‘Zwins’, Het Eenzame Westen © Carlo Verfaille

Leestijd 8 — 11 minuten

Grensoverschrijdende woorden

Over de unieke plaats van dialecten in de theaterproducties van Het Eenzame Westen

Weinig tools zijn zo krachtig als taal om op een podium werelden vorm te geven. Opvallend dus dat je in het gesubsidieerde theater zo zelden dialect hoort, nochtans de spreektaal voor aanzienlijke gemeenschappen in Vlaanderen. Wat als dialect het uitgangspunt wordt van een creatie, krijg je dan andere verhalen of esthetieken? Gilles Michiels neemt het werk van het West-Vlaamse gezelschap Het Eenzame Westen onder de loep.

Ik herinner me hoe ik als kind een kleine schok voelde toen ik mijn moeder voor het eerst met haar ouders hoorde spreken. Dat lag niet aan wat ze zei, maar aan de taal waarin dat gebeurde: een Beernems­-Brugs dialect, naar de steden waar respectievelijk mijn grootouders en zijzelf zijn opgegroeid. Bij ons thuis sprak ze dat taaltje nooit, daar heette van de noene gewoon ‘vanmiddag’. Het dialect betekende dat ik niet verondersteld werd te luisteren. Die dag ontdekte ik een wereld waarvan ik geen deel had uitgemaakt: die van voor het moederschap, van háár moedertaal.

Zelf heb ik nooit dialect gesproken. Alleen buiten de provinciegrens herkent men mijn tongval. Samen met Simon, mijn beste vriend, die net als ik in het Brusselse woont, schep ik er wel plezier in een soort West­-Vlaamsheid te performen. Dan voeren we dialoogjes op met enkele standaardzinnen–Kujeje bitje verwáármen? Bejoak. We spreken geen echt dialect, maar evenmin een ironische versie daarvan. Ons taaltje is het product van de verstandhouding van twee uitwijkelingen die zowel een gemis van als een affiniteit met hun roots proberen uit te drukken.

“Wereldwijd zijn zowat 3.660 van alle levende talen – meer dan de helft – bedreigd, stervende of zo goed als dood.”

De kracht van taal om een wereld-­in-­een­-wereld te scheppen, heb ik altijd fascinerend gevonden. Mensen bouwen er een stuk culturele, emotionele rijkdom mee op die moeilijk te documenteren valt, maar die met elke taal die verdwijnt een kleine tragedie betekent. Wereldwijd zijn zowat 3.660 van alle levende talen – meer dan de helft – bedreigd, stervende of zo goed als dood, stelde onder anderen Frank Seifart (Universiteit van Amsterdam) in 2018 vast.

(Ik vraag me af wanneer een taal dood is: als de laatste of de voorlaatste spreker sterft?)

Moedertaal zonder vaderland

Voor het verlies aan taaldiversiteit wordt weleens boos gekeken in de richting van het ‘Globish’, het Engels op maat van een globaliserende wereld. In Etcetera 163 bekritiseerde film­ en theatermaker Timeau De Keyser de dominante rol die het ook in de Vlaamse podiumkunsten krijgt toebedeeld. Natuurlijk, stelt hij, komt het Globish tegemoet aan de internationalisering van artiesten en publiek; vooral in grotere steden zorgt het voor inclusie van niet­-Nederlandstalige groepen. Maar werkt dat streven naar verbinding in de kunsten niet ook lokale vervreemding in de hand?

Evengoed kun je stellen dat het Globish in eerder landelijke gebieden aanzienlijke groepen uitsluit. De Franse taalkundige Claude Hagège verbindt het dan ook met een internationalisering die niet zozeer meertaligheid en diversiteit, als wel eenheidsworst voortbrengt, ten koste van traditionele taalgemeenschappen. Het is als de personages in Hollywood-­films van wie je de afkomst alleen aan het accentje in hun Engels hoort.

Een taal is het product van politieke, sociale en culturele constellaties, benadrukt De Keyser; er liggen ervaringen, nuances en referenties in opgeslagen, die evolueren en een taal voortdurend nieuw leven inblazen. Het Globish houdt van die rijkdom vooral de functionaliteit over. Het aardt volgens de Keyser in non-lieux als luchthavens of vergaderzalen, waar de communicatie van al te veel persoonlijke eigenaardigheden is gespeend en waar volgens de Nederlandse auteur J.Z. Herrenberg ‘de uitvaart van het lokale wordt gevierd’.

“Het Globish mag als lingua franca van een mondiale elite efficiënt zijn in bereik, maar komt het ook de kwaliteit van de communicatie ten goede?”

Het Globish mag als lingua franca van een mondiale elite efficiënt zijn in bereik, maar komt het ook de kwaliteit van de communicatie ten goede? De Keyser krijgt de indruk dat kunstenaars in artist talks en interviews net sneller naar vaag discours grijpen – in het Nederlands krijg je ‘a performance on the politics of freedom’ niet verkocht.

Sukr, Het Eenzame Westen © Carlo Verfaille

Geworteld in het lokale

Een taal is voor De Keyser ‘een plaats om in te verblijven’. Ze leren is als een gebied betreden met abstracte tekens en klanken, die concreter worden naargelang we er ons vaker in begeven. Dat ‘leren’ gaat initieel over een taalsysteem, bij uitbreiding over een subjectief begrip van taal – de associaties, affecties enzovoort.

Kan het betreden van dat ‘vreemde gebied’ ook deel uitmaken van een artistieke propositie zelf? In dat geval wordt het leren van een taal de sleutel tot belichaming. Die oefening meen ik te ontwaren bij Het Eenzame Westen (HEW), een gezelschap met wisselende medewerkers, dat elk stuk in een ander West­-Vlaams dialect speelt. De teksten – vroeger hertalingen, recent nieuwe creaties – zijn tragikomedies met een sociaal kloppend hart. Het prachtige Zwins (2019), in het Zwevegems, is gebaseerd op interviews met veeboeren; Sukr (2022) belicht de erbarmelijke werkomstandigheden van gastarbeiders in de landbouw. ‘Via humor splitsen we iets in de maag, openen we een deurtje, om dan te koteren in wat erachter gaapt’, zegt acteur Tom Ternest, als coördinator sinds 2018 het enige vaste lid.

Nieuwe creatie of niet, elke HEW-­productie is ‘geworteld’. Een voorstelling speelt eerst op een Zwevegemse boerderij (Zwins) of in een loods in Boezinge (Sukr) alvorens naar reguliere cultuurplekken te trekken. Maar belangrijker nog is de voorafgaande verkenning van het orale erfgoed, een intensief proces waarvoor Ternest samenwerkt met lokale dialectkenners zoals Torhoutenaar Marc Dekeyn (Slachtinge, 2015), Oostendenaar Roland Desnerck (In volle zee, 2016), en Zwevegemnaar Jan Deloof (Zwins). Blikvanger in Sukr is dan weer Roland Delannoy, huidig bezieler van Flor Barbry’s Volkstoneel, een gezelschap aan de schreve (grens met Frankrijk) dat sinds 1955 in de streektaal speelt om het als cultureel erfgoed te helpen vrijwaren, als reactie op de terugdringing van het Vlaams.

De oefening van HEW resulteert in een schijnbare paradox, erkent Ternest. ‘De tekst zelf is een talige constructie, waar één woord ons soms met twintig vertaalopties confronteert, uit meerdere generaties en met andere betekenisnuances. Acteurs krijgen ook intensieve coaching op uitspraak. Maar in die geconstrueerde vorm streven we wel naar een maximale authenticiteit.’ Repeteren is voor Ternest dus pendelen tussen acteur en dialectkenner, tussen pragmatisme en purisme, tussen de taal als deel van een belichaming en de taal als het lichaam zelf.

Onderrepresentatie

Ik geloof dat die taalkeuze in het theater een radicale daad van empathie kan zijn. Met haar hangt de vraag samen welke verhalen theatermakers een podium waard achten. De dominantie van de tussentaal en het Globish duidt dan op de onderrepresentatie van personages uit een dialectsprekende geografische periferie. Of die personages zijn er wel, maar mogen slechts een deel van hun identiteit uitdrukken. Of je mijn moeder in de standaardtaal of het dialect opvoert, bepaalt of ze iemands moeder dan wel iemands dochter is.

Taal evoceert de ruimte waarin iemand zich bevindt, maar ze legt ook de machtsrelatie tussen ruimtes bloot. Nederlanders denken dat iemand standaardtaal spreekt als je niet kunt horen waar die persoon (óók sociaal-economisch) vandaan komt, stelt taalonderzoeker Leonie Cornips in De Lage Landen. Een dialectspreker verraadt die achtergrond wel. Terwijl de eerste zich probleemloos in de publieke ruimte kan begeven, wordt de tweede bespot om zijn onaangepastheid – denk aan het West­-Vlaamse personage Gerrit Callewaert uit In de gloria. Nochtans stammen ook de ‘neutrale’ standaard-­ en tussentaal uit dialecten, die zichzelf met ellebogenwerk toegang tot het publieke forum hebben verschaft.

“Terwijl de standaardtaalspreker zich probleemloos in de publieke ruimte kan begeven, wordt de dialectspreker bespot – denk aan het West-Vlaamse personage Gerrit Callewaert uit In de gloria.”

Ter illustratie: in de commedia dell’arte, die bloeide in een 16de-­eeuws Italië zonder eenheidstaal, klonken meerdere dialecten door elkaar. Theaterwetenschapper Marvin Carlson merkt op dat Italië tot de 19de eeuw ontvankelijk zou blijven voor culturele, theatrale en linguïstische diversiteit, veel meer dan gecentraliseerde landen als Frankrijk, Spanje of Engeland. Binnen één dialect verkende het theater er meerdere stilistische registers, ook meertaligheid kon er rustig gedijen.

In Carlsons analyse zijn taaldiversiteit en machtsspreiding communicerende vaten. In dat opzicht is het Vlaamse theater – niet héél centralistisch, niet héél verspreid – een interessante casus. Net zoals de spreektaal­-Vlaming maakt de theater­-Vlaming een compromis: tussen de brede verstaanbaarheid van het Algemeen Nederlands en de informaliteit van het dialect. Enter de tussentaal, naast het Globish dus.

“Wij moeten het dialect nog altijd verdedigen tegen de perceptie van amateurisme. Het Vlaamse beleid bekeek ons lange tijd als te lokaal, terwijl de helft van onze voorstellingen buiten de provincie spelen.” Tom Ternest (Het Eenzame Westen)

Wat dan met het dialect, óók de spreektaal van menig Vlaming? Dat leeft in het amateur-­ en het commercieel circuit. Maar kijk je naar het gesubsidieerde circuit, dan staan de personages die het dialect beheersen toch met een been in het verleden: je hoort ze in Shakespeare­-bewerkingen als Risjaar Drei (2017, Toneelhuis), producties met dialectische bronteksten als Het gezin Van Paemel (2021, SKaGeN) of de Compagnie Cecilia­-creaties rond oudere volksfiguren, Marinus (2019) en Once upon a time in de Westhoek (2022). In het theater wordt het dialect op twee manieren richting de periferie geduwd. Dramaturgisch, als de dialectspreker wordt ingezet omwille van een exotisme of komisch effect – de taal is dan geen volwaardige expressievorm maar markeert het anders­zijn. En institutioneel: het dialecttheater wordt met billenkletsers geassocieerd – toen ik in 2017 in De Standaard een stuk wijdde aan het fenomeen, vond ook ik het nodig om dat kwalijke cliché eerst te herhalen alvorens het te ontkrachten.

‘Wij moeten het dialect nog altijd verdedigen tegen de perceptie van amateurisme’, zegt Tom Ternest. ‘Het Vlaamse beleid bekeek ons lange tijd als te lokaal, terwijl de helft van onze voorstellingen buiten de provincie spelen. Daar is het publiek minder nostalgisch over het dialect, waardoor de muzikaliteit en de kracht van taal om een wereld te verbeelden aan belang winnen. Omdat de taal dat al doet, mogen we visuele elementen als decor en kostuum nog meer uit het realisme durven te tillen.’ Bovendien reiken de thematieken van Zwins en Sukr veel verder dan de eigen grond. En in die tweede hoor je naast het Iepers, Poperings en de taal van de schreve ook flarden Russisch, Oekraïens en Pools.

Zwins, Het Eenzame Westen © Carlo Verfaille

Binnenstebuitenbeentjes

Tegelijk is die lokaliteit een emancipatorische troef; de dialectspreker die zo vaak de outsider was, staat bij HEW in het centrum. Die premisse manifesteert zich vooreerst op het dramaturgische niveau: ‘In de meeste voorstellingen betrekken we een acteur van buiten West­-Vlaanderen, die in het verhaal als buitenstaander dienstdoet. De personages moeten zich dan verhouden tot iemand van buitenaf; ze doen hun best om netter te spreken, niet als gimmick, maar omdat we zoiets ook in het echte leven doen.

Ons debuut Het Eenzame Westen (2015), anderzijds, ging over een minimaatschappij op een heuvel die haar eigen taaltje sprak. Eén meisje verliet soms de heuvel. Haar taal hadden we kunnen moderniseren, maar dramaturgisch was het interessanter dat ze in die besloten groep aanvaard wilde worden.’ Registergevoeligheid betekent bij het meisje dus geen assimilatie aan de standaardtaal meer. Ze verhoudt zich tot een andere vraag: wat die aanpassing waard is.

Daarnaast is er ook de context rond de HEW­-producties, waarbij de herwaardering van het lokale een actieve inspanning vereist van makers en toeschouwers. De eersten moeten een dialect onder de knie krijgen en nieuwe partners zoeken voor de realisatie van elk project. De tweeden krijgen steevast een zakwoordenboekje met basisregels en gebruikte woorden en uitdrukkingen. Een didactische geste, maar in mijn ogen ook een herinnering aan ons ‘engagement’ ten aanzien van het lokale. Een taal betreden is niet vasthouden aan de onbepaaldheid van de vergaderzaal, de Zoom­-ruimte, de meet-in-the- middle. Of in het geval van deze recensent: dat is voor een première met achtereenvolgens de tram, trein, BlueBike en autorijdende vrienden naar the far west reizen.

Misschien kan meer aandacht voor het dialect ons in het theater net iets radicaler in een ander helpen te verplaatsen.

Ondertussen broedt Ternest op een nieuwe creatie aan de kust. Hij is gefascineerd door de veelal ouderen die er ook in de winter wonen, als hun gemeente vrijwel uitgestorven is, tegenover de tweedeverblijvers die hun plekje pas komen claimen als iedereen de kust lust. Of hoe ‘een plaats om te verblijven’, naast een talige metafoor, plots weer een heel concrete problematiek wordt.

 


Seifart F., Evans N., Hammarström H. & Levinson S.C. (2018). Language documentation twenty- five years on. Language, Linguistic Society of America.

De Keyser, T. (2021). Een plaats om te verblijven. Etcetera. https://e-tcetera.be/een-plaats-om-te-verblijven/

Hagège, C. (2006). Combat pour le français : au nom de la diversité des langues et des cultures. Parijs: Éditions Odile Jacob

Herrenberg, J.Z. (2019). Lof en aanval. Against English (Jensen, Pas, Rovers, red.), Amsterdam: Wereldbibliotheek.

Michiels, G. (2017). ‘In het dialect kom je het dichtst bij de pure emotie’, De Standaard.

Dessing, M. (2019). Er is in feite geen neutrale standaardtaal. De Lage Landen. https://www.de-lage-landen.com/article/er-is-in-feite-geen-neutrale-standaardtaal.-een-debat-over-taalvariatie-in-vlaanderen-en-nederland

Carlson, M. (2006). Speaking in tongues. Languages at Play in the Theatre. Ann Arbor: University of Michigan Press.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

essay
Leestijd 8 — 11 minuten

#169

15.09.2022

14.12.2022

Gilles Michiels

Gilles Michiels is kernredacteur en coördinator van rekto:verso. Sinds 2017 is hij ook freelance theaterrecensent bij De Standaard. Hij schrijft voor Etcetera. Eerder was hij hoofdredacteur van OPENDOEK-magazine en schreef hij voor o.a. Apache.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!