‘Wie…’ – Dood Paard / Sanne Peper

Peter De Jonge

Leestijd 3 — 6 minuten

Heel erg kut

Peter De Jonge over Wie… van Dood Paard

Mei ’96, Montycafé. Naast de toog is uitzonderlijk een tv geïnstalleerd. Voetbal, Ajax-Inter Milaan geloof ik. De acteurs van Dood Paard hebben net Tasso, Casus Belli afgewerkt en vatten post voor het kastje. In hun commentaar sparen ze Kluivert & Co niet, maar dra wordt voetbal ingebed in een spelletje wederzijds jennen, baldadig snauwen, een ogenschijnlijk permanent aanwezige groepsdynamiek die wat zich aandient, van Ajax tot het spelen van een voorstelling, doordringt.

Dood Paard, opgericht in 1993 door Oscar van Woensel, Kuno Bakker en Manja Topper, deelt met Stan en De Roovers de ‘zonder-leiding-van-methode’ en ontstond op de toneelschool. Toch zijn de verschillen frappant. Doorheen de recente politiserende wendingen van Stan en het ouwelijk aandoende existentialisme van De Roovers blijft het model van Discordia en de creatie als nauwgezette, onderkoelde dramaturgische analyse van sleutelteksten uit het repertoire schemeren. Dood Paard daarentegen vindt zijn teksten naast de hoofdstroom (Rob De Graaf) of schrijft ze zelf (Oscar van Woensel). Hun aanpak is luidruchtig en bestudeerd onvolwassen: gebaren en dialogen worden niet op een apothekersschaaltje gewogen en de sfeer is er een van goedmoedige sabotage.

Wie…, de eerste voorstelling van de reeks Delirium Tremens, is opnieuw een tekst van Oscar van Woensel. De anekdote belooft een well-made play. Vijf broers en zussen zien elkaar na vele jaren weer op de vooravond van de begrafenis van vader en moeder – hun auto werd gegrepen door een trein. Hun onderlinge vervreemding en de claustrofobische eenheid van tijd en plaats van deze rijkelijk met cognac overgoten wake voorspellen een crescendo spanningsboog met hevige confrontaties, catharsis en familiegeheimen.

Het verleden blijkt echter al vlug niet dat verschrikkelijke, verdrongen monster. Dat vader een tiran was, dat hij moeder na een rol in Bernhards Schijn Bedriegt dwong een carrière als actrice op te geven, dat zij haar latere handicap veinsde, dat alles en de onduidelijke incestueuze relaties zijn voor niemand echt een verrassing. Uit het verleden zijn geen lessen meer te trekken. De stemmen die zij menen te horen zijn een zinsbegoocheling. Een testament wordt niet gevonden. Rouwarbeid is niet meer mogelijk want voor de begrafenis is alles uitbesteed, zelfs de speech.

Halverwege Wie… wordt een spelletje Wie ben ik? gespeeld. Het antwoord is telkens een Bekende Nederlander, Johan Cruyff of Linda de Mol, gemakkelijk te raden door vragen als ‘Ben ik blond?’, ‘Ben ik rijk?’ of ‘Ben ik beroemd?’. Voor de personages die Dood Paard ten tonele voert ligt het minder eenvoudig. Het decor, een meer dan manshoge muur van kriskras op elkaar gestapelde stoelen, is een teken van hun verwarring. Zij liggen in de knoop met hun identiteit. De eigenschappen waar ze zich aan vastklampen – de één definieert zichzelf als junk, de ander als schrijver, Belg, actrice of nakomertje – zijn niet bestand tegen het spervuur van hoon waarmee ze elkaar overladen. Een normaal gesprek is niet mogelijk: ‘Als ik dit zo zie hier/Al deze onderhuidse gifstengels.’ Communicatie is een partijtje kickboksen: de afgeknepen, overvolle scène van Wie… doet bijwijlen denken aan een kennel waar dolle honden elkaar instinctief de strot afbijten. Wanneer de storm even luwt en er toenadering gezocht wordt, neemt men plaats op ongemakkelijke, rode krukjes, echo en antithese van de stoelen uit de achterwand.

Hun zelfbeeld bezwijkt – ‘Ik moet me wel kennen/Anders slaat het nergens op’ – en zichzelf definiëren kan enkel nog in de leegte van de tautologie. De Bijbelse volheid van het ‘Ik ben wie ik ben’ wordt ironisch omgekeerd in een liedje dat zij samen zingen: ‘Wij zijn wie wij zijn/En dat zijn wij/…/Wij willen een bestaan/Dus geef het maar een naam.’ Achter deze familiegeschiedenis doemt een groot, vormeloos leed op dat benaderd wordt in vier losstaande droomsequenties, maar evenwel niet benoemd kan worden. Freud leert dat genezing ontstaat door de herinnering van de traumatische gebeurtenis, maar in Wie… zijn de herinneringen vals. Aan het einde van Wie… staan de zonen en dochters bijgevolg even ver als in het begin, getuige het machteloze, nietszeggende van de laatste repliek: ‘Dat is kut/Dat is heel erg kut.’

Wie… sleurt flink wat ballast mee. De droomintermezzi zijn wijdlopig en breken het ritme van de voorstelling. Van Woensels dialogen bevatten vulsel en zijn tirades klinken soms amechtig. Paradoxaal genoeg echter versterken deze factoren het centrale thema van identiteitsverlies en onrust.

Het ensemblespel van Dood Paard stoelt op de combinatie van de agressief-fysieke aanpak van Van Woensel/Bakker met het statische, hysterische dédain van Topper. Gillis Biesheuvel weet zich in te passen, maar gastactrice Sara de Roo lijkt niet steeds bereid het gevecht aan te gaan en valt dan terug op Stan-automatismen, die haar personage binnen Wie… dan op een zijspoor plaatsen.

recensie
Leestijd 3 — 6 minuten

#59

15.03.1997

14.06.1997

Peter De Jonge

recensie