Leestijd 3 — 6 minuten

Gesprek in Wallonië

Hamlet in de Borinage

Op zich vind ik de duidelijkheid waarmee Jean Louvet autobiografische gegevens onderbrengt in zijn toneelstuk Conversation en Wallonie (1978, gecreëerd door het Ensemble Théâtral Mobile, regie Marc Liebens) niet interessant. Het hoofdpersonage Jonathan is geboren in 1934, net als Louvet, hij is de zoon van een mijnwerker, net als Louvet, hij gaat Frans studeren, geeft les en is politiek actief, net als Louvet. Maar Conversation en Wallonie – de eerste werktitel was Au nom du Père – is geen afrekening met een reële biografie, met zijn echte vader. Louvets intellectuele vorming heeft het voor een auteur interessante voordeel opgeleverd dat de evidenties van de klassehiërarchie in vraag werden gesteld. Volgens de “klassieke theorie” moet Louvet gerecupereerd zijn door de bourgeois-cultuur, anderzijds kan hij de onderdrukking van de arbeidersklasse objectiever analyseren. De thematiek van Conversation en Wallonie is dus niet het levensverhaal van Jean Louvet, maar een poging tot ontleding van werkelijkheid en droom van de arbeidersklasse (in de Borinage en elders) én van de vreemdheid waarmee een “autochtoon intellectueel” zich daarin beweegt. Jonathan, zijn vader en zijn moeder, zijn oom en zijn neef, zijn in eerste instantie theaterfiguren, wier leven zich beperkt tot het stuk en die hun geschiedenis en toekomst slechts oproepen in de context van dit stuk, deze fabel. Het theatrale aspect werd in Marc Liebens’ enscenering trouwens nog aangescherpt. Waar in de oorspronkelijke tekst het eerste deel – Jonathans schoolgaande jeugd – zich in de directe rede als chronologisch, vrij realistisch verhaal afspeelt, heeft Liebens dit grondig gewijzigd. De opgroeiende Jonathan, het “wonderkind” werd ten tonele gevoerd als herinnering van Alice, zijn moeder. Op die manier valt het stuk in twee delen uiteen: Jonathans verleden door de ogen van zijn moeder bekeken, en Jonathans heden als een dialoog tussen zoon en (dode) vader. De breuk met het neonaturalisme à la Kroetz – een auteur waarmee Louvet vaak vergeleken is, zo zou L’aménagement een doorslagje zijn van Kroetz’ Mannenzaken – is daarmee radicaler dan in de basistekst. Michèle Fabien – dramaturge bij vele Louvet-ensceneringen, waaronder Conversation en Wallonie – vergelijkt het stuk, alle verhoudingen in acht genomen, met Shakespeares Hamlet. In het eerste deel zet de vader de begaafde, ietwat wereldvreemde Jonathan op weg naar de bevrijding, en in het tweede deel gaat Jonathan zijn eigen weg, probeert aan het “klasseverraad” te ontsnappen. Paradoxaal genoeg wordt hij daardoor in zekere mate tot een “vadermoord” gedwongen. De vader wil, via zijn zoon, ontsnappen aan de ketenen van zijn klasse, terwijl Jonathan precies de arbeidersklasse zijn geheugen wil terugbezorgen. Daarom is deze bekentenis van Grégoire (de vader) een sleutel tot de tekst: “Etre ouvrier, Jonathan, c’est se dire: ‘Qu’est-ce qu’il y a eu avant moi?’ Toi, tu le sais. Nous ne le savons pas. J’ai toujours eu l’impression que j’étais le premier sur la terre, que c’était une blague, les Pyramides, et tout ça.”

Vlucht

Jean-Marie Piemme, intellectueel en zoon van een “métallo” en dramaturg bij de eerste enscenering van Conversation en Wallonie, noteert in Le souffleur inquiet – een titel die trouwens ontleend is aan Louvets Un Faust – enkele bedenkingen over Conversation en Wallonie. Piemme stelt vast dat precies de onmiddellijke herkenbaarheid van Louvets verhaal onoverkomelijke moeilijkheden opleverde bij de enscenering. Je verloor, omwille van de affectieve band met de personages, elke controle over het stuk, dat dreigde af te glijden tot naïef populisme. Vandaar de radicale ingreep, het Verfremdungseffekt, dat in zijn brutaliteit overigens meer naar de late Strindberg (Droomspel) verwijst dan naar Brecht: de blik van Alice, de moeder, relativeert voor de toeschouwer de sentimentaliteit die de begaafde Jonathan oproept. Maar Piemme geeft toe dat zo’n oplossing een vluchtpoging blijft: uiteindelijk hebben de theatermakers, ondanks alle sympathie, de moeilijkheid om in het actuele theater rechtstreeks over het leven van de arbeidersklasse te spreken, slim ontweken. Brecht als een uitvlucht: is het een probleem voor de schrijver of voor de regisseur? Vooral voor de laatste, dunkt me.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 3 — 6 minuten

#16

15.01.1987

14.04.1987

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!