© Nina Vandeweghe

Leestijd 9 — 12 minuten

Een plaats om te verblijven

Timeau De Keyser pleit voor meer aandacht voor streekgebonden taal in de podiumkunsten.  

Theatermaker Timeau De Keyser stelt vast dat het Globish, het internationaal Engels, aan populariteit blijft winnen in het kunstenveld. Dat ligt misschien voor de hand in een geglobaliseerde wereld, maar staan we wel genoeg stil bij de keuze om mee te gaan in deze hegemonie? Volgens De Keyser heeft het er alle schijn naar dat we een aantal nadelige effecten al te makkelijk over het hoofd zien.  

In zijn Filosofische onderzoekingen beschrijft Ludwig Wittgenstein taal als een stad die je leert kennen door erin te bewegen. Je kent taal zoals je doodlopende straten kent, steegjes,  verbindingswegen, afgesleten treden, … Taal is niet louter een communicatiemiddel, het is ook een plek om te verblijven. Onze verblijfplaats wordt nu al lange tijd geconfronteerd met het Engels. Of eerder: het internationaal Engels, het Globish. 

In de strijd om internationale studenten en daaraan gekoppelde inkomsten bieden universiteiten steeds meer vakken aan in het Engels. In het Vlaams hoger onderwijs gaat het om 24 procent van de masteropleidingen, in Nederland al om 74 procent. In het boekenaanbod domineren het Engels en de Anglo-Amerikaanse invloedssfeer. Meer dan 60 procent van de Nederlandstalige boeken zijn vertalingen, waarvan 85 procent uit het Engels.

Ook Vlaamse theatermakers en -gezelschappen kiezen er steeds meer voor om hun voorstellingen in het Engels te spelen. Of er wordt gekozen voor een Engelse titel bij een Nederlandstalige voorstelling. Daarnaast communiceren theatermakers en -huizen via sociale media geregeld in het Engels, waardoor ze zich voornamelijk richten tot een internationale markt. Van makers wordt verwacht een internationale ‘topvoorstelling’ af te leveren die opduikt in ‘toplijstjes’. Het Engels maakt het, onder de vlag van ‘ontmoeting’ of ‘uitwisseling’, gemakkelijker een internationale carrière uit te bouwen. De Engelse taal is dan een strategische keuze om de afzetmarkt van de maker te vergroten. Maar even vaak blijft de noodzaak om het Engels te gebruiken onduidelijk en lijkt het vooral de bedoeling om het werk een internationale prestige mee te geven.

Naast verkooptechnische motieven zijn er ook inhoudelijke overwegingen om in en/of rond een werk in het Engels te communiceren. Het Engels maakt het mogelijk bruggen te bouwen tussen theater- en denkpraktijken. Mede dankzij het Engels nemen we kennis van contexten die niet de onze zijn. Deze taal maakt het gemakkelijker voor gelijkgestemden om zich te verenigen en informatie uit te wisselen over zaken die het lokale overstijgen. Wanneer met een internationale cast wordt samengewerkt, is het Engels bovendien meestal de grootste gemene deler en de evidente lingua franca. Er kan daarnaast ook een dramaturgisch argument element spelen bij de keuze voor deze taal. Werk dat zich bijvoorbeeld impliciet of expliciet verhoudt ten opzicht van populaire cultuur, zal vaak de dominante taal uit die cultuur hanteren. En er zijn natuurlijk ook artiesten die zich comfortabeler voelen bij het Engels omdat er dan een grotere afstand bestaat dan tot hun moedertaal, of omdat het Nederlands hun moedertaal niet is. 

Maar zorgt het streven naar internationale verbinding niet ook voor een vorm van lokale vervreemding? De vraag wordt gesteld door uiteenlopende stemmen vanuit verschillende achtergronden. Ze leidt ook tot vragen die relevant zijn voor wie theater maakt. Waarom verbeelden we onze wereld in het Engels? Wie maakt de keuze voor die taal? Wie legt deze keuze op? Tot wie richt je je? En tot wie spreek je niet? Enkele gedachten.

1.

De Franse taalkundige Claude Hagège wijst op de vervlechting van het Engels en de verspreiding van de vrijemarktideologie. Hagège brengt in zijn tekst Combat pour le français1 de verspreiding van het Engels in verband met de koloniale heerschappij van Groot-Brittannië. Het Engels – en een aantal andere Europese talen – raakte vanaf dat moment verspreid en werd uiteindelijk de dominante handelstaal. Dit imperialisme bleek ook cultureel: via het Engels konden Groot-Brittannië en later de Verenigde Staten hun waarden als universele waarden verspreiden. Hagège ziet hoe ‘la pensée unique’, de uniforme Amerikaanse denkwijze, zich over de hele wereld en in het denken verspreidt. Voor hem is het denken gekoppeld aan de taal waarin gedacht wordt. Een taal biedt de ingrediënten van dat specifieke denken. Die ingrediënten zijn verschillend per taal. ‘Imposer sa langue, c’est imposer sa pensée’, stelt Hagège2Hij laat zich erg kritisch uit over het culturele imperialisme van de Engelse taal en is een bevlogen verdediger van meertaligheid en taaldiversiteit. In zijn essay Contre la pensée unique pleit Hagège niet tegen de Engelse taal, maar wel voor diversiteit in denken, cultuur en taal. Volgens de auteur ligt de rijkdom van Europa net in zijn meertaligheid. Maar die komt onder druk te staan door de voortdurende onachtzame keuze voor het Globish. 

Hier kunnen ook cultuurhuizen een verantwoordelijkheid in dragen. Misschien is het zinvol in te zetten op boventiteling, communicatie in meerdere talen en vertaling van teksten. Maar Hagèges ideeën hebben ook artistieke consequenties: via personages, dialogen, kunstkritiek enzovoort maken theatermakers beelden, uitsteekvormen die een chaotische, amorfe wereld hanteerbaar maken. Deze beelden bieden een blik op en interpretatie van die wereld. Bij het maken ervan moeten we misschien meer beseffen dat de taal die we daarvoor gebruiken al een vorm is, die de bouwstenen van ons werk houwt. Een vorm die sociaal-cultureel bepaald is. Het is zinvol om ons af te vragen of er geen soort van vervreemding of verarming ontstaat wanneer we onze eigen wereld exclusief in één hegemonische taal beschrijven.  

2.

George Orwell legt in Politics and the English Language de link tussen hoe we spreken en hoe we denken. Hij waarschuwt voor een onnauwkeurig taalgebruik en instantzinnen die “aan elkaar vasthangen als de delen van een geprefabriceerd kippenhok”3. Orwell heeft het over het vage woordgebruik in kunstkritiek: romantic, human, beauty, depth, natural, realistic, dead, community, noem maar op. Over het gekoketteer met politiek taalgebruik dat vaak achteloos en onzorgvuldig wordt gebruikt: democracy, freedom, justice, politics, solidarity, equality, progressive, reactionary, class, en ga zo maar door. Orwells kritiek op armoedige gebruik van zijn moedertaal klinkt evengoed herkenbaar voor wie zich al eens van het Globish bediend heeft. Niet omdat het Engels zich hier per definitie gemakkelijker toe leent, maar omdat we zinnen als ‘A performance on the politics of freedom’ of ‘The potential of rhizomatic art’ gemakkelijker doorgeslikt krijgen in een taal die we niet volledig beheersen.

“In het Globish lijkt elk gesprek over theater op het vorige. Steeds hetzelfde ‘grote discours’ samengevat in slogans die vaker dan betekenis, weergeven tot welke groep we behoren.”

Het gebeurt dat ik in het Engels moet deelnemen aan een ‘artist talk’, een ‘Q&A’ na een voorstelling, een interview of een workshop. Ik merk daarbij dat ikzelf – of andere collega’s die het Engels niet helemaal machtig zijn – in deze taal sneller terugvallen op gemeenplaatsen of gezwollen taalgebruik. Het Globish is voor velen ontoereikend om op een complexe en genuanceerde wijze te reflecteren en communiceren over het eigen werk. Dat zorgt voor een inhoudelijke verschraling en een intellectueel armoedige communicatie. (Geen stad, maar een kippenhok.) Toch wordt van makers verwacht dat ze ‘content’ produceren in online filmpjes, interviews, talkshows, nagesprekken enzovoort. (Artiesten moeten meningen hebben over alle actuele kwesties en wat de beste restaurants zijn.) Vanuit een begrijpelijke ideeënarmoede vallen velen sneller terug op het soort instantzinnen waar Orwell het over heeft. Dat effect wordt nog versterkt in een taal die we niet helemaal beheersen. In het Globish lijkt elk gesprek over theater op het vorige. Steeds hetzelfde ‘grote discours’ samengevat in slogans die vaker dan betekenis, weergeven tot welke groep we behoren. 

3.

Het ‘conservatieve argument’ tegen het Globish betreurt dat de globalisering traditionele gemeenschappen heeft verscheurd. Gemeenschappen vallen uit elkaar in individuen door het verdwijnen van institutionele banden – school, religie, familie, traditie. Een van die traditionele instituten is de eigen taal, die onder druk komt te staan door het Engels, de taal van de globalisering. Taal schept een intersubjectieve ruimte die individuen met elkaar verbindt tot een gemeenschap. Deze ruimte maakt een politieke en culturele gemeenschap mogelijk. De Nederlandse auteur J.Z. Herrenberg schrijft: ‘In een levende taal is er geschiedenis neergeslagen, de historische ervaring van een bepaalde etnie, met al haar licht en al haar duisternis. Ze evolueert permanent. Leef je ermee, dan beschik je over de referenties, nuances, subtiliteiten.’ Tegenover deze taal van het ‘ergens’ plaatst hij de taal van het ‘nergens’. De taal van vergaderzalen, luchthavens en aula’s, waarin ‘de uitvaart van het lokale wordt gevierd’4. Het Globish wordt hier niet voorgesteld als een eeuwenoude stad, maar als een artificiële snelbouw, een shoppingcenter. Taal gereduceerd tot communicatie en niet langer als plaats om te verblijven. 

Deze kritiek is zowel benauwend als prikkelend. Benauwend omdat misschien niet elk gebruik van het internationaal Engels per definitie te linken is aan steriel consumentisme. Hebben ook handels- of cultuurtalen geen traditie? Zit er ook geen waarde in de ‘gelegenheidstalen’ van de reiziger? Vinden we geen schoonheid of avontuur in de ‘gebroken taal’ die ontstaat wanneer mensen geen gemeenschappelijke moedertaal spreken? Taal is misschien niet altijd een eeuwenoude stad om te verblijven, maar soms een een koterij, een tijdelijke schuilplaats of een ontmoetingsplek. Toch lijkt de zorg voor ‘het lokale’ (datgene wat ontstaat uit de tijd en ruimte die mensen delen) en een zekere scepsis ten opzichte van het ‘globale’ (datgene wat als universeel wordt beschouwd) me ook iets waardevols. 

“De strijd tussen het internationaal Engels en de streekgebonden talen is in wezen een spanningsveld tussen het ‘algemene’ en het ‘specifieke’, de ‘elite’ en het ‘volk’.”

4.

De strijd tussen het internationaal Engels en de streekgebonden talen is in wezen een spanningsveld tussen het ‘algemene’ en het ‘specifieke’. Hieraan kun je de arbitraire termen ‘elite’ en ‘volk’ koppelen; er zou zich volgens velen een breuklijn aftekenen tussen een ‘mondiale elite’ die zich begeeft in de sfeer van het globale en een ‘achtergesteld volk’ dat is beperkt tot het lokale. Het is alleszins duidelijk dat een zekere klasse zich met een vanzelfsprekendheid van het Engels bedient terwijl er tegelijkertijd heel wat mensen zijn voor wie deze norm nadelig is. 

Filosoof Ad Verbrugge schrijft in Hart voor Nederlands dat ‘onze academische “hoofden” losgezongen dreigen te raken van het maatschappelijk lichaam waartoe ze behoren. De kloof tussen “elite en volk”, die in tal van landen zichtbaar is geworden, heeft in die zin ook een academische achtergrond5.’ Terwijl Nederlandstalig academisch onderwijs in de tweede helft van de twintigste eeuw nog een emancipatorisch project was (‘Leuven Vlaams’) dat voor een groot deel van de Vlamingen opwaartse sociale mobiliteit betekende, lijkt dit project nu wat in de vergetelheid geraakt. Vandaag betekent meertaligheid louter: meer internationaal Engels. Van diversiteit is er geen sprake, wel van zich inschrijven in een mondiale academische monocultuur. Het Engels biedt ook veel kansen in de academische wereld, maar toch zou het jammer zijn wanneer, uit ambitie of opportunisme, minderheidstalen als het Nederlands volledig links blijven liggen; net via deze of andere streek- en landstalen vindt het ‘academische denken’ gemakkelijker aansluiting bij zijn ‘maatschappelijke lichaam’.

“Vandaag betekent meertaligheid louter: meer internationaal Engels. Van diversiteit is er geen sprake, wel van zich inschrijven in een mondiale academische monocultuur.”

Eenzelfde vraag kunnen we stellen over onze kunstscholen. En in het verlengde hiervan over de theaterhuizen, festivals of beleidsmakers die de carrières van makers faciliteren. Is het louter de bedoeling dat artiesten worden klaargestoomd om ‘internationale toppers’ te worden? Het gevaar bestaat erin dat (podium)werk dat zich in de eerste plaats richt tot een internationale kunstmarkt, langzaam loskomt van iedere realiteit waaruit het kan ontstaan. Een internationaal publiek voelt zich aangesproken door het algemene, het zogenaamd universele, ten koste van het specifieke (vormen van volkstheater bijvoorbeeld die sterk verbonden zijn aan de context waaruit ze ontstonden). Dat heeft als gevolg dat ook artistieke verbeelding wordt ontkoppeld van haar maatschappelijk lichaam. Deze kloof wordt door taal gemarkeerd: Engels, de taal van de wereldburger, wordt niet gesproken door grote delen van de lokale (taal)gemeenschappen. 

© Nina Vandeweghe

5.

In de nagesynchroniseerde film wordt letterlijk een stem die niet wordt voortgebracht door het lichaam van de acteur op zijn of haar lichaam geplakt. Taal die niet hoort bij een lichaam, met als doel dit lichaam verkoopbaar te maken op een internationale kunstmarkt. Filmmaker Jean-Marie Straub zei er het volgende over: ‘Alles wordt een illusie. Er is geen waarheid meer. Uiteindelijk worden zelfs de ideeën en emoties vals. […] De internationale esthetiek is een uitvinding en wapen van de bourgeoisie. De esthetiek van het volk is altijd een individuele esthetiek.’ De interviewer, Enzo Ungari, reageert op Straub: ‘Voor de bourgeoisie bestaat er geen kunst die niet universeel is. De internationale esthetiek is zoals het Esperanto.’ Werk vertrekt vanuit het particuliere, maar hoeft daar niet te eindigen. Straub citeert Brecht: ‘Laten we beginnen met het unieke stuk, dichtgeknoopt met/gekoppeld aan het algemene.’ 6

Het particuliere en het algemene zijn rechtstreeks met elkaar verbonden in het lichaam van een acteur die een tekst uitspreekt. Het sterfelijke lichaam van de acteur verbindt zich met taal die over generaties heen wordt doorgegeven en dus ‘onsterfelijk’ is. Dit is wat haast ritueel zichtbaar wordt gemaakt wanneer een acteur repertoire speelt. Het transcendente (de taal, het repertoire) wordt immanent in het lichaam van de acteur. Het symbolische wordt reëel zodra het een lichaam vindt om in te bestaan. In de nagesynchroniseerde film blijft de taal altijd boven de lichamen zweven, net zoals het Globish soms boven de realiteit lijkt te zweven. 

6.

Misschien wordt aan kunstenaars te vaak gevraagd naar ‘content’, een of ander ‘groot discours’ om naar ons werk te kijken, wat niet meer oplevert dan een wankel, ‘geprefabriceerd kippenhok’. Ik vind de omgekeerde beweging zinvoller. Een werk dat interesse heeft in de realiteit vertrekt misschien vanuit het particuliere, het concrete materiaal dat als focaal kan dienen om ook het algemene te beschouwen. Concreet betekent: als vorm voorstelbaar. En ik geloof dat daar de focus van een maker moet liggen: de vorm. Een vorm die het resultaat is van de tijd en ruimte die je met mensen hebt gedeeld. 

Een taal leren is als een gebied betreden waar dingen nog geen vorm hebben. Er is een organisatie, maar we herkennen ze niet. In dit chaotische gebied van abstracte klanken en tekens verschijnen, wanneer we gaandeweg de taal leren kennen, langzaam concrete voorstellingen. Langzaam leren we ons te oriënteren, vinden we onze weg door de vormen, die steeds vertrouwder beginnen voelen. En zo doemt het beeld van ‘de stad’ weer op met haar steegjes, pleinen, fonteinen en welbekende of verborgen doorgangen. Een concreet en gedeeld bouwwerk. Een plaats om te verblijven.

1Hagège, C. (2006). Combat pour le français : au nom de la diversité des langues et des cultures. Parijs: Éditions Odile Jacob2Interview in Le Vif/L’Express (2012), geraadpleegd via www.levif.be/actualite/belgique/claude-hagege-imposer-sa-langue-c-est-imposer-sa-pensee/article-normal-165911.html3 Orwell, G. (2013). Politics and the English language. Londen: Penguin Books.4 Herrenberg, J.Z. (2019). Lof en aanval. Against English (Jensen, Pas, Rovers, red.), Amsterdam: Wereldbibliotheek.5Verbrugge, A. (2019). Hart voor Nederlands. Against English (Jensen, Pas, Rovers, red.), Amsterdam: Wereldbibliotheek.6 Huillet, D. & Straub, J.-M. (2016). Writings. New York: Sequence Press. (citaten geraadpleegd via www.sabzian.be/text/wat-is-een-politieke-film)

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 9 — 12 minuten

#163

15.03.2021

31.05.2021

Timeau De Keyser

Timeau De Keyser studeerde drama aan het KASK in Gent. Daar richtte hij mee theatercompagnie tibaldus op waarmee hij sindsdien voorstellingen maakte als Persona, 4:3, Yvonne, prinses van Bourgondië en Het huwelijk. Dit jaar kwam Etangs noirs uit, de film die hij samen met Pieter Dumoulin maakte.

artikel

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!