Luc Vandeweyer

Leestijd 9 — 12 minuten

‘DE GROTE ZUIVERINGSDAG BREKE AAN IN AL ZIJN WREDE RECHTVAARDIGHEID’

Luc Vandeweyer over voorstellen tot etnische zuiveringen in België. België of het bewuste geheugenverlies.

In de jaren 1990 werd het vroegere Joegoslavië verscheurd door een reeks gewapende conflicten tussen de diverse volksgroepen. Serviërs, Kroaten, moslims en Albanezen verjoegen of vermoordden in gemengde gebieden tal van leden van de andere volksgroepen. De term ‘etnische zuivering’ werd een begrip. In Midden-Afrika werd een gelijkaardige vertoning opgevoerd tussen Hutu’s en Tutsi’s. De verliezen aan mensenlevens waren gruwelijk hoog en er werd geen onderscheid gemaakt tussen strijders en niet-combattanten. Mensen van alle leeftijden werden beschouwd als te verdelgen wezens. Etnische zuivering is het gewelddadig uitdrijven van een of meer volksgroepen uit een etnisch gemengde regio met de bedoeling de macht over dit grondgebied in handen van een welbepaalde volksgroep te leggen en die machtsgreep te beveiligen voor de langere termijn. De term is van recente datum. Het verschijnsel zelf is dat niet. Ook binnen België werd ooit in die richting gedacht. Maar we zijn het wel vergeten. Het paste niet in ons zelfbeeld als beschaafde westerlingen.

Etnische zuivering komt niet uit de lucht vallen. Basisvoorwaarde is het bestaan van de overtuiging dat er onderscheid te maken valt tussen de mensen die in eenzelfde regio wonen. Kleine lichamelijke verschillen, taal, godsdienst, levenswijze en dergelijke, kunnen daarvoor dienen. België met zijn meerdere talen is een voorbeeld van een geografische omschrijving waar dat soort spanningen zou kunnen optreden. Daarmee vertel ik niets nieuws. Maar om in de nabijheid te komen van ‘etnische zuivering’ moeten we wat meer in detail gaan kijken.

De Belgische staat werd in 1830 opgericht als een samenleving met een indrukwekkend aantal vrijheden. Maar die waren individueel en enkel rijkere mensen konden daar ten volle gebruik van maken. Groepsrechten werden niet erkend. Daardoor werd het voor Nederlandstaligen moeilijk om op te tornen tegen de dominantie van het Frans als taal van cultuur en bestuur. Wie vanuit een Nederlandstalige achtergrond de sociale ladder wilde opklimmen, had het daardoor moeilijker. Dat zette kwaad bloed. Het taalconflict werd verscherpt omdat de begrippen ‘Latijns’ en ‘Germaans’ ingang vonden in de loop van de 19de eeuw. Niet alleen de taal werd dus voor een radicale voorhoede een criterium, ook de etnische herkomst in een ver en grijs verleden, op de overgang tussen Romeinse Rijk en middeleeuwen. Zo ontstond het besef van de taalgrens. En dus was iemand die geen Nederlands kende of wilde spreken op Vlaamse bodem ofwel een ‘volksvreemde’, ofwel een ‘ontaarde’. Feit is dat het Vlaamse werkvolk dat uit nood naar de Waalse industriegebieden migreerde bij de autochtone bevolking al evenmin op algemene achting kon rekenen. Maar die immigranten stonden op de laagste trap van de sociale rangorde; de Franstaligen in Vlaanderen stonden veel hoger op de ladder, tot zelfs helemaal bovenaan. Een deel van deze mensen waren ambtenaren en werden dus betaald met het geld van iedereen. Maar omdat zij het vertikten de taal van het volk te gebruiken, groeide de weerstand. Het Vlaams-nationalisme werd gecreëerd en het groeide in aanhang en radicalisme.

Om zelfs maar te kunnen denken aan zoiets als ‘etnische zuivering’ heb je niet alleen nood aan een radicaal nationalisme. Dat nationalisme moet ‘etnisch’ zijn want je hebt nood aan criteria die toelaten een deel van de bevolking daarvan uit te sluiten, zijnde de ‘volksvreemden’. Je hebt ook macht nodig, véél macht. Je moet kunnen rekenen op een leger of op gewapende milities. Want etnische zuivering vereist grootschalig geweld.

Voor de Vlaams-nationalisten kwam die macht er pas toen ze dachten te kunnen rekenen op de geweren en bajonetten van de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog. Toen werden de eerste plannen gemaakt om Vlaanderen te zuiveren. Die plannen gingen verder dan het wegsturen van de her en der aanwezige Waalse ambtenaren en hun families. De gelegenheid was immers te mooi om niet meteen de taalgrens wat te verleggen. Vlaanderen moest immers een autonome staat worden, weliswaar onder Duitse dominantie en bescherming. De collaborerende Vlaams-nationalisten van die tijd – de ‘activisten’ – lieten hun oog vallen op Frans-Vlaanderen, op Brussel en op Waalse dorpen net ten zuiden van de taalgrens. Zo wilden ze onder meer een strook in het noorden van de provincie Luik aanhechten zodat er een landverbinding met Duitsland tot stand kwam. Wie niet wilde weten van het nieuwe ‘Vlaams-Germaanse’ burgerschap moest verhuizen, goedschiks of desnoods kwaadschiks.

De zucht naar macht, hogere inkomens en overheidsbanen zweepte de gemoederen op. Het ophitsende citaat in de titel is afkomstig van Marcel Van de Velde. Hij was een van deze activisten en dat hij een ‘grote zuiveringsdag’ openlijk kon bepleiten, tekent de atmosfeer. Hij maakte er in zijn krantenartikel geen geheim van wat hij daarmee bedoelde: ‘Ieder die ons nu nog weerstreeft: de grens over! Wallonië zij zijn woonst. Weg met alle franskiljons… Weg met allen die ons weerstaan.’

Die mensen hadden gekozen voor de overwinnaar maar helemaal op het einde kreeg de geschiedenis een onverwachte wending. Vanaf augustus 1918 ging het plots slechter met de Duitse legers. Die neergang zette zich door en de uiteindelijke Duitse nederlaag in de herfst van 1918 trok een streep onder alle pleidooien tot etnische zuivering. Enkele honderden van deze activisten moesten naar Duitsland of Nederland verhuizen om aan bestraffing te ontkomen. Ze werden zelf bannelingen.

Tijdens de jaren twintig en dertig werd de herinnering aan dit activisme verheerlijkt en hun sterk etnisch gekleurde flamingantisme vond verdere verspreiding, vooral onder de katholieke jeugd. In die kringen werd erg negatief aangekeken tegen de francofonie omdat die onder meer werd gelijkgeschakeld met anti-godsdienstigheid. Duitsland was nu erg zwak maar dat zou niet blijven duren. Ooit zou er een revanche-oorlog komen, zoals de Duitse vrienden die ze her en der in uiterst-rechtse kringen nog hadden, hen verzekerden. En hoop doet leven. In de jaren dertig werd Duitsland eindelijk weer sterk. Dat werkte inspirerend. Het nationaal-socialisme huldigde de Lebensraum-retoriek. Er werd bovendien aangenomen dat die Lebensraum mocht veroverd worden ten koste van minderwaardige volkeren. Voor de Duitsers waren dat de Slaven. In Vlaams-nationalistische ogen waren dat de gedegenereerde Latijnen bezuiden de taalgrens. Het ‘volk’ en de Germaanse stamverwantschap werden in Duitsland opgehemeld als richtinggevende principes en dit culmineerde in de ideologie van de etnische zuiverheid. De Belgische publieke opinie kende de steeds toenemende agressie tegenover de Duitse joden. Die dreef vele van deze mensen de grens over en een deel van hen kwam in België terecht. Dit repressieve en expansieve Duitsland werd door de Vlaams-nationalisten beschouwd als een politieke en militaire bondgenoot met het oog op een machtsgreep in België.

Bloedmacht

Die gelegenheid kwam er aan in mei 1940. Zo gauw de militaire nederlaag van België een feit was, klonken opnieuw voorstellen tot etnische zuivering uit de mond van Vlaams-nationalistische leiders. Maar ze gingen veel verder dan tijdens de Eerste Wereldoorlog. Het racistische nationaal-socialisme droeg hier sterk toe bij.

Het waren echter opnieuw de Duitsers die de noodzakelijke militaire hefbomen in handen hadden. Ze werden onder druk gezet om er ditmaal werk van te maken. Laat ons de argumenten van enkele invloedrijke bepleiters van etnische zuivering even volgen. Volgens de West-Vlaamse priester Cyriel Verschaeve, was Vlaanderen besmet door ‘de ontelbare vreemde cellen der verfranste huisgezinnen’. De Vlaamse ‘bloedmacht’ moest terug ademruimte krijgen, een groter grondgebied. Op die manier kon Vlaanderen uitgroeien tot, wat hij noemde, een ‘vooruitgeschoven bolwerk van ‘t Germaans bloed’. Dat kon door heel het oude Frankenland – het rijk van Clovis – weer Germaans te maken. Dat betekende de leegmaking van Wallonië en Noord-Frankrijk tot aan de Somme. De mensen moesten verhuizen naar de zuidelijke departementen van Frankrijk. In zijn ogen was dat volstrekt verantwoord want de Walen ‘hebben met de ziel reeds lang Frankrijk als hun land gekozen. Dat zij er heen gaan; er is plaats te over en er zal voor hen daar heil zijn, en voor ons komt hun plaats open volgens de simpele wetten van leven en dood, de twee echte koningen der wereld.’

Een andere belangrijke figuur was Staf De Clercq. Hij was al sinds 1933 de voornaamste politieke leider van het Vlaams-nationalisme en hij had zijn partij resoluut naar de collaboratie met de Duitsers gedreven. Voor 1914 was hij een van de meest actieve taalgrensmilitanten geweest. Tijdens de oorlog zelf zat hij in het Belgische leger aan de IJzer en bevocht daar de Duitsers. Na 1918 kwam hij al heel snel onder invloed van het anti-Belgische en anti-democratische gedachtegoed van de activisten. Dan kwam de gestage opmars tot hij partijleider werd. Zo gauw hij kon, legde hij de binnengevallen Duitsers een radicaal programma tot machtsverovering ten bate van hemzelf en zijn partij voor, etnische zuiveringen inbegrepen.

De Clercq stelde zijn Lebensraum-imperialisme openlijk voor aan zijn achterban in de vroege lente van 1941. In een toespraak te leper weidde hij uit over de Vlaamse ‘nood aan grond’. Die was voorhanden in de directe omgeving, namelijk in Noord-Frankrijk waar de gronden onderbenut werden omwille van de teruglopende bevolking. Het enige wat moest gebeuren was een ‘volksopschuiving’ zoals hij dat noemde. Hij stelde retorisch de vraag: ‘Waarom zou de toestand in Frankrijk niet gesaneerd worden door de verhuizing uit de Noorderdepartementen, aldus voor de Nederlanden de broodnodige grond vrijlatend?’ Hij gaf toe dat dat een beslissing was die Hitler moest nemen. Het zou de Führer zijn, die ‘aan ons Nederlandse volk de ruimte zal geven waarop het door zijn levenskracht recht heeft om in welvaart te leven.’ De eerste begunstigden van die doortastende kolonisatieplannen in het leeggemaakte gebied waren de Vlaamse boeren. Staf De Clercq was zeer lyrisch over de landbouwers die hij het ‘gezondste’ deel van een volk achtte. Ze mochten in het veroverde land grote stukken grond en boerenhofsteden verwachten.

Dergelijke voorstellen werden dus openlijk gepropageerd maar ook ditmaal hadden de Duitsers andere zorgen. Het winnen van de oorlog ging voor. Ze hadden geen troepen vrij om op grote schaal de geviseerde mensen in bedwang te houden en planmatig te verdrijven. Het ging immers om miljoenen mensen en er zou zonder twijfel grootschalige onrust ontstaan. Wat er zou gebeurd zijn, ware de loop van de militaire gebeurtenissen anders geweest, kunnen we slechts gissen. De joden en de zigeuners in België zijn wel degelijk het slachtoffer geworden van etnische zuivering met de hulp van en onder applaus van Vlaams-nationalistische collaborateurs. Maar dat was allemaal veel kleinschaliger en het kon geleidelijk gebeuren waardoor de onrust beheersbaar bleef. Toch was de bedreiging ten opzichte van Walen en Noord-Fransen reëel en dit had op termijn kunnen leiden tot een bijzonder gevaarlijke situatie voor ettelijke miljoenen mensen. Het zou een misvatting zijn deze voorstellen tot etnische zuivering te beschouwen als een toppunt van ‘de dwaasheid van de macht’. Er zat wel degelijk rationaliteit in. Etnische zuivering was – en is! – een nuttig instrument in het veroveren en beveiligen van macht. Elke Vlaming die de baan kreeg van een weggezuiverde of ging wonen in huizen van uitgedrevenen of in gebieden die geannexeerd waren, moest, omwille van zijn toekomst, de collaboratie met hand en tand verdedigen.

Het was een probaat middel om een fanatieke aanhang te kweken.

In september 1944 werden de Duitse troepen bijna overal van de Belgischegrond verdreven. Maar de oorlog ging verder en nog vele duizenden Belgischeburgers zouden sterven. Het Ardennenoffensief in december toonde dat een nieuwe Duitse bezetting nog tot de mogelijkheden behoorde. Ook angst kan een motor vormen voor grootschalige oorlogsmisdaden. De veiligheid van de natie zette ook de Belgische regering aan om etnische zuivering te overwegen. Toen de oorlog op zijn einde liep, stelden de Belgische ministers de vraag of het land geen aanhechting van Duits gebied tot aan de Rijn moest eisen. Dergelijk expansionisme werd ook in Nederland, Luxemburg en Frankrijk geventileerd en dan kon België niet achterblijven. Het was een debat dat in alle grote politieke families werd gevoerd: liberalen, katholieken, socialisten en uiteraard ook de communisten die nu electoraal sterk stonden dankzij hun verzetsaureool.

Maar de daar wonende Duitsers dan? De meest radicale Belgische politici pleitten onomwonden voor het wegdrijven van de bevolking. Die mensen moesten dan maar een plaats om te leven zoeken aan de andere zijde van de Rijn. De stroom kon dan als oostelijke verdedigingslijn van België ingericht worden. Dergelijke grootschalige verdrijvingen gebeurden ook in Polen en in Tsjechië en overal elders in Midden-Europa. De Duitse inwoners werden weggejaagd en zo nodig vermoord.

Zover is het in het Westen niet gekomen. De meeste Belgische ministers schrokken terug voor de grootschalige terreur die daarvoor nodig zou zijn en ze vreesden dat dergelijke praktijken onontkoombaar zouden leiden tot een nieuwe Duitse revanche-oorlog in de toekomst. De Duitsers in hun huis laten, had anderzijds het nadeel dat er dan een potentiële vijfde colonne aanwezig zou zijn in de rug van de Belgische troepen die aan de Rijn op post waren. Bovendien konden de geannexeerde Duitsers een bondgenootschap sluiten met de Vlaams-nationalisten en België blijvend destabiliseren. De nuchterheid haalde al snel weer de bovenhand.

Daarom zette de Belgische regering al zijn hoop op een verdere samenwerking onder de westerse geallieerden en ze kreeg voor die strategie overigens massale steun vanwege de bevolking. Dit culmineerde in het NAVO-bondgenootschap en de Europese economische integratie. Dat maakte etnische zuiveringen in het Rijnland overbodig.

Etnische zuiveringen kwamen pas terug in het gezichtsveld tijdens de desintegratie van Joegoslavië. Franstalige politieke leiders suggereerden herhaaldelijk een verwantschap tussen de Vlaamse opstelling in het communautaire conflict en het Groot-Servische streven, etnische zuiveringen inbegrepen. Dat leidde tot hevige verontwaardiging aan Vlaamse kant. De Standaard-commentator Manu Ruys omschreef op 9 augustus 1996 het Vlaams-nationalisme zelfs als ‘een beweging die zich niets te verwijten heeft’. Een terugblik in de geschiedenis van het eigen land zou hem en vele anderen moeten aanzetten tot enige deemoed. Etnische zuivering is immers volstrekt geen nieuwe techniek, uitgevonden door fanatici in de Balkan of in Rwanda. Ook in de geschiedenis van België zijn er wel degelijk sporen te vinden van plannen en oproepen – zowel binnenskamers als openlijk – in die richting. Feiten zijn feiten. Ze tonen aan dat het nationalisme zoals dat op Belgische bodem in zijn diverse vormen wordt beleefd, wel degelijk kan overgaan tot het propageren van etnische zuivering wanneer de militaire omstandigheden dergelijke handelwijze tot een realistisch project lijken te maken. Etnische zuivering zorgt immers niet alleen voor de verwijdering van de vreemdeling – de veronderstelde vijand – en tempert dus de angst om de eigen veiligheid. Minstens even belangrijk is de aantrekkingskracht van winst: heelder regio’s, en dus de banen in het overheidsapparaat, de landbouwgrond, huizen, rijkdommen allerhande… liggen dan voor het grijpen. En dat voor generaties lang.

 

artikel
Leestijd 9 — 12 minuten

#73

15.10.2000

14.01.2001

Luc Vandeweyer

artikel