‘Ge moet niet persé ananas gegeten hebben om te weten DAT DAT ongelooflijk lekker is’ – Bart Van Nuffelen, Theater Antigone / Johan Hespeel

Claire Swyzen

Leestijd 6 — 9 minuten

Heimattheater

Een ‘illegale’ State of the Union

Claire Swyzen presenteerde op Het Theaterfestival 1999 Theater / Disziplin muss sein!, het nieuwste nummer van het tijdschrift SAMPEL. Een knuppel in het jongetheaterhok. Wordt vervolgd?

Jaarlijks opent Het Theaterfestival met een State of the Union, ‘waarin een notoir theatermens brandende kwesties aanwakkert en zijn medeburgers een geweten schopt, kortom: een stand van zaken opmaakt’, aldus de festivalkrant. Dit jaar was de eer aan Jan Ritsema.

In zijn openingszin zette Jan Ritsema het programma van zijn State of the Union uiteen: ‘Eerst de redelijkheid, straks de kunst, opdat we het verschil ertussen blijven herkennen.’ Ter gelegenheid van het verschijnen van het theaternummer Disziplin muss sein! van sampel, tijdschrift tussen pulp en kritiek, vandaag een illegale State of the Union om de spijker van de redelijkheid, die Ritsema er slechts half in klopte omdat hij er meer voor voelde om de gevoelige snaren van de kunst te raken, er verder in te hameren. Op het programma van deze illegale State of the Union dus alleen redelijkheid, opdat we het belang ervan voor de kunst zouden erkennen. De kunst zelf kan me even gestolen worden. En stel dat ze werkelijk verdween; er zou zo weer nieuwe gemaakt zijn. Aan mensen die kunstenaar willen worden is er immers geen tekort. Aan mensen die sympathiek willen zijn – of allebei – al evenmin. Maar wie wil er redelijk zijn? Op enkele asociale kamikazes na, niemand. Want de theatermaker naast wie u nu zit, daar wil u straks nog mee op café kunnen zitten.

Dit zeer ontnuchterende feit wijst op een ongeschreven wet die op de hedendaagse theatermarkt bijna zonder uitzondering spontaan gerespecteerd wordt. Als iedereen in de theaterwereld echter zo open is als men beweert te zijn, dan zal iemand me moeten uitleggen waarom het onmogelijk is om nog een pint te pakken met een collega-theatermens van wie je het werk hebt bekritiseerd. Of zou een werkelijke openheid aan het licht brengen dat het beide partijen aan de guts’ ontbreekt om kritiek te spuien of te verteren?

Deze illegale State of the Union wil een pleidooi zijn voor meer redelijkheid in de kunst. Alleen al daarom kan deze rede niet anders dan illegaal zijn. Het lijkt in het overgrote deel van het officiële theatercircuit immers ongehoord om een intellectuele houding aan te nemen. Een aantal onder u vraagt zich misschien verontwaardigd af of dat geen evidentie is in een tijd waarin we de kloof met de burger horen te dichten. Waarom zou de theaterwereld trouwens zo nodig haar intellectuele en kritische vermogen moeten inzetten?

Als we de schrijvers van recensies, programmabrochures en persmappen van de jongste jaren mogen geloven, is er heel wat aanstormend jong talent dat – al was het maar door de luchtverplaatsing – een frisse wind door het theaterlandschap doet waaien. Maar hoe lakenfris zijn de ideeën van onze jonge snaken werkelijk? Wat heeft Vlaanderens nieuw theatertalent ons voor nieuws te vertellen?

De vurige experimenten van ons jong volk gaan over de kleine man van Vlaanderen en zijn ‘kleine dingskes’ van alledag. Blijkbaar is alleen daar ‘het echte leven’ nog te vinden. Vandaar al de rasvertellers. Om de couleur locale van ‘het volk’ weer te geven, kiezen jonge theatermakers voor dialect of voor het ondertussen weinig originele hebdegij-Vlaams dat tegenwoordig in het theaterlandschap – je zou bijna van een theaterprovincie gaan spreken -voor authentiek moet doorgaan. Heeft men de naturel aandoende, aan het dialect refererende schriftuur van Louis Paul Boon en van hedendaagse toneelauteurs als Eric De Volder, Arne Sierens en Filip Vanluchene willen imiteren? Dan heeft men niet ingezien dat hun taal slechts de illusie van natuurlijkheid opwekt, terwijl ze in werkelijkheid een literair product is en dus artificieel.

De romantische hang naar alles wat authentiek is houdt een zekere nostalgie in, een afwijzing van grootstedelijke cultuur en alle postmoderniteit die de grootstad met zich meebrengt. Vlaanderen-gelijk-Vlaanderen-is wordt door de jonge theatermakers doorgaans zonder meer geromantiseerd, maar nooit wordt het geproblematiseerd. Tom Lanoye deed dat wel in Gespleten en bescheten, de conférence waarin hij genadeloos afrekent met de fundamentele hypocrisie van ‘de Vlaming’. Tegen de achtergrond van een oprukkend Vlaams cultuurnationalisme is het allerminst toe te juichen dat het charmante theater ‘de Vlaamse eigenheid’ zo kritiekloos romantiseert. Wat niet wil zeggen dat ‘de Vlaanders’ geen onderwerp kan zijn voor hedendaags theater. Language Valley, Vlaanderen 2002, de Culturele Ambassadeurs, Kortrijk als ‘het Dallas van West-Europa’… kortom, heel de retorische en chauvinistische machine die voormalig minister-president Luc van den Brande in gang zette om het toekomstland Vlaanderen in binnen- en buitenland aan de man te brengen, is gedroomde materie voor al wie ‘de Vlaamse identiteit’ in vraag wil stellen. Waarom is er nergens een toneelstuk te zien over een West-Vlaamse hormonenmaffiabons in maatpak, met een Rolex aan de pols, die in een authentiek dialect via zijn gsm aandelen van Lernout&Hauspie koopt terwijl hij aan 200 per uur met zijn dikke BMW – naast de nummerplaat kleeft de sticker VL -en met I Fiamminghi op de achtergrond door het vlakke land scheert, op weg naar zijn rustieke fermette, in een groenzone gebouwd met de gerecupereerde bakstenen van de grootouderlijke boerderij en bewaakt door videocamera’s, waar in de veranda een anorectische vrouw en een tienerdochter met een XTC-probleem wachten op ‘voader’ om samen naar Les Misérables te gaan kijken? Ik zeg maar iets.

Een jury van kenners en liefhebbers -maar die laatsten kunnen we niets verwijten -zorgde er vorig jaar voor dat Ge moet niet per se ananas gegeten hebben om te weten dat dat ongelooflijk lekker is van de kersverse koning der anekdotiek Bart van Nuffelen als een belangwekkende voorstelling in Het Theaterfestival ’98 terechtkwam. Ook een aantal critici prees deze zoveelste romantisering van het werk van Louis Paul Boon – maar daarover meer in Disziplin muss sein! – de hemel in. Van Nuffelen wilde met Ananas een ‘tooneel over alles’ brengen Vaar mensen naar komen kijken. Een tooneel dat over mensen gaat. Een plezant tooneel. Met een schoon en simpel verhaal. Een tikkeltje betovering, een schepke vertedering, een reis naar een andere wereld,’ aldus de begeleidende tekst van Kristin van der Weken in het Montyplan van april 1998. Het ‘tooneel over alles’ komt neer op een ongecompliceerd vertelsel over mensen dat bij de toeschouwer voor een lach en een traan zorgt. Terecht vraagt Van Nuffelen zich op de sympathieke, oubollig ogende affiche van Ananas met de woorden van Boon het volgende af: ‘een vertelling over het gehele leven, gaat dat niet uiteindelijk over NIETS gaan?’

In tegenstelling tot de oordelen van jury’s blijft Boons vraag relevant. Want bij de generatie die op het punt staat haar intrede te doen in de theaterwereld blijkt een anekdotische dramaturgie over het algemeen hoger te scoren dan een gestructureerde, doordachte en gedisciplineerde aanpak. De keuze voor een dramaturgie van de ‘charmante banaliteit’ moet een kleinsteedse mentaliteit en een gebrek aan inspiratie en kunde verbergen. Of willen de jonge helden zich soms afzetten tegen het ‘elitaire’ theater van de nog steeds actieve regisseurs uit de jaren tachtig, mensen als Jan Fabre, Jan Lauwers en Lucas Vandervost, die bekendheid verwierven met hun vormexperimenten? Jammer genoeg leidt de anekdotische reflex die in de voorstellingen van jonge mensen de kop opsteekt zelden tot statements; wel tot veel anekdotiek-om-de-anekdotiek.

Ik twijfel er niet aan dat Bart van Nuffelen – en in zijn kielzog de nieuwe lichting Bronstig Veulen van het RITS, die de anekdotiek-om-de-anekdotiek minstens even hoog in haar vaandel voert – met de beste bedoelingen en een grote dosis enthousiasme aan het werk gaat. Van programmatoren, critici en artistieke leiders, m.a.w. van de ‘gate keepers’ die de macht – of noem het de verantwoordelijkheid – hebben om trends te sturen, zou men echter verwachten dat ze zich niet zomaar lieten inpalmen door dit aanstekelijke enthousiasme. Als een theaterprogrammator het in een seizoensoverzicht heeft over podiumschokken, beschrijft hij/zij dan dit ontluikende heimat-theater? Het is immers kenmerkend voor heimatkunst dat ze tegen de tijdgeest probeert in te gaan. Een verontrustend feit. Want hoe rijm je plots opduikende pareltjes met een beklemmend regionalisme in het theater van jonge mensen? Hoe verklaar je dat een aanzienlijk deel van de theaterwereld, in het kielzog van het respectabele Vlaamse Theater Instituut, zich momenteel ijverig inzet om strategieën tegen extreem-rechts in het culturele veld te ontwikkelen terwijl onder haar vleugels een theater ontluikt dat er een verdacht reactionaire ‘back to basics’-ideologie op nahoudt? Het gezellige heimattheater gaat vrijuit. Meer nog: het wordt bejubeld en bekroond.

Dat lijkt mij reden genoeg om te pleiten voor meer verstand in de kunst. Maar niet alleen in de kunst. De verantwoordelijkheid voor een doordacht theater dat beseft waar het mee bezig is ligt evenzeer bij wat Jan Ritsema ‘het legertje niet-makers’ noemt: programmatoren, dramaturgen, productieleiders, promotieverantwoordelijken, educatieve begeleiders, recensenten, etc. Dit legertje, waartoe ik in mijn andere, officiële hoedanigheid van dramaturge behoor, bezondigt zich in de schaduwzijde van het geprofessionaliseerde theaterapparaat aan een immense praktijk van woordenkakkerij waar ik te allen tijde hoop niet in te trappen. Een kleine suggestie: misschien kan Het Theaterfestival – naar analogie van de initiatieven rond Vuile Handen van het afgelopen seizoen – volgend jaar in de randprogrammering een luik voorzien over Vuile Voeten.

 

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

Claire Swyzen

Claire Swyzen is an affiliated researcher of the Vrije Universiteit Brussel. She was employed as a dramaturge for Flemish theatre company De Tijd and as a practice-based researcher. She taught writing and narratology at RITCS and (co-)edited volumes in Dutch on The Status of the Text in Postdramatic Theatre (2011) and Between Verity and Veracity: The Trajectory from Oral Source to Theatre Project (2012). Her theatre texts have been staged, published or translated.

artikel