Charles Ntampaka

Leestijd 9 — 12 minuten

GUTEREKERA

Charles Ntampaka over de verplichtingen van de levenden tegenover de doden, over de solidariteit tegenover de dood in Rwanda…

De volkerenmoord en de misdaden die in Rwanda werden begaan, hebben hun stempel gedrukt op de geest van de bevolking en hun angst voor de doden nog versterkt. Sommige doden kregen geen graf, anderen zijn gestorven in dramatische omstandigheden, ver van hun dierbaren… De meeste Rwandezen vluchten in Kerken, in sekten, om te vergeten. Anderen doen een beroep op zieners om het kwaad te bezweren. Sommigen nemen wraak uit plichtsbewustzijn, om hun familie trouw te blijven, terwijl voor anderen slechtheid het enige motief is. De verzoening waarnaar gestreefd wordt, is nog lang niet verworven. De voorgestelde maatregelen komen uit een andere samenleving, meer bepaald de Europese, en houden geen rekening met de leefwereld van de mensen en hun traditionele bekommeringen. Het berokkende kwaad is zo erg dat het moeilijk in te dijken is zonder te putten uit de culturele wortels van de bevolking en de religieuze overtuigingen.

Elk verschijnsel – zelfs uit de natuur – kan alleen maar worden  verklaard door de interventie van een goedaardige of kwaadaardige kracht. Wanneer het niet genoeg regent, wordt de droogte verklaard door de aanwezigheid van een tovenaar of de overtreding van een taboe. Voor de samenleving echt gaat lijden onder het fenomeen, moet men de schuldige zoeken en straffen. Ingeval van lichamelijke ziekte heeft de zieke zeker een verbod overtreden. Hij moet worden gezuiverd. Opdat hij zou genezen, moet men de voorouders aanroepen. Hoewel de mensen dit volkse geloof niet meer aanhangen, zijn ze er nog steeds bang voor.

De jurisdictie laat gerechtigheid geschieden aan de hand van het recht, maar noch de beschuldigden, noch de slachtoffers zijn tevreden. De wraak gaat verder, zelfs nadat een schadeloosstelling of een vrijspraak werd uitgesproken. Volgens het volkse gemeengoed moet het Recht wortelen in het volksgeloof, in de filosofie van het leven, in de banden tussen levenden en doden en in de banden tussen de levenden zelf. De bestaande regels zijn vreemd aan hun opvatting van het recht. Een regel wordt pas een voor iedereen verplichte wet als ze is doorgegeven door de voorouders en precies omdat ze van de voorouders afkomstig is. Het is dan ook duidelijk waarom het zo moeilijk is recht te spreken in een land waar zoveel doden gevallen zijn en waar de regels totaal buiten het leven van de bevolking staan.

De structuur van de familiale banden

Het is moeilijk de opvatting van het hiernamaals in Rwanda te begrijpen zonder inzicht te hebben in de familiale structuur, de rechten en plichten binnen een groep van verwanten. De traditionele familie beperkt zich niet tot een man, een vrouw en hun kinderen, maar omvat een veel groter geheel. Alle bloedverwanten die door afstamming met een gemeenschappelijke voorouder verbonden zijn, vormen een familie.

De solidariteit tussen de leden wordt onderhouden door spreekwoorden en taboes die de jongeren worden geleerd en voortdurend herhaald. De niet-naleving van deze geboden veroorzaakt bovennatuurlijke sancties. De familieoudste of patriarch neemt de functie van familiehoofd waar. Hij staat borg voor de eendracht en de solidariteit tussen de leden. Solidariteit betekent meer dan een gewoonteregel: het is een moreel principe waarin men sterk gelooft.

Deze solidariteit verbindt niet alleen de levenden onderling, maar ook de levenden en de doden. Naargelang de omvang van de familiale groep zijn de banden min of meer sterk. Hoe groter de groep, hoe minder goed de leden elkaar kennen. De banden van solidariteit worden dan losser en er verschijnen zelfs persoonlijke ambities. De afstammelingen van een zelfde voorvader beschikken over een gemeenschappelijk familiedomein dat wordt beheerd door het familiehoofd. Deze patriarch wordt meestal door de leden erkend als de oudste die het dichtst bij de voorvaderen staat. Hij vertegenwoordigt de familie ten opzichte van de politieke overheid. Het familiehoofd wordt eveneens erkend als rechter bij alle conflicten tussen de leden van de familie en tussen hen en andere families.

Binnen de familie bestaan twee soorten banden: enerzijds zijn er de verticale relaties tussen de generaties en anderzijds de horizontale relaties tussen leden van dezelfde generatie. De relaties tussen de verschillende generaties omvatten ondergeschikte verhoudingen en worden gekleurd door eerbiedige vrees. Elke generatie is ondergeschikt aan diegene die boven haar staan omdat ze al eerder bestonden. Deze onderworpenheid in de relaties tussen een individu en een lid van een oudere generatie valt te verklaren doordat de ouderen verplicht zijn de verantwoordelijkheid op te nemen voor daden van de jongeren die de hele familie als groep verantwoordelijk kunnen maken en de samenhang in het gedrang brengen. Het is ook een manier om de individuele daden ondergeschikt te maken aan de groepsbelangen. Het gevoel tot een groep te behoren en de mystieke invloed ervan op elk van de leden verzacht in een bepaalde mate de aspiraties en verantwoordelijkheden van het individuele geweten.

Solidariteit ten opzichte van de dood

De dood is een pijnlijke gebeurtenis. De dode is omringd door verwanten en buren, maar zijn lichaam telt nauwelijks, want de familie ontdoet zich ervan vlak na het overlijden, voordat het koud is. Volgens de begrafenispraktijken in Rwanda Legt men de dode op zijn zijde, met opgetrokken benen en gebogen armen, zoals een baby in de moederschoot. Dat gebeurt onmiddellijk na het overlijden.

De dag van het overlijden worden alle buren en alle familieleden verwittigd. Al het werk wordt die dag onderbroken om aan te duiden dat men in rouw is. Die dag heet umusibo, wat letterlijk ‘de dag van de onderbreking van de activiteiten’ betekent. Vroeger dacht men dat de niet-naleving van dit taboe zware gevolgen zou hebben voor de schuldige, maar ook voor zijn land. Men kon ervan worden verdacht verantwoordelijk te zijn voor het overlijden (tovenarij, vergiftiging,…), omdat ongeluk in Rwanda altijd veroorzaakt wordt door het overtreden van een taboe of een kwaadwillige daad. Ook natuurrampen kunnen plaatsvinden na het overtreden van een taboe. Dan komen er meer bepaald stortregens, hagel of bliksem die inslaat op mensen of vee, ziekte, enz.

Pas sinds kort worden de doden op het kerkhof begraven. Deze praktijk werd ingevoerd onder het Belgische bewind. Vroeger hadden enkel de koningen een bekende en beschermde begraafplaats. De andere mensen werden in hun huis of op hun domein begraven. Bepaalde overledenen werden in afgelegen struiken of rotsen achtergelaten, waar ze verslonden werden door wilde dieren. Nadat de kerkhoven waren ingevoerd, verplichtten sommige autoriteiten de bevolking haar doden daar te begraven. Andere instanties deden deze regel niet naleven en in die gebieden begraaft men de overledenen nog vaak op familiale grond. Men kan niet spreken van een begrafenisritueel, behalve dan voor de koning. Diens begrafenisritueel wordt generatie na generatie doorgegeven via de bewakers van de hoftradities. Toch is er een aantal gebruiken. Een zwangere vrouw wordt bijvoorbeeld nooit begraven zonder dat men eerst de foetus heeft weggehaald. Die krijgt een naam voor zijn begrafenis. Slechts weinige Rwandezen durfden trouwens een dode aan te raken, en zeker geen menselijke beenderen. Er wordt gezegd dat de tovenaars ‘s nachts op het kerkhof menselijke beenderen gaan opgraven om ze bij hun wandaden te gebruiken.

Volgens Rwandese verhalen zou de dood niet altijd hebben bestaan. Ze zou zijn ontstaan uit de jaloezie van een vrouw van een polygame man. De doden moesten na enkele dagen weer levend worden. Toen haar dode rivale uit haar graf wilde komen, sloeg de andere vrouw haar op het hoofd en zei: ‘Sterf! Diegenen die dood zijn worden niet meer levend.’ Zo zou de definitieve dood ontstaan zijn. Door hun angst voor de dood durven mensen niet over de dood praten. Er wordt niet gezegd dat iemand dood is. Voor de koning zegt men yatanze (hij heeft plaatsgemaakt, hij heeft zijn titel doorgegeven aan zijn opvolger). Voor een gewoon iemand zegt men yatabarutse (hij is terug van een opdracht) of yashaje (hij is verouderd), of nog yitabye (hij heeft de oproep beantwoord). Na de invoer van het christendom begon men yitabye Imana (hij heeft de oproep van God beantwoord) te zeggen. Is dit uit angst voor de dood of uit respect voor de overledene? Dat is niet gemakkelijk uit te leggen.

De rouw wordt opgeheven in aanwezigheid van alle familieleden en een zuiveraar. Deze laatste deelt drankjes en smeersels uit om de familie te zuiveren en de zielsrust van de overledene te verzekeren. De kinderen worden volledig kaalgeschoren, de volwassenen knippen hun haar af. De familie komt samen voor een zuiverende ceremonie. Er wordt drank en voedsel uitgedeeld. Vrienden blijven hen bezoeken en brengen bier en voedsel mee.

Verplichtingen tegenover de overledenen

1. De cultus van de geesten der doden

De dode bewaart banden met zijn familie. Zijn afstammelingen of de lagere generaties wijden een cultus aan hem, de guterekera. In Rwanda is een evenement geen geïsoleerd gebeuren. Er is een verklaring nodig, vaak een bovennatuurlijke oorzaak. Elk ongeluk wordt veroorzaakt door de slechte invloed van een of meerdere doden. Men moet gebruik maken van een ziener. Hij is als enige in staat hun wil te interpreteren en hun verlangens te begrijpen. De ziener gebruikt hiervoor verschillende manieren: hij gooit dierenbeenderen op een bord en interpreteert de schikking ervan, hij verbrandt geitenvet waarbij de richting en de kleur van de vlammen aanwijzingen kunnen geven, hij offert ingewanden van kuikens of schapen, leest de beweging van sprinkhanen of de blik (kuraguza umutwe, letterlijk: de voorspelling van het hoofd). De cultus van de voorvaderen wordt in familieverband georganiseerd door de patriarch. Hij alleen mag de verlangens van de levenden doorgeven aan de overledenen en kan de boze geesten kalmeren. In bepaalde streken worden alle voorspellingen, en meer bepaald de raadpleging van zieners, de cultus in al zijn vormen, in familieverband georganiseerd en geleid door de patriarch om te vermijden dat een afzonderlijke daad negatieve gevolgen zou hebben op de andere leden.

De ziener kan ook precies bepalen welke voorvader aan de basis ligt van het kwaad en wat zijn eisen zijn. Bepaalde geesten nemen genoegen met een gewone cultus (drank, voedsel, en enkele woorden om ze te kalmeren). Dat zijn de beschermende voorvaderen, de abakurambere. Andere zijn hardnekkiger en agressief, meer bepaald de mannen en de meisjes die overlijden voor ze zich hebben voortgeplant, mannen die gestorven zijn ver van hun verwanten en die geen graf kregen. Deze abagwagasi eisen echtgenoten of vrouwen, dierenoffers of de bouw van een hut. Enkel door deze offers te brengen en zich onder de bescherming van de voorouders (abakurambere) en de beschermende familiegeest (ingabwa) te plaatsen, kunnen de belaagden opnieuw rust vinden.

Er bestaan twee categorieën van geesten: de goede geesten van de voorvaderen en de kwade geesten, naar het voorbeeld van de mensen, waaruit alle onheil voortkomt. De goede geesten beschermen het individu en zijn familie. De kwade geesten zwerven overal rond, in de buurt van kerkhoven, bij het Kivu-meer, rond vulkanen, rond de domeinen van hun familieleden. Enkel de ziener kan hen zien. De Rwandezen leven vooral in angst voor kwade geesten. Wanneer men opstaat, moet men dat met de juiste voet doen. Men kan best niet eerst een tovenaar ontmoeten of iemand die als ongeluksbrenger bekend staat (umunyamwaku), enz. Het ongeluk achtervolgt de Rwandezen die voortdurend de bescherming van hun voorouders aanroepen.

2. Wraak is een familieverplichting

De familie is ook verplicht elk lid te wreken dat het slachtoffer is van een andere persoon die niet tot de familie behoort. Wraak is geen gewone vorm van slechtheid, maar een eerbare plicht die bedoeld is om de geest van de overledene te kalmeren. Een ongewroken dood wreekt zichzelf op de familieleden die niet in staat waren de dode te wreken. Hier speelt het godsdienstige geloof dat een ongewroken dood gevaarlijk is voor de levenden. De wraak treft zonder onderscheid alle mannelijke leden van de groep. De verantwoordelijkheid is collectief, met inbegrip van de strafrechterlijke aansprakelijkheid. Elk lid, zelfs wettig, kan de wraak ondergaan en moet de wraak uitdragen naar de andere families. Tussen grote afstammingslijnen kan wraak leiden tot echte kloppartijen. Enkel de koning kon de cirkel van de wraak een halt toeroepen en verzoening eisen. Wie dit niet respecteerde, stelde zich bloot aan de woede van de koning.

3. De praktijk van de zuivering

Bepaalde gebeurtenissen, meer bepaald natuurrampen, de afslachting van kinderen en vrouwen, ongeneeslijke ziekten, zijn zo erg dat de Rwandezen denken dat ze het gevolg zijn van de overtreding van een taboe, een handeling van een onzuivere. Vaak maakte men gebruik van voorspellingen en daarna collectieve zuiveringsacties, amasubyo. Deze religieuze praktijken bevorderen een solidariteit in confrontatie met evenementen en de overtuiging dat de misdadiger bezeten zou zijn door de kwade geesten die hem ertoe aanzetten de samenleving schade te berokkenen. Zonder de criminelen amnestie te geven, dacht de traditionele samenleving dat het beter was ze in de maatschappij op te nemen dan ze uit te sluiten. Zo werd de delinquent tegelijk erkend als een gevaar voor de gemeenschap en als het slachtoffer van een boze geest. De bestraffing van de misdadiger – aanvaard door het slachtoffer of zijn familie – maakt de verzoening mogelijk, des te meer omdat zuivering boze geesten verwijdert en plaatsmaakt voor de goede geesten van de voorvaderen die de nieuwe band zullen beschermen. Deze boze geesten zouden vooral afkomstig zijn van ongewroken familieleden of familieleden die ver van hun familie overleden zijn en geen graf kregen. Het graf is dus erg belangrijk in Rwanda.

Conclusie

Wat ook zijn opleidingsniveau is, elke Rwandees is bang van de geesten der overledenen. De cultus van de voorouders, de raadpleging van zieners, de angst voor taboes, voor de doden,… komen nog steeds vaak voor. In politieke kringen hoort men bijvoorbeeld vaak dat iemand een ziener heeft geraadpleegd, dat iemand naar zijn familie is teruggekeerd voor de cultus van een geest. Deze manier van leven en deze visie op de wereld bepaalt de creatie van bepaalde leefregels, volkse praktijken die soms sterker zijn dan de wet. Zelfs sommigen die beweren dat ze christen zijn, raadplegen soms zieners, ‘omdat men maar nooit weef.

Maar zoals Claudine Vidal zegt, ‘un défunt n’a pas de psychologie, il demeure le thème d’un savoir qui passe dans l’échange verbal, notamment entre devin et consultant, lorsqu’ils procèdent ensemble à un déchiffrage de l’histoire familiale. L’ancêtre n’est ni absent, ni existant, ni existant ailleurs: il attend, présent et passé comme un événement réel à la retraite.

Vertaling: Griet Byl

* D. Nothomb, Un humanisme africain, Bruxelles, Lumen Vitae, 1969.

* G.A. Kouassigan, L’homme et La terre, 1978.

* Claudine Vidal, Enquêtes sur L’histoire et sur l’au-delà Rwanda, 1800-1970, 1984.

 

artikel
Leestijd 9 — 12 minuten

Charles Ntampaka

artikel