8 — 11 minuten

Herrmann’s Battle (ein Kleist)

Rimini Protokoll

‘Het plan is simpel en gemakkelijk te begrijpen/ Gevleugelde woorden van de Cheruskenvorst Arminius die in 9 na Christus een groot aantal Germaanse stammen verenigde om het Romeinse leger onder leiding van Varus in het Teutoburger Wald vakkundig in de tang te nemen en uit te roeien. De oorsprongsmythe van de Germanen als ‘één volk onder één leider’ was geboren. Het leverde Arminius behalve een Duitse naam – Herrmann – de erenaam ‘bevrijder van Germanië’ op en later, in de achttiende en negentiende eeuw, een imposant monument en een stroom van populaire en ‘ernstige’ literaire bewerkingen van zijn beroemde wapenfeit.

Die Herrmannsschlacht, een drama van Heinrich von Kleist (1777-1811), is ongetwijfeld een van de bekendste, maar allicht ook een van de ondraaglijkste. Kleistbewonderaars vegen het stuk graag onder de mat. Kleists schijnbaar nationalistische propagandastuk tegen de Franse agressor Napoleon mocht namelijk op grote populariteit rekenen bij de nazi’s. Allemaal slechte lezers, zegt Barbara Vinken in haar uitvoerige essay Bestien. Kleist und die Deutschen, dat naar aanleiding van het Kleistjaar in het voorjaar van 2011 verscheen. Kleists Herrmann, zegt ze, staat voor niets waarmee wie dan ook zich identificeren wil, zelfs de nazi’s niet, al is hun fascinatie wel tragische ironie. Dat komt omdat Kleists Herrmann niets anders is dan een verwrongen spiegelbeeld van zijn zelfgeconstrueerde vijandbeeld.

Hij is een hypercynische strateeg die alles en iedereen – vriend en vijand, eigen kinderen en vrouw, landgenoten en hun heiligste principes, waarden en patrimonium – te grabbel gooit voor een uitroeiingsdrift die zelfdestructief is. Want wie de ander tot in de uithoeken van de wereld wil vervolgen en uitroken komt ooit oog in oog met zichzelf te staan. Herrmanns wapens zijn vooral de media van zijn tijd: het gesproken en geschreven woord in een goedgekozen dramatische setting. Herrmann is een geslepen retoricus en dramaturg die via geruchten, goedgemikte en ‘eenvoudig te begrijpen’ oneliners, gefingeerde brieven en in scène gezette, vaak gruwelijke incidenten zijn oorlogsmachine in gang trekt. Obsceen hoogtepunt is het zogezegd door ‘Romeinen’ verkrachte en verminkte meisje Hally. Herrmann dwingt Hally’s vader zijn kind ritueel af te maken en haar lichaam vervolgens als een stuk wild in vijftien delen te versnijden: die zullen als oproep tot een ‘totale oorlog’ aan de vijftien Germaanse stammen verstuurd worden. Het volk echoot Herrmanns strijdkreet: ‘Empörung, Rache, Freiheit’ (woede/verontwaardiging, wraak, vrijheid).

‘Freiheit’ staat er ook op het bord dat de Duits-Egyptische Barbara Bishay in de lucht steekt in de voorstelling/ performance Herrmann’s Battle (ein Kleist) van het eigenzinnige Berlijnse kunstenaarsensemble Rimini Protokoll. Na voorstellingen in Berlijn en Dresden was de productie in het kader van het festival Reims Scènes d’Europe midden december 2011 ook te gast in La Comédie de Reims. Bishay verhaalt hoe ze via Facebook betrokken raakte bij de Arabische Lente en ten slotte naar Cairo reisde om deel te nemen aan het ‘spontane’ volksprotest op het Tahrirplein. Met haar gsm plaatst ze berichten op Facebook, tot het regime het internet platlegt, de politie op manifestanten begint te schieten en plunderaars door de stad trekken. Het geloof in de autoriteit van de virtuele internetgemeenschap en de hooggestemde gevoelens van revolutionaire oproer wijken voor het besef van de manipuleerbaarheid, onvolmaaktheid en het gebrek aan authenticiteit van de Facebookcommunity. De feiten op het plein zijn bloediger dan het vrijblijvende internetpathos, het ‘Indignez-vous!’-elan blijkt een gevaarlijke maar ook kwetsbare energiebron die snel gerecupereerd kan worden.

Bishay is een van de ‘Experten des Alltags’ – ervaringsdeskundigen – die Helgard Haug en Daniel Wetzel van Rimini Protokoll deze keer hebben ingezet in hun ondertussen gekende documentaire performancemodel dat brandende politiek-maatschappelijke issues in een veeleisende multimediale kijk-, luister- en denkoefening vertaalt. Hun ‘experten’ zijn geen beroepsacteurs, zelfs geen amateurs, maar Teken’ die zichzelf spelen, hun verhaal wordt enkel (maar hoe!) theatraal geframed en gemonteerd. Naar aanleiding van het Kleistjaar overschrijven de makers Kleists brutale en weerspannige drama over oorlog en propaganda met een aantal hedendaagse biografieën waarin oorlog, verzet en vrijheid (als een door oorlogsvoering – in reële of virtuele vorm – zowel bevochten als bedreigd goed) complexe overlappingen en verbindingen creëren.

Naast de steeds sceptischer en ontgoocheld rakende Facebook-revolutionaire Bishay, die in de eerste helft van de opvoering met een lange blonde pruik rondloopt (een knipoog naar de Germaanse basistekst en de onfortuinlijke bedrogen en verminkte vrouwen in Die Hermannsschlacht) is er om te beginnen de charismatische Remzija Suljic uit Srebrenica, een oudere moslima die in Berlijn woont maar getraumatiseerd is door de gruwel van de oorlog die buren plots in beulen en vijanden veranderde. Vervolgens zijn er de computer- en internethackers. De jonge Nathan Fain, zowel in de vs als in Israël uitgeburgerd, test de haast onbeperkte mogelijkheden – vrijheden? – van het internet uit (anoniem geldverkeer en handel, het anoniem bestellen en betalen van een huurmoordenaar met virtuele valuta,…); de oudere Peter Glaser wordt voorgesteld als ‘veteraan van de CCC (Chaos Computer Club)’. Dat is een Duitse, overigens officieel geregistreerde vereniging van hackers die zich toelegt op het kraken van strengbewaakte bestanden van instellingen à la Pentagon en NASA. De hackers doen dat op grond van een niet onproblematisch ideaal van absolute informatievrijheid en ongehinderde communicatie datais een nieuw mensenrecht wordt geclaimd. (Vinton Cerf, de ‘vader van het internet’, schreef onlangs in een column onomwonden: het internet is geen mensenrecht, ‘het is niet meer dan een instrument om iets belangrijkers te verwezenlijken’ -De Morgen, 7 januari 2012). Glaser is niet live aanwezig, maar zijn interventies werden opgenomen in zijn woning in de buurt van de (intussen afgebroken) gevangenis voor oorlogsmisdadigers in Spandau (de laatste bewoner was Rudolf Hess). De gepensioneerde kolonel Karl-Christoph von Stünzner-Karbe tenslotte lijkt met zijn grijze haren, bril en professoraal gedrag het ogenschijnlijk geciviliseerde en bureaucratische gezicht van het moderne militaire apparaat dat tegelijk ook archaïsch (want herkenbaar) werkt in vergelijking met de ‘militaire’ machtsontplooiing in cyberspace. In zijn adellijke naam overleeft alleszins een al even bedenkelijke Duitse traditie van edele oorlogsheroïek (denk aan Ernst Jünger). Zijnbiografie en carrière illustreren hoe strategische posities worden gewisseld, vriend/vijand-schema’s worden herschreven en een oorlogsapparaat zich als ‘vredesmacht’ camoufleert: op scène wordt ostentatief een helm blauw geschilderd. Zoals wel vaker in de voorstelling ontstaan door de montage boeiende en ontredderende kortsluitingen: het ‘droge’ relaas van de kolonel over de gedragscode van soldaten of over VN-missies (geïllustreerd door de obligate landkaartjes) enerzijds en de getuigenis van de oude vrouw uit Srebrenica anderzijds, die zich in de loop van de voorstelling steeds uitdrukkelijker terug in haar oude Balkankle-dij hult, roepen door de blauwgeschilderde helm pijnlijke en traumatische herinneringen op aan het drama van Srebrenica.

Kleists tekst wordt in korte citaten en beknopte episodes (zo beknopt dat men toch best al een beetje vertrouwd is met het verhaal) tussen de verhalen van de ‘experten’ gemonteerd, die zelf al ‘zappend’ ontstaan. Het idioom van de verschillende verhalen – van de archaïsche verzen van Kleist over het Bosnisch van Remzija Suljié tot het Facebook-Engels en het onbegrijpelijke jargon van de hackers – verhoogt het caleidoscopische effect. Het resultaat is een niet-vloeiende, eerder bewust hortende voorstelling. Interactie tussen de ‘acteurs’ is er niet of nauwelijks, ze ontstaat wel in het hoofd van de toeschouwer – en sticht er verwarring. Tussen ‘Herrmann’s Battle’ in het Teutoburger Wald en de contemporaine oorlogsvoering met haar onvermijdelijk gemediatiseerdeen virtuele dimensie lijkt in se niet zoveel verschil te bestaan; behalve dan dat er geen twijfel over bestaat wiens charisma het bloedige spektakel in Kleists stuk regisseert, terwijl de agenten en actoren van de cyberoorlog nauwelijks nog te identificeren zijn (vaak zijn het automatische mechanismen) en de camouflagetechnieken geraffineerder, onvatbaarder geworden zijn. De grens tussen agressie en defensie, oorlogsvoering en vredesmacht, vrijheidsstrijd en hegemoniale machtsontplooiing wordt vloeiend, net zoals het onderscheid tussen reëel en virtueel geweld of tussen fact en fiction. (In hun onderzoeksdagboek over het Kleistproject verwijzen de makers naar Medal of Honour, een door ‘ervaringsdeskundigen’ – soldaten dus – ontwikkelde war game die zich nu eens niet in een pseudoverleden of-toekomst afspeelt, maar de oorlog in Afghanistan waarheidsgetrouw kopieert.)

Op het decor raak je niet uitgekeken: een fantastisch onding dat in elkaar getimmerd zou zijn uit het hout van de Media Markt die in Spandau op de plaats van de voormalige gevangenis was gebouwd en nu alweer afgebroken is (je herkent inderdaad kastjes en rekken, merknamen van elektronicapro-ducenten, bordjes met opschriften: led tv). Het ziet er uit als een door kinderen in elkaar geknutselde burcht met uitstulpingen en kantelen, of als een gehavend spookschip. Deuren, draaitrappen die soms ergens, soms nergens naartoe leiden en verborgen gangetjes creëren de optische illusie van een grafiek van Escher: binnen en buiten plooien in elkaar. De hele constructie draait op een rond platform om zijn as als het rad van de geschiedenis, de ‘achterkant’ is wit en vlak, een façade die onder andere voor projecties wordt gebruikt en daardoor het uitzicht krijgt van een projectie- en computerscherm. Of is het de voorgevel van een instituut met een streng bewaakte poort: een archief van databases, het obscene virtuele geheim dat de global village draaiende houdt?

Toch is de publiekstrekker van de voorstelling Roger Baptist, beter bekend onder zijn artiestennaam Captain Rummelsnuff. Hij begon zijn carrière in de vroege jaren tachtig in de muzikale undergroundscene van Leipzig, toen nog ddr. Rummelsnuff combineert electropunk met de traditie van de arbeiderssong en noemt zijn stijl ‘derbe Strommusik’. In Herrmann’s Battle vertolkt de bodybuilder met Popeye-allures in Lederhose en streetwise mouwloos zwart hemdje de rol van Herrmann die de gehoornde Germaanse helm draagt maar ook wel eens – wat is het verschil? – een Romeinse helm opzet. Rummelsnuff – meestal links geïsoleerd op scène en enkel vervoegd door de oude kolonel -zingt, scandeert, kreunt, schreeuwt de Kleisttekst en zet esthetisch (zinnelijk dus) het eerder ingetogen en statische documentaire theater onder stroom. Zijn bonkige vibrerende lijf herinnert eraan dat oorlog ook vandaag ondanks cyberspace, virtualiteit en mediatisering iets is dat lichamen en levens treft. Of zoals de door hem belichaamde Herrmann roept: ‘Verschroeien, verbranden, plunderen!’

 

www.rimini-protokoll.de

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#128

01.03.2012

—

31.05.2012

Bart Philipsen

Bart Philipsen (1961) is hoogleraar Duitse literatuur en theater & cultuur aan de KULeuven. Zijn publicaties en onderzoek hebben o.a. betrekking op de moderne en hedendaagse erfenis van romantiek en idealisme.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!