‘Dantons Dood’ door Joost van Hezik bij Toneelschuur Producties © Wikke van Houwelingen

Camille Creyghton

Leestijd 8 — 11 minuten

Hebben we de guillotine nodig?

Tweemaal Daltons Dood

Büchners stuk over de strijd tussen Danton en Robespierre ten tijde van de Franse Revolutie is in deze tijden van activisme en protest nog steeds actueel. Dat is ook Joost van Hezik en Johan Simons niet ontgaan. Camille Creyghton analyseert en vergelijkt hun totaal verschillende interpretaties.

Een loodzwaar ideeëndrama, gebaseerd op historische feiten van meer dan tweehonderd jaar geleden, dat is Dantons dood van Georg Büchner. Maar het is ook onverminderd actu­eel, omdat de politieke en morele dilemma’s over de maakbaarheid van de samenleving en de betekenis van vrijheid, die zich in de Franse Revolutie in alle scherpte articuleerden, in het licht van de huidige crisis opnieuw aan de orde zijn. Niet toevallig is Dantons dood dit sei­zoen twee keer te zien in Nederland – terwijl Occupy zachtjes nasmeult en de revolutie in Egypte danig uit de hand loopt. In zeer ver­schillende ensceneringen: de jonge maker en ex-Occupyer Joost van Hezik ensceneerde bij de Toneelschuur een radicaal bewerkte Oerol­ versie; Johan Simons maakte een op Peter Sloterdijk en Michel Houellebecq geïnspireer­de interpretatie bij Toneelgroep Amsterdam.

Büchners stuk verhaalt de episode uit de Franse Revolutie waarin de twee oude kamera­den Danton en Robespierre begin 1794 radicaal tegenover elkaar komen te staan. Danton wil aan het bloedvergieten een einde maken en een republiek instellen; Robespierre meent dat die republiek geen kans van slagen  heeft  zolang er nog vijanden van de revolutie in leven zijn. En daarom is Danton voor hem een van die vijanden geworden, die uit de weg moet worden geruimd, samen met een aantal medestanders waaronder pamflettist Camille Desmoulins. Büchner schreef het stuk dertig jaar na de feiten en mede op basis van zijn eigen ervaringen als mislukte revolutionair. Twee jaar voordien had hij in een pamflet de boeren in Hessen opgeroepen om in opstand te komen, maar achteraf twijfelde hij over de juistheid van die oproep. Voor Dantons dood maakte hij gebruik van di­verse historische bronnen. Hele stukken uit de redevoeringen van de revolutionairen nam hij letterlijk over in zijn stuk.

Je kunt Dantons dood niet spelen zonder je maatschappelijke positie als theatermaker te bevragen. De keuze voor het stuk is een politiek statement op zichzelf. Maar de ambi­guïteit van Büchners stuk, het feit dat de auteur zelf eigenlijk geen morele oordelen velt over de personages, maakt dat de keuzes van de regisseur zeer bepalend zijn voor de poli­tieke boodschap die wordt uitgedragen. Dat impliceert overigens niet dat een regisseur zou moeten kiezen tussen Danton of Robespierre.

Occupy in het theater

Dat laatste lijkt Joost van Hezik wel te doen. Hij regisseerde in de zomer van 2013 een radicale bewerking van Dantons dood, die op locatie werd opgevoerd op Oerol en in de kelder van Amster­dam Centraal – tussen de bouwmaterialen – op het Over het IJ Festival in Amsterdam. ‘Radi­caal’ moet hier in de dubbele betekenis gelezen warden: de tekst van het stuk is ingrijpend bewerkt, maar bovenal heeft Van Hezik er een zeer activistisch stuk van gemaakt. Naar eigen zeggen vormt deze regie het begin van een vierluik rand het thema ‘revolutie’ waarvoor hij inspiratie vond tijdens een reis naar Egypte, kort na de val van Moebarak.

De enscenering is rauw en vanaf het begin bloederig. Het stuk opent met de Marseillaise en iedereen die het kent mag meezingen. De vijf acteurs zijn geschminkt in een zwart-wit dat veel weg heeft van het Guy Fawkes-masker van de Occupy-beweging. Liters rode verf en het steeds echoënde ‘september!’, dat verwijst naar een bloedbad uit 1792 waarvoor Danton zich medeverantwoordelijk voelt, roepen het revolutionaire geweld op. Er wordt gespeeld dat het een lieve lust is, maar die lust is ook wreed. Aan het einde loopt bijna iedereen rand met een lekkende rode streep in zijn hals.

Tekstbewerker Timen Jan Veenstra heeft flink gesnoeid in de tekst en de volgorde van de scènes soms veranderd om de dramatische handeling te vereenvoudigen en  daardoor een meer geserreerd karakter te geven. Maar zijn voornaamste ingreep bestaat erin dat hij Büchner zelf een rol geeft en zo een reflexieve dimensie toevoegt aan het stuk. Vanuit de hoogte declameert de schrijver stukken uit zijn brieven en zijn pamflet, waarmee hij reflecteert op het revolutionaire gebeuren dat zich onder hem voltrekt. Omdat Buchner en Camille Desmoulins door dezelfde acteur gespeeld warden, lijkt de schrijver zich met de revolutionaire pamflettist te vereenzelvigen.

In Veenstra’s tekstbewerking komt Robespierre er gunstiger uit dan in het origineel, doordat de scherpste uithalen over de deugdzaamheid van terreur zijn wegge­masseerd. Danton daarentegen wordt zeer nadrukkelijk als hedonist neergezet: meer dan morele twijfel over het moorden is het verlangen naar vrouwen en drank voor hem de reden om er de brui aan te geven. De citaten uit Büchners brieven, waarin de auteur zijn twijfels uitspreekt over de revolutie, vormen daarom het nodige tegenwicht. Maar ondanks dat commentaar van de schrijver is dit een uiterst revolutionaire Dantons dood.

Het is duidelijk dat Van Hezik het publiek wil oproepen niet alleen maar publiek te zijn. Is dat de reden dat hij zijn voorstelling niet graag in een schouwburg plaatst? Die burgerlijke omgeving zou Danton te veel het voordeel van de twijfel gunnen. Het gaat Van Hezik om de vraag waarom de grote zwijgende meerderheid in het Westen  niet opstaat, hoe het komt dat we niet meer geloven dat we iets aan de wereld kunnen veranderen en waarom we vergeten zijn dat elke verandering uiteindelijk begint bij mensen die in actie komen. Vandaar dat het publiek tegen het einde krijgt toegebeten of het ‘iets denkt te veranderen door naar avant-gar­distisch locatietheater te gaan zitten kijken?’

Intussen lijkt me de vraag die Danton zich in  het stuk steeds stelt, en die Robespierre niet wil stellen, wel relevant, namelijk hoe je in hemelsnaam een revolutie beëindigt en het moorden stopt. Of moeten we voor lief nemen dat het ook in Egypte, in Syrie en in Oekraïne alweer niet zonder overvloedig bloedvergieten blijkt te kunnen? Achter Dantons hedonisme schuilt ook een liberale prudentie die uitein­delijk door veel van ons gedeeld wordt. De gedachte dat we niet het recht hebben onze persoonlijke blauwdrukken voor een betere wereld met geweld aan anderen op te dringen en dat het doel de middelen niet heiligt. Dat is waarschijnlijk de reden dat we terugschrikken voor het activisme waartoe Van Hezik oproept. Büchners stuk kan evengoed vanuit die ge­dachte gelezen worden.

De nieuwe mens

De scepsis tegenover de mogelijkheid van een revolutie die niet ontaardt vormt het uitgangspunt voor de enscenering van Johan Simons. Hij vertrekt vanuit de vraag wat een revolutie vandaag nog kan zijn: ‘Wat is het dat in ons liegt, hoereert, steelt en moordt?’ Deze vertwij­felde uitroep van Danton vormt voor Simons het brandpunt van het stuk. En daarmee wordt het hele stuk, ondanks alles, een ‘eerbetoon aan de mens’, zoals Robespierre aan het einde verklaart. Een laatste eerbetoon, dat wel. Want als de vraag naar de mogelijkheid van een revo­lutie al een antwoord kan krijgen, dan zal dat volgens Simons gevonden moeten warden in het werk van de schrijver Michel Houellebecq en van filosoof Peter Sloterdijk over de nieuwe mens. Deze nieuwe mens, die het resultaat zal zijn van genetische verbetering van de soort, zal niet meer liegen, hoereren, stelen en moorden. Maar het is twijfelachtig of Simons er zelf in gelooft. Moeten we een hele generatie opof­feren voor een ongewis utopia?

Het aanknopingspunt voor deze gedachten vond Simons in de rede van Saint-Just waarmee deze jonge radicale souffleur van Robespierre de veroordeling van Danton van een metafysische verantwoording voorziet. Daarom verplaatst hij deze rede naar het begin, zodat ze het statement voor het gehele stuk wordt. Waar­om, vraagt Saint-Just retorisch, zou een morele revolutie meer scrupules moeten hebben dan de natuur die in haar ontwikkeling zonder aanzien des persoons duizenden slachtoffers maakt? Dit fatalisme leidt in feite tot dezelfde conclusie als de filosofie van Sloterdijk: het is de menselijke natuur die moet worden veranderd, anders wordt het nooit wat. Het alternatief is, zoals Danton, te accepteren dat we altijd blijven tobben. Maar eigenlijk lijkt alleen Saint-Just erin te geloven, en weet Robespierre het alle­ maal niet zo zeker meer. Bij Simons is het niet Danton die twijfelt – die heeft het besluit zich terug te trekken al genomen – maar Robespier­re, die dan ook van Danton het verwijt krijgt dat hij liegt. Op deze manier wordt Saint-Just de echte kwade genius, zonder wie Robespierre uiteindelijk niet durft.

Jammer is wel dat hij Saint-Just laat spelen door Halina Reijn, de enige vrouw die in een maagdelijk witte jurk ook alle vrouwenrol­len voor haar rekening neemt en daarmee de tegenspeelster wordt van de mannelijke kemphanen. In de rol van Julie, de vrouw van Danton, verzucht zij dat de wereld beter af zou zijn en minder gewelddadig als er geen mannen waren. Ook als Lucile, de vrouw van Camille Desmoulins, of als Marion, het hoer­tje, relativeert zij veeleer het belang van de revolutie en laat ze zien welke schade erdoor wordt aangericht. Maar die boodschap lijkt ze in de rol van de gewetenloze Saint-Just tegen te spreken. In dezelfde witte jurk moedigt ze doodkalm Robespierre aan over lijken te gaan. Is Maria hier Eva geworden, zonder wie Adam ook nooit kwaad zou hebben begaan? Is het hier uiteindelijk toch alweer de vrouw die het allemaal gedaan heeft?

Met zijn beschouwingen over de nieuwe mens heeft Simons er een onverbloemd idee­ënstuk van gemaakt, waarin het drama soms wordt opgeofferd ten voordele van de filosofi­sche reflectie. Waar Van Hezik het drama meer focus geeft, voegt Simons uitweidingen toe. Daarmee vergt hij veel van de toeschouwer, voor iemand die de geschiedenis niet kent vermoedelijk te veel. De tekst van Büchner is herschikt en aangevuld met fragmenten van onder anderen Camus, Houellebecq en De Sade. Bovendien heeft Simons er een gedach­te-experiment van gemaakt: het publiek kijkt niet naar een episode uit de Franse Revolutie maar naar acteurs die zich in een buurthuis bevinden en zich de vraag stellen hoe je zo’n episode zou moeten spelen. Vandaar de aanwe­ zigheid van tekstbundels op het toneel waar­ uit soms gelezen wordt alsof we nog in het repetitieproces zitten. Ook de grote redevoe­ring waarin Robespierre Danton aanklaagt, is verplaatst van de Nationale Conventie naar een repetitielokaal, waar Gijs Scholten van Aschat de tekst op bedaarde wijze repeteert, zorgvuldig de woorden proevend om hun uit­ werking te testen.

Nadeel van deze aanpak is dat ze een ze­ kere afstandelijkheid creëert. Het tonen van de zoektocht van de acteurs is een vaker ge­bruikte strategie om niet-eigentijdse  teksten te spelen, maar ze kan leiden tot een vervelend soort hermetisme; een gevaar dat hier maar ternauwernood wordt afgewend door het in­tense spel. Maar waarom het volk in 1794 door precies deze tekst van Robespierre in bloed­dorstige vervoering raakte is niet meer na te voelen. Anderzijds komt zo de verdedigingsre­de van Danton, waarin het ineens wel menens is, scherp uit. Hier staat iemand die gelooft wat hij zegt, in elk geval op dit moment, ter­ wijl we dat van Robespierre, de deugdzame en onomkoopbare, nog niet zo zeker weten.

De stem van het volk

Zowel Van Hezik als Simons hebben het aantal acteurs flink teruggebracht. Beiden moesten dus een oplossing verzinnen voor de rol van het volk, die in de tekst van Büchner zeer belang­rijk is omdat het lot van Danton afhangt van de stemming onder de burgers. Simons’ opzet van een gedachte-experiment vraagt erom dat de vierde wand in stand blijft. Daarom neemt Benny Claessens de stem van het volk voor zijn rekening op een video-opname waarvan het statische karakter de halsstarrigheid van de woorden onderstreept. Maar het volk is ook fysiek aanwezig: theatermaakster Adelheid Roosen heeft elke avond honderd mensen van allerlei afkomst en pluimage uitgenodigd die normaal zelden in het theater komen. Enkelen van hen scharrelen nu en dan over het toneel, koken zwijgend een potje soep en kijken toe.

Halverwege banjert de hele meute het toneel­stuk binnen, om via de deuren in het decor weer te verdwijnen. Op het moment dat Robespierre, helemaal aan het einde, het eerbetoon aan de mens bezegelt, komen ze opnieuw op en nemen het toneel in bezit. Ze beginnen slaapzakken uit te rollen en onder luid gejoel hun pyjama aan te trekken. En dan is het toch de oude, feil­bare mens die overblijft, of in elk geval de mens waarvan Camus zegt dat hij ‘in plaats van te doden en te moorden om het wezen te creëren dat we niet zijn, moet leven en laten !even om te creëren wat we zijn.’

Helemaal anders gaat het eraan toe bij Van Hezik. In zijn versie stelt Robespierre aan het einde het publiek voor de keuze: hier blijven en de terechtstelling van Danton bekijken, of meegaan, het station in, om de wereld te veranderen. Voor hem is een revolutie in het theater niet genoeg. Dat de meeste mensen – ook ik – meeliepen, was waarschijnlijk vooral uit nieuwsgierigheid: Dantons executie is tamelijk voorspelbaar;  water in dat station zou gaan gebeuren niet. Buiten gekomen wordt aan iedereen de vraag gesteld: ‘zonder wie zou de wereld beter af zijn?’ Ik heb maar ‘revolutionaire heethoofden’  opgeschreven. De guillotine lijkt mij toch meer iets voor het theater. Laat dat de plaats zijn waar we de con­sequenties van revoluties en utopieën kunnen onderzoeken. De geschiedenis wijst helaas uit dat de gevolgen van dergelijke plannen daar­ buiten meestal niet te overzien zijn.

www.toneelschuur.nl

www.tga.nl

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#137

15.06.2014

14.09.2014

Camille Creyghton

artikel