Marleen Baeten

Leestijd 14 — 17 minuten

Gesprek met Guy Cassiers

Op 30 augustus ontving Guy Cassiers de Thersitesprijs omwille van zijn veelzijdige en zijn van grote openheid getuigende œuvre. Hij slaat bruggen en geeft de sector nieuwe impulsen, zo motiveerde de jury haar keuze. Het wordt hoe langer hoe moeilijker om in Vlaanderen op dergelijke manier te werken, was Cassiers’ reactie. Twee maanden later en een aantal theatercommoties verder had Marleen Baeten een gesprek met hem. Geen ellenlange klaagzang, geen doorwrochte analyse. Alleen wat steentjes opwerpen in de hoop dat er beweging komt.

De ontslagen Van Hugo De Greef en van de artistieke leiding van het Stuc, de mislukte onderhandelingen tussen Blauwe Maandag Compagnie en Nederlands Toneel Gent, de precaire financiële situatie van het Vlaams Theater Instituut, enzovoort. Het maakt Guy Cassiers triest. Het illustreert allemaal pijnlijk goed wat hem bij de ontvangst van de Thersitesprijs op de lever lag. Meer dan eens benadrukt hij dat het om ‘een gevoel’ gaat dat hij niet echt kan duiden. Maar zijn ervaringen in zeer uiteenlopende huizen en gezelschappen kunnen het gevoel dat het theater in Vlaanderen klem-vast zit allesbehalve relativeren en daardoor wordt het almaar prangender.

Etcetera: Van 1987 tot 1992 was je artistiek leider van Oud Huis Stekelbees. Als gezelschap deden jullie datgene waarvoor vanaf 1993 de kunstencentra gesubsidieerd werden. Waarom? Waarom opeens niet meer? En waarom verliet je Oud Huis Stekelbees toen?

Guy Cassiers: Met Oud Huis Stekelbees zagen we het als onze taak om kansen te geven aan mensen die wij waardevol vonden, maar die onvoldoende aan bod kwamen. Die open structuur is dus ontstaan vanuit het verlangen om voorstellingen te maken. Na vijf jaar ontstond de behoefte om met enkele artiesten in vast dienstverband te werken. Dat viel ongeveer samen met de behoorlijke subsidiëring van de kunstencentra, waardoor Oud Huis Stekelbeesniet meer noodzakelijk die open structuur moest aanhouden. Dat was ook het ogenblik waarop ik samen met de andere leden van de artistieke ploeg de fakkel doorgaf aan een nieuwe ploeg, zoals we het bij onze start vijf jaar eerder hadden afgesproken. Kwestie van niet vast te roesten. Er wordt te weinig nagedacht over vragen als: hoe leg ik een traject af? Hoe lang blijft eenzelfde situatie gezond? Nochtans, als je je daar vooraf over bezint en knopen doorhakt, is het veel eenvoudiger om afscheid te nemen. Bovendien krijg je een grotere dynamiek als je vooraf weet: binnen die vijf jaar moet het gebeuren. Ik zeg niet dat het allemaal zo moet, maar het is een criterium dat totaal niet gehanteerd wordt in Vlaanderen.

Het werk dat Oud Huis Stekelbees vijfjaar gedaan had, gaven we graag door aan de kunstencentra. We waren er immers van overtuigd dat die deze taken beter op zich konden nemen. Achteraf gezien is dat een foutieve inschatting geweest. Hoewel de problemen bij iedereen behoorlijk anders liggen, zie ik een punt van overeenkomst: ze zitten in een schizofrene situatie, in een identiteitscrisis.

Etcetera: Waarom spreek je van een identiteitscrisis en sinds wanneer zie je die?

Guy Cassiers: Ik zie die de laatste drie jaar. Eigenlijk vanaf het ogenblik dat ze over voldoende geld beschikken om goed te functioneren is het fout beginnen te gaan. Let wel: ik ben de laatste om te zeggen dat ze minder subsidies moeten ontvangen. Het is eerder een kwestie van gelijktijdigheid. De kunstencentra zijn groot geworden samen met een aantal artiesten. Er was een soort artistieke entiteit ontstaan. Nu worden die artiesten van het eerste uur en de kunstencentra elk op zich gesubsidieerd. Ze hebben elkaar niet meer nodig.

Ik merk ook dat haast alle kunstencentra denken vanuit de beleidsnormen, of ze het er nu mee eens zijn of niet. Het resultaat primeert. Maar artiesten moeten een ontwikkeling doormaken. Ze moeten kunnen spelen en experimenteren. Ze moeten een dialoog kunnen voeren met de kunstencentra, maar daar is – mede door de concurrentiestrijd tussen de kunstencentra onderling – geen tijd en ruimte voor. Er wordt te kort op de bal gespeeld.

Ik vraag me af of de kunstencentra soms bijeenkomen om na te denken over datgene waar ze samen aan moeten werken. Ik denk dat ze alleen nog samenkomen om naar de overheid te stappen. De overheid heeft dit mee in de hand gewerkt door vragen te stellen als: waarin bestaat je eigenheid, welk is je profiel, welke plaats neem je in in je stad, enzovoort. Het resultaat: er gaat veel energie en aandacht naar het benadrukken van verschillen en het promoten van de eigen uniciteit. En natuurlijk is een zekere eigenheid interessant, maar ik vind het evenzeer een verantwoordelijkheid van de kunstencentra om zich te bezinnen over de gemeenschappelijke taken in het licht van de huidige situatie. Doordat daar op dit ogenblik niet meer over nagedacht wordt, vallen er enorme gaten. Voor de jongere generatie theatermakers is er totaal geen circuit meer, want vanaf het moment dat je ergens staat, weet je dat je het kan vergeten op de andere plaatsen. Zulk een situatie keert zich op de eerste plaats tegen de artiest.

Mede doordat dat profiel gestimuleerd wordt door de overheid, komt de organisator centraal te staan, op een heel gevaarlijke manier. De organisator bepaalt wat er moet gebeuren. Hij vertrekt van wat moet gemaakt worden, en zoekt dan naar iemand die zijn idee gestalte kan geven. De persoonlijkheid van de organisator is zeker niet zonder belang, maar bekwaamheid en vakkennis zijn toch wel de eerste vereisten. Waarom werkt iedereen zo graag met de Toneelschuur in Haarlem? Waarom gaat iedereen daar zo graag in première? Daar gaan zo’n veertigtal premières per jaar door! Wel, ik zou niet kunnen zeggen welk het artistieke profiel van de Toneelschuur is. Zij kunnen wel een aantal dingen naar voren schuiven als je vraagt wat ze wel en wat ze niet doen, maar hun uniciteit bestaat erin dat ze werken met bekwame mensen, met mensen die hun vak kennen. De mensen van de techniek, van de promotie, van het onthaal, van de keuken,… in alle geledingen kent men zijn vak door en door en weet men wat een artiest nodig heeft. In Vlaanderen wordt er niet meer nagedacht over de goede omstandigheden om een voorstelling te creëren, om een eindresultaat optimaal te presenteren aan een publiek. En natuurlijk is dat niet het enige dat telt, maar op dit ogenblik is de balans volledig uit evenwicht.

Wat er nu in het Stuc gebeurt, toont aan hoe zulk een situatie kan escaleren. Ik neem dat niemand persoonlijk kwalijk, ik neem dat de hele ploeg kwalijk. Eigenlijk gebeurt hier iets vergelijkbaars met het NTG: persoonlijke onenigheid zorgt ervoor dat een organisatie op zijn gat ligt, met het verschil dat er in het Stuc niemand overblijft en dat in het ntg de behoudsgezinden hun kans grijpen.

Etcetera: Gaat jouw kritiek op voor alle kunstencentra?

Guy Cassiers: Ik heb onvoldoende ervaring met alle kunstencentra, maar in mijn ogen is het Kaaitheater een geval apart. Het is een kunstencentrum, het heeft zelfs model gestaan voor het hoofdstuk over de kunstencentra in het decreet, maar het heeft zich nooit beziggehouden met de categorie ‘kunstencentrum’. Men is altijd vertrokken van de kunstenaar en het mogelijk maken van producties. Dat keert zich nu tegen hen. Het lijkt me logisch dat artiesten in de loop van hun ontwikkeling er soms ook behoefte aan hebben om voor een grote scène te creëren. Het Kaaitheater is meegegroeid met zijn artiesten, maar de overheid is hier niet in meegegaan. Ook het feit dat de meeste ‘Kaai-artiesten’ in de loop der jaren op eigen benen zijn gaan staan, maakt het groeiproces niet evident.

Binnen de huidige financiële mogelijkheden kan men alleen nog receptief werken, terwijl de klacht van het Kaaitheater juist ligt in het productieve aspect. Kunstenaars vonden er elkaar en kregen de ondersteuning om hun ideeën te realiseren. De ene repeteerde in hetzelfde huis waarin de andere optrad. Ze keken naar elkaar, praatten met elkaar en het jaar daarop maakten ze samen een voorstelling. Die behoefte bestaat nog altijd bij de artiesten, maar de voorwaarden zijn er niet meer. Ik begrijp dan ook dat Hugo De Greef ontslag neemt, maar ik wil hier wel onderstrepen dat ik dat heel erg vind. Het feit dat Hugo de Greef zo teleurgesteld is, overstijgt het probleem van het Kaaitheater. Blijkbaar is er op dit ogenblik nergens de mobiliteit van denken aanwezig om een richting aan te geven i.v.m. vragen als: hoe kan iets evolueren? Wat is er op dit ogenblik nodig? Dat zit zo vast als maar kan.

Daarnet hadden we het over de kunstencentra, die geld krijgen om de kleinsten, de jongsten te laten produceren. Maar dat systeem kan volgens mij niet werken. Het zijn de artiesten die op de eerste plaats subsidies moeten krijgen. Die zouden zich dan tot de kunstencentra kunnen wenden met de vraag of ze iets bij hen kunnen maken. Dat zou een heel andere dialoog geven, een gelijkwaardige dialoog die op de eerste plaats over het artistieke gaat. Nu is het kunstencentrum oppermachtig. De artiest mag al gelukkig zijn als hij subsidies krijgt van het kunstencentrum, dat is niet gezond. Er zouden argumenten moeten zijn waarom bepaalde artiesten of gezelschappen gesubsidieerd worden en waarom andere niet, ook voor de jonge artiesten. Nu lijkt het beleid meer op toevallige slagen in het water. De ene keer gaat het zus, de andere keer gaat het zo.

Etcetera: Toen je de Thersitesprijs in ontvangst nam, zei je dat het hoe langer hoe moeilijker wordt om als onafhankelijk kunstenaar te werken.

Guy Cassiers: De greep van het organisatorische op het artistieke is overal erg groot geworden. Over de kunstencentra hadden we het al, maar ook in de gezelschappen zit alles muurvast. Het aantal mensen in vaste loondienst speelt heel sterk mee in de subsidietoekenning. Gevolg: ‘losse’ artiesten worden hoe langer hoe zeldzamer in het theater. De druk om bij een gezelschap aan te sluiten wordt enorm groot, want er zijn haast geen mogelijkheden meer om als onafhankelijk artiest samen te werken met een gezelschap. Projecten vormen de enige mogelijkheid, maar die subsidiepot is heel klein. Angels in America bij het Ro Theater was een project, maar waar kan ik in Vlaanderen iets op die schaal doen? Hiroshima mon amour zou ik artistiek gezien en met de aanwezige technische know-how alleen kunnen maken binnen het Kaaitheater, maar financieel kan het Kaaitheater dat niet aan. Ook het Kunstenfestival kan dat niet alleen aan. Om die productie mogelijk te maken, zijn we naar Nederland moeten gaan, waar we het Holland Festival en de Toneelschuur in Haarlem als partners vonden.

Voor de projecten die echt vanuit mezelf vertrekken, kan ik misschien nog bij het Kaaitheater terecht, en als het met muziek te maken heeft bij Het Muziek Lod. Maar verder, waar kan ik terecht? De kunstencentra zijn niet geïnteresseerd, want ze kunnen zich niet met mij identificeren, zelfs als ze het een interessant project zouden vinden, want zij ‘maken’ mij niet meer. Ik ben geen jongejan. Binnen de projectjes kan ik ook niet meer terecht, want die pot is al ontoereikend voor de jonge mensen. Er is dus een situatie gecreëerd waarin veel artiesten niet meer gestimuleerd worden om na te denken over wat ze graag zouden doen; het wordt hen zelfs onmogelijk gemaakt. Nochtans is dat voor mij een vertrekpunt. Maar voor wie vanuit een artistiek idee vertrekt, zijn er geen mogelijkheden in Vlaanderen.

Etcetera: Jouw vertrekpunt sluit aan bij de overwegingen van kunstenaars als Josse De Pauw, Tom Jansen (samen Laagland) en anderen, die een structurele erkenning als gezelschap aanvroegen maar niet kregen, met als argument: interessante kunstenaar, maar niet in staat om een gezelschap te dragen. Hen werd geadviseerd om aan te kloppen bij de bestaande gezelschappen.

Guy Cassiers: Ja, het is toch wel heel raar dat er niet gewoon vertrokken wordt van mensen die een voorstelling willen maken. Ik ben ervan overtuigd dat haast alle gezelschappen denken als volgt: we hebben zoveel mensen in dienst, dus wat gaan we spelen? Maar dat is toch een foutieve denkwijze. En iedereen neemt dat zomaar over.

Bovendien, als aan onafhankelijke kunstenaars geadviseerd wordt om aan te kloppen bij bestaande gezelschappen, dan zou ik wel eens willen weten bij welke. Zoals we er nu voor staan, lijkt het wel alsof een open manier van werken alleen mogelijk is bij de kleine gezelschappen. Nochtans zou het ook moeten kunnen bij de grote structuren. Ik was dan ook heel gelukkig met het initiatief van de Blauwe Maandag Compagnie, zowel voor de Blauwe Maandag Compagnie als voor het NTG. Hun voorstel bestond erin om beide bestaande gezelschappen op te heffen, zodat ze vanuit een grote open structuur konden vertrekken met Luc Perceval als artistiek leider. De nieuwe structuur zou volledig vanuit artisieke impulsen opgebouwd worden. Beide gezelschappen zouden de artistieke invulling van de voorbije jaren naast zich neerleggen. De kernvraag was: welke mensen spreken we aan? Een ldein ensemble en heel veel gasten die project per project zouden aangezocht worden, dat was het idee. Mensen die aan enkele producties na elkaar zouden meewerken, zouden in dienstverband kunnen tewerkgesteld worden… Maar het heeft niet mogen zijn.

Eigenlijk had dit organisch doorgroeien van een gezelschap al veel eerder moeten gebeurd zijn, en niet alleen door toedoen van de twee partners, maar mede gesteund door een beleid. Waarom dat nu scheef gelopen is, is in de eerste plaats te wijten aan de afwachtende houding van de overheid, waarbij de Raad van Advies zeker niet vrijuit gaat. Kijk, ik heb een krantenknipsel bij me waarin Johan Thielemans (voorzitter van de Raad voor Nederlandstalige Dramatische Kunst) zegt: ‘Er is veel gediscussieerd de afgelopen jaren. Je kan alleen maar hopen dat de belangrijke theatermakers deze gezelschappen in handen zouden nemen.’ Dat zegt hij dus zelf: ‘je kan alleen maar hopen’. Terwijl ik denk dat een Raad van Advies daar iets zou kunnen forceren. Toen de Blauwe Maandag Compagnie zijn voorstel aan het ntg geformuleerd had, las ik in de krant dat Johan Thielemans ‘gelukkig was met het initiatief’. En achterafhoor je niets, terwijl de Raad de aangehaalde redenen voor het afspringen van de onderhandelingen zó kan weerleggen. Zij zouden daar de derde gesprekspartner moeten zijn.

Als zij daar een meer stimulerende en ondersteunende rol hadden gespeld, zou het misschien een ander gesprek geworden zijn. Bijzonder schrijnend was dat er meteen na het afgeblazen initiatief een kleine advertentie verscheen tussen de werkaanbiedingen. Plots, een klein half jaar na het ontslag van artistiek leider Hugo van den Berghe, zocht men een vervanger die zich nota bene binnen een week moest aanmelden. Het is onvoorstelbaar dat de Raadniet reageert wanneer een gezelschap dat ze zoveel geld geven, zijn artistiek leider op een dergelijke manier zoekt. Waarschijnlijk ligt het al lang vast wie de nieuwe artistieke leider moet worden en is dit gewoon een camouflagemanoeuvre. Ik vind dat de Raad hier een kans heeft laten liggen om de concrete gang van zaken te verheffen tot een politiek item.

Nu tekent het probleem zich heel scherp af, maar eigenlijk heeft het beleid een dergelijke situatie mee in de hand gewerkt. Adviezen die twee miljoen minder geven aan het ntg en twee miljoen meer aan de kns – slecht gewerkt, goed gewerkt-, dat getuigt toch niet van visie. Beleid is toch meer dan punten geven? Waarom kan de Raad niet de wens formuleren dat er andere mensen in die instellingen komen? De minister doet er dan nóg zijn zin mee, maar blijkbaar durft men zelfs op het niveau van een advies zijn nek niet uitsteken. Men laat het liever aan de artiesten over om het met elkaar uit te vechten. Maar dat slaat veel diepere wonden dan de beslissing van een overheid.

En wat meer is, het gaat hier niet om een particulier probleem van het NTG. Binnen enkele jaren rijst het probleem in de KNS of in de KVS. Nu sluiten die daar de ogen voor. Zolang de problemen zich elders afspelen, gaat het bij ons goed, lijkt men wel te denken. Maar de situatie is juist zo ziek kunnen worden omdat daar al lang andere mensen hadden moeten zitten. En het gaat dan niet alleen over de Blauwe Maandag Compagnie, maar ook over Ivo van Hove en eventuele anderen. Dan waren er dingen gebeurd. Ik ben ervan overtuigd dat die mensen er wel gaan komen, maar wanneer? En op welke manier? En zullen ze dan nog de push hebben om de dingen te doen die ze nu fantastisch zouden kunnen binnen dat kader? Voor mij gaat het niet in de eerste plaats om meer geld maar om de doorstroming, waardoor er daaronder dan ook weer dingen kunnen gaan verschuiven en nieuwe mogelijkheden worden geschapen.

Wat de gebeurtenissen in het NTG betreft, zou elke buitenstaander het voorstel formuleren dat de Blauwe Maandag Compagnie nu heeft gedaan. De situatie zou er alleen maar op verbeteren, op artistiek vlak, maar ook op vlak van management en van tewerkstelling. Want voor elke ontslagen acteur komen er twee in de plaats. Er wordt altijd gereageerd vanuit een behoudsgezindheid. Men bekijkt wat verdwijnt, maar niet wat de mogelijkheden zijn.

Eigenlijk is dat dezelfde discussie als m.b.t. het Kaaitheater. Ook de sympathisanten van het Kaaitheater argumenteren veel te sterk vanuit wat het Kaaitheater gedaan heeft en niet vanuit de mogelijkheden die er zijn. Dat is naast de realiteit kijken. Tegelijk vergt een reflectie over het Kaaitheater nog meer creativiteit, gewoon omdat er geen voorbeelden zijn van hoe dergelijke organisaties adequaat kunnen doorgroeien. In elk geval toont de huidige situatie aan hoe het hanteren van de categorie als norm leidt tot een beleid van de grootste gemene deler. Maar eigenlijk hangt het werken vanuit de artiest niet samen met of je nu een kunstencentrum of een gezelschap bent. Ik zeg dus zeker niet dat we nieuwe structuren moeten gaan uitdenken.

Etcetera: Zijn er volgens jou te veel structuren?

Guy Cassiers: Ja, en ook te veel theaters. Het gaat om wat er in die theaters gebeurt. De hele stagnatie heeft volgens mij onder andere te maken met de volledig op zichzelf staande werkingen. Er zijn haast geen contacten tussen kunstenaars, gezelschappen en organisatoren onderling, terwijl ik ervaar dat ze veel gemeenschappelijk hebben. Theaters zouden letterlijk ruimtes kunnen zijn waar die mensen elkaar ontmoeten, waar gezelschappen kijken naar elkaar en zoeken op welke vlakken ze elkaar kunnen helpen.

Etcetera: Denk je dan aan een initiatief als De Onderneming, waarbij Maten, De Vereeniging en Ryszard Turbiasz samen een subsidieaanvraag indienden als gezelschap?

Guy Cassiers: Ja, maar het gebeurt alleen op de kleinste schaal. Ook op de grootste schaal zou dat moeten kunnen. De gezamenlijke productie van de Blauwe Maandag Compagnie en Toneelgroep Amsterdam vorig seizoen en de samenwerking tussen KVS en de Trust vond ik in die zin heel gezond. En het zou toch fantastisch zijn indien de grote losse gezelschappen zoals de Blauwe Maandag Compagnie, Toneelgroep Amsterdam en het Zuidelijk Toneel tot een artistieke dialoog zouden komen en ze samen hun werk zouden tonen in het Lunatheater en op andere plaatsen.

Etcetera: Daarnet pleitte je voor de productieve werking van het Kaaitheater. Zou die niet in het gedrang komen door een uitgebreide receptieve werking in het Lunatheater. Produceren vergt repetitieruimte en dus de beschikbaarheid van de zaal.

Guy Cassiers: Dat probleem zou niet bestaan indien er goede repetitiemogelijkheden op die schaal voorhanden waren. In se hoeven receptief en productief werken elkaar toch niet uit te sluiten. Misschien moeten al die mensen eens rond de tafel gaan zitten.

Etcetera: In opdracht van Minister Martens voerde het Vlaams Theater Instituut een studie uit met als vraagstelling waarom het Vlaamse podiumkunstenlandschap vandaag minder toegankelijk is voor nieuwkomers en pretendenten. Heb je het onderzoeksrapport gelezen?

Guy Cassiers: Ja, en ik sta uiteraard achter de gemaakte keuzes: ontwikkeling, flexibiliteit, onderzoek,… Het is goed dat benadrukt wordt dat er op dit vlak veel te weinig gebeurt, maar de conclusies wekken de indruk dat er nieuwe mogelijkheden moeten worden gezocht. Ikzelf geloof niet in veranderingen dankzij extra voorzieningen en regelgevingen. Ik vind dat het bestaande voldoende mogelijkheden biedt. Alleen moet alles kritischer bekeken worden.

Wat ik heel erg waardeer in het onderzoek, is het onderscheid dat men maakt tussen ontwikkelingen op het niveau van de artiest, van de organisatiestructuur en van het landschap. Het zijn drie verschillende elementen, die vanuit een onafhankelijke positie met elkaar zouden moeten kunnen functioneren. Maar vandaag de dag bepaalt het organisatorische in grote mate het artistieke. Een aantal belangrijke gezelschappen zoals Needcompany, Rosas en Jan Fabre hebben het ontwikkelingsproces dat hen door het regulerend subsidieapparaat werd opgelegd, kunnen vermijden, mede dankzij het Kaaitheater dat internationale samenwerkingsverbanden mogelijk maakte. En dan is het toch wel schrijnend contradictorisch dat ze nu gepromoveerd worden tot baronessen en culturele ambassadeurs, terwijl ze groot geworden zijn door hier weg te lopen.

Etcetera: Zijn er in het VTI-onderzoek ook elementen waar je kritisch tegenover staat?

Guy Cassiers: Een eerder klein punt, waar ik het bijzonder moeilijk mee heb, is waar men pleit voor experimenten binnen de bestaande structuren. Ik vind het goed dat men het zoeken naar andere vormen stimuleert, maar niet als men dat hanteert als criterium voor de schouwburgen die daar handig gebruik van maken als afleidingsmanoeuvre. Zo was Het Salon heel zinvol an sich, maar het is heel spijtig dat dergelijke dingen met subsidies van het ntg moesten gebeuren. Op die manier wordt de discussie over de grote gezelschappen er niet klaarder op en worden jonge mensen misbruikt binnen de gevestigde structuren.

Etcetera: Welke rol speelt de pers in de ontwikkeling van het theater?

Guy Cassiers: Eén van de redenen waarom ik zo blij ben met de Thersitesprijs is dat het een aanleiding is om het over deze achterliggende problematieken te hebben. Er zijn heel weinig plaatsen waar nagedacht wordt over het theater. Er is Etcetera, en ook het vti doet wat in zijn mogelijkheden ligt… en zelfs daar wordt de kraan toegedraaid. Maar de kranten en tijdschriften nemen die verantwoordelijkheid niet op. Nu valt er heel veel te zeggen over het gebrek aan respect dat deze media opbrengen voor hun journalisten. De omstandigheden waarin die mensen moeten werken en de lage financiële vergoeding zijn zeker cruciaal voor het probleem. Toch neemt dat niet weg dat ik kritiek heb op de enge manier waarop men in kranten en tijdschriften kijkt naar het theater. Neem nu de gebeurtenissen in het ntg, het Kaaitheater en het Stuc, daar wordt over geschreven alsof er niets aan voorafgegaan is. Dat gaat alleen maar over het hier en het nu. Ikzelf ben de laatste die een goed kader kan schetsen, maar ik verwacht het wel van de journalisten.

Ze moeten niet noodzakelijk standpunten innemen, maar ze moeten vragen stellen: wat gebeurt er en waarom gebeurt dat nu? Door vragen te stellen zouden ze het anekdotische kunnen overstijgen en zouden er misschien ook standpunten gevormd worden. Het uitblijven van reacties, zoals we dat in de drie genoemde gevallen hebben meegemaakt, zou in Nederland ondenkbaar zijn. Daar zouden de discussies misschien té publiekelijk uitgevochten worden, maar het zou in geen geval de revue passeren alsof er niets gebeurd was.

Vlaanderen is zo dubbel. Aan de ene kant hebben we geen cultureel verleden en aan de andere kant worden we er constant mee geconfronteerd in termen van ‘jij jonge snaak, je moest eens weten wat wij allemaal gedaan hebben nog voor je geboren was’. En in die zin worden we voortdurend beloond voor datgene dat we ooit eens hebben gedaan, maar zijn er nooit de mogelijkheden voor de mensen op het ogenblik dat ze ze nodig hebben.

Thersites, de Vlaamse Vereniging ter Bevordering van de Theaterkritiek, reikt sinds 1992 jaarlijks een prijs uit aan een productie, een gezelschap, een individuele kunstenaar of een persoonlijkheid uit de podiumkunsten. Het Noordstarfonds stelt een bedrag van 100.000 Bf. ter beschikking. Dit jaar bestond de jury uit Geert Van der Speeten, Geert Sels en Marleen Baeten.

 

gesprek
Leestijd 14 — 17 minuten

Marleen Baeten

Marleen Baeten is lesgever in Open School Leuven en freelancer in de kunstensector.

gesprek