‘Hamlet vs Hamlet’ © Jan Versweyveld

Johan Thielemans

Leestijd 7 — 10 minuten

Hamlet vs Hamlet

Guy Cassiers/Toneelhuis & Toneelgroep Amsterdam.

Probeer Shakespeare te vergeten, laat hem als een schim of schaduw toe, maar stel je open voor het verhaal van Tom Lanoye. Er was eens een prins, jong, adolescent en ongelukkig in het leven. De geest van zijn vader zegt vermoord te zijn. Oom Claudius is de dader. De jonge man krijgt de opdracht deze boze daad te herstellen. De opdracht vanuit het geestenrijk zal prins Hamlet niet onmiddellijk vervullen, want eerst zal hij trachten uit te vissen of de informa­tie juist is, pas dan zal hij tot actie over­ gaan. Tot daar blijft Lanoye dicht bij Shakespeare, al laat hij naast de geest van de koning ook de geest van de dode nar Yorick optreden.

Maar dan komen er interessante verschuivingen in hetverhaal: Claudius, niet alleen de moordenaar van Hamlets vader maar inmiddels ook de echtgenoot van Hamlets moeder, meldt tijdens zijn kroonrede dat het beleid nu in goede handen is. Gelukkig maar, want het land wordt bedreigd, er is kans op oorlog. Men heeft een doortastende vorst nodig en zijn broer was dat niet. Zijn ontijdige dood is een welkome zegen voor het land. Claudius als efficiënte machthebber wordt later nog een belangrijk thema. Deze Claudius heeft een soort eerste minister, Polonius. Deze raadgever en zijn familie zal Lanoye anders inkleuren, wellicht in een poging om de personages interessanter en ook meer hedendaags te maken. Het huisgezin is een poel van verderf. Laertes en Ophelia, broer en zus, hebben een innige, incestueuze band, en ook de vader wordt sterk door dochter Ophelia aangetrokken. Zoon Laertes is daarbij een vechtersbaas, die niets liever doet dan vechten voor het vaderland. Tus­sen vader en zoon knettert het, en de zoon wordt het huis uitgestuurd met de woor­den: ‘Vertoon je nooit opnieuw aan onze zijde!’ Eens de zoon weg is, kan vader Polonius beter voor zijn dochter zorgen.

Terug naar Hamlet: er verschijnen twee vrienden, Rozenkrantz en Guildenstern, die vertellen dat er toneel­spelers langskomen. Hamlet laat ze een stuk opvoeren waarin de moord op zijn vader wordt nagespeeld. De koning onderbreekt de voorstelling en stormt weg. Al is Hamlet nu overtuigd van de ware toedracht, toch gaat hij niet tot de daad over. We horen ook Claudius, alleen nu, en sterk geroerd: hij heeft begrepen dat de moord aan het licht is gekomen. Hij zwelgt in wroeging, maar verant­woordt zich. Zijn broer, de koning, was een zwak iemand. De staat had een vaste hand nodig. Hij heeft de beslissing genomen om een politieke moord te begaan voor het nut van het algemeen. Met het land gaat het nu goed, maar voor de nieuwe koning dreigt onheil. Lanoye vraagt, een beetje pervers, begrip voor het verantwoordelijkheidsgevoel van Claudius: de broederband is minder belangrijk dan het heil van het volk. Dat alles staat loodrecht op de overtuiging van Hamlet, die in de slaapkamer van zijn moeder de twee broers vergelijkt. Hij ziet zijn vader nog steeds als ideaal en de nieuwe koning als een minder­waardig sujet. De twee versies over Clau­dius blijven in het stuk tegenover elkaar staan. Tijdens de verhitte conversatie tussen moeder en zoon steekt Hamlet Polonius neer, de trouwe dienaar die aan het luistervinken was.

Het is tijd voor het uitvoeren van de wraak. Maar Claudius komt in actie en stuurt Hamlet met zijn twee vrienden naar het front. ‘Soms is een oorlog wat een land vandoen heeft,’ zegt Rozenkrantz instemmend. Zij gaan echter op weg naar hun dood; Hamlet keert ongedeerd terug. Ook Laertes komt van deoorlog terug en is in een moordmachine veranderd. Hij zal zowel zijn zus als koning Claudius en Gertrude over de kling jagen. Dat zijn zus gek is geworden van verdriet, kan hij niet aanzien. Voor koning Claudius heeft hij alleen misprijzen: de soldaat die van de oorlog terugkomt is tot gevaarlijke politieke inzichten gekomen, en daarom doodt Laertes koning Claudius. Zijn daad is overgedetermineerd.Hij weet dat Ham­let klaar staat om wraak te nemen, maar dat plezier wil hij hem niet gunnen. Twee redenen om Claudius om te brengen. In zijn razernij steekt hij ook Gertrude neer, omdat Laertes ‘zijn wrok wil vertroetelen’. Wanneer Hamlet op het toneel verschijnt, daagt Laertes hem uit, maar in dat duel pleegt Laertes zelfmoord.

Hamlet staat met lege handen, zijn taak heeft hij niet kunnen uitvoeren. Wat staat hem nu te doen? Een volwas­sen persoon worden, of zelfmoord plegen – hij speelde toch al met de gedachte. Op dat kritische moment valt het doek: de toeschouwer mag zelf beslissen wat hij het waarschijnlijkste vindt. Hamlet sluit af met de formule: ‘Ik ben’ – een einde of een nieuw begin? De stap naar de volwassenheid?

Uit de synopsis blijkt dat Lanoye zich in het eerste deel dicht bij Shakespeare heeft gehouden, maar in het tweede deel zijn eigen gang is gegaan. De grootste ingreep geldt Laertes. Bij Shakespeare is hij een kleurloze student, hier is hij een mili­tair. Dat weet Lanoye in de laatste scènes uit te werken, door het effect van de slachtpartij aan het front op Laertes’ persoonlijkheid te laten inwerken. Dat levert echo’s op van Amerikaanse veteranen en hun psychische problemen na hun dienst in Irak of Afghanistan. Technisch gezien heeft Lanoye ook een oplossing om de complexe duelscene uit Shakespeares stuk uit de weg te gaan. Een seriemoor­denaar is moderner dan een degen­virtuoos. Er zijn ook kleinere wijzi­gingen. Rozenkrantz en Guildenstern zijn bij Shakespeare vrij onpersoonlijk, maar Lanoye tracht een rijker portret te schetsen door Guildenstern even de kant van Hamlet te laten kiezen voor­aleer hij ten oorlog trekt. Dat is inte­ressant, want het toont aan dat Lanoye over elk personage heeft nagedacht en heeft gezocht naar een verdere ontwik­keling van de karakters.

Heel ver wijkt hij van Shakespeare af wat betreft het element ‘geest’. Dat de geest van de nar Yorick van bij het begin over het toneel zwerft is een van de min­der gelukkige invallen. Lanoye heeft het in de openingsscène tussen Hamlet en Yorick over de doden: ‘Ze zweven eeuwig tussen hel en hemel’. Waar de toeschouwer dat moet plaatsen met be­trekking tot ‘de waarheid’ waarop Yorick zich beroept, is een raadsel. We zitten hiermee eerder in een poëtisch dan in een rauw realistisch kader. Hiermee verliest het stuk een belangrijke band met de realiteit (toch volgens een brave rationalist). Het staat ook haaks op Lanoyes paging om het gegeven precies meer in de alledaagsheid te verankeren: het politieke conflict bij Claudius, de gezinsperikelen bij Polonius en het knagende geweten van Guildenstern, dat alles zit in een ander register. lets hedendaags botst op iets uit vroegere tijden.

Heel ingrijpend heeft Lanoye de figuur van Claudius verdiept door zijn politieke rol te beklemtonen. Zo is Claudius een goede, efficiënte politicus die een noodlottige en radicale daad moest stellen. Over deze onbegrepen vorst loont het de moeite om na te denken, want het toont hoe mensen goedbedoelend fatale vergissingen begaan. Hier combineert Lanoye op interessante wijze een freudiaanse met een politieke lijn. Hij pikt een punt op bij Shakespeare en gaat ermee aan het tollen. De elizabethaanse Hamlet vraagt aan de rondreizende spelers om een mooie monoloog op te zeggen rond de oorlog van Troje. Bij Lanoye wordt dit vervangen door een hele intertekstuele passage, waarbij Yorick de spelleider is en verschillende personages – nu als geest – citeren uit Hendrik V, Romeo Julia, Mamma Medea en Richaar Deuxieme. Daarmee wordt deze Hamlet helemaal ‘literatuur’ en kan men de bewerker niet vrijpleiten van enige ijdelheid. De verschillende teksten krijgen van deze Hamlet als afsluitende  opmerking: ‘Er is iets aan het rotten in ons land.’ Tot drie keer toe, daar waar Shakespeare het maar één keer liet zeggen en de woorden meteen een ‘beroemd’ citaat werden.

De grootste kwaliteit van de bewerking is de taal: Lanoye doorspekt die met nieuwe beelden en vergelijkingen. Dat levert een soort moderne barok op. Belangrijke scènes, zoals de slaapkamerscène, worden even anders aangepakt, met groot effect. Dat zijn de gelukkige momenten van deze Hamlet vs Hamlet. De nieuwe elementen van het verhaal zijn overtuigend en zeker zo interessant als hetgeen er in de originele versie staat. Het is boeiend om te zien hoe de verbeelding van Shakespeare deze van zijn bewerker heeft aangestoken, tot de verbeelding van de hedendaagse schrijver zelfs de overhand neemt.

Regisseur Guy Cassiers beschikte over een uitdagende tekst voor zijn confron­tatie met een van de theaterkathedralen van de canon. In zijn Hamlet zet hij vol­ledig in op de acteurs. Zijn eigen stijl, met veel dwingend videomateriaal, gebruikt hij schaars en doeltreffend om tot een sombere vertoning te komen. Zwart overheerst, zowel in de toneelruimte waarbinnen alles zich afspeelt als in de kostuums. Tweemaal is er een komisch tafereel dat even de drukkende atmosfeer doorbreekt. Voor het stuk in het stuk, waarbij de spelers de moord op de koning naspelen, heeft Cassiers geopteerd voor een kleine voorstelling in een pop­pentheater. Marc Van Eeghem en Kevin Janssens gaan helemaal uit de bol. Maar deze komedie straalt weinig dreiging uit. Wanneer Claudius wegstormt maakt dit minder indruk, ook al omdat hij zo opge­steld is dat het publiek zijn aanwezigheid slechts vermoedt. De grafdelverscène is bij Shakespeare een bitterkomisch moment.

In zijn bewerking heeft Lanoye er nieuwe grappen en grollen aan toegevoegd, wat de scène nodeloos lang maakt. Maar dezelfde twee acteurs, in een dubbelrol, hebben de scène naar hun hand gezet en grijpen terug naar een oude grap (de Chinees die ‘Wie’ heet) waarmee ze een spontane lach bij het publiek opwekken. Dat even later de schedel van Yorick wordt opgedolven is wat verwarrend omdat Cassiers de schim Yorick in het graf laat zien (een zwervende Katelijne Darnen). Na dit intermezzo komt de dramatische afloop met de aankomst van Laertes hard aan.

De voorstelling valt uit elkaar in twee delen. Zo begint ze met acteurs die sterk aan hun plaats gebonden zijn, mooi op­ gesteld als sprekende standbeelden in de ruimte. Dit statische gegeven, dat soms als een keurslijf de voorstelling beknelt, creëert een klassieke sfeer. Het tweede deel vangt aan met de confrontatie met moeder Gertrude. Plots laat Cassiers zijn acteurs vrij. Dat komtde dramatiek sterk ten goede. Jekrijgt in het geval van Abke Haring een andere Hamlet te zien. De stijfheid valt van haar schouders en wan­ neer ze tegenover Chris Nietvelt staat, geeft dat een elektrisch geladen dialoog.

Deze voorstelling wordt gedragen door een groep acteurs die alle even sterk zijn. Natuurlijk is de Hamletvertolking van Abke Haring het meest indrukwek­kend. Vanaf de eerste woorden staat ze als een gespannen veer op het toneel, en deze intensiteit, vol van nuances, houdt ze drie uur vol. Al wordt er door Lanoye erg op gedrukt dat de androgyne kwaliteit van de actrice hem aanspoorde om Hamlet te bewerken, toch vergeet je vanaf het eerste ogenblik dat een vrouw de rol van de droeve prins speelt. Hier staat een jonge man, innerlijk verscheurd, iemand die de wereld recht wil trekken, maar daar in deze versie niet in slaagt.

Johan Van Assche krijgt van Lanoye een rol die hem toestaat om niet ‘de machiavellistische schurk’ te spelen en hij grijpt die kans met beide handen aan om een menselijke vorst uit te beel­den. Even sterk is Chris Nietvelt als de moeder. Ze staat aan de zijde van haar nieuwe man als een gedweeë echtge­note, maar komt sterk over wanneer ze haar zoon tot de orde roept. Roeland Fernhout is de dubieuze Polonius, naast Gaite Jansen als zijn gekwelde dochter en Eelco Smits als opstandige zoon die droomt van actie. Het duo Marc Van Eeghem en Kevin Janssens is bijzonder goed op dreef en verrast met geestige scènes. Katelijne Damen moet enkel aanwezig zijn, dwalend over het toneel, als een geest zonder bepaalde opdracht.

Hamlet vs Hamlet maakt indruk en getuigt van de verbeeldingskracht van Lanoye. De tandem Shakespeare/Lanoye deed regisseur Cassiers bovendien een nieuwe weg inslaan, die vruchten afwerpt. Na de halve miskleun MCBTH, een voorstelling die te fel gebukt ging onder concepten en zo zijn onmiddel­lijke, spontane werking verloor, is dit een welkom en overtuigend bewijs dat Cas­siers de rijkdom van Shakespeare volledig recht kan doen.

www.toneelhuis.be

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#137

15.06.2014

14.09.2014

Johan Thielemans

Johan Thielemans stond mee aan de wieg van Etcetera. Hij doceerde aan de tolkenschool Gent en is nu gastprofessor theatergeschiedenis aan het Conservatorium van Antwerpen. Hij schreef boeken over Hugo Claus en Gerard Mortier, creëerde twee operalibretto’s en maakte uitzendingen over Amerikaanse cultuur voor Radio 3. Hij was ook voorzitter van de Theatercommissie en van de Raad voor Kunsten.

recensie