Raymond Detrez

Leestijd 10 — 13 minuten

GENOCIDE OP DE BALKAN

Raymond Detrez over de smalle grens tussen etnische zuiveringen en genocide, over de inflatie van het woord ‘genocide’.

Genocide is een fenomeen van alle tijden en van overal, maar het heeft sinds het begin van de 19de eeuw in Europa een bijzondere dimensie gekregen. Dat heeft te maken met de opkomst van de ideologie van het nationalisme die voorhoudt dat de natie – in de praktijk is dat in Europa de ‘etnische natie’ -en de staat congruent moeten zijn. Dat impliceert dat binnen de grenzen van een ‘natuurlijke’ staat enkel mensen kunnen leven die behoren tot dezelfde etno-culturele gemeenschap (zelfde taal, eventueel ook zelfde religie, zelfde zeden en gewoonten, gemeenschappelijk verleden enzovoort), kortom, die behoren tot hetzelfde volk. Leden van andere etno-culturele gemeenschappen (minderheden) moeten verdwijnen. Om dat te bereiken staat een waaier van middelen ter beschikking: van gedwongen assimilatie (bijvoorbeeld de afschaffing van faciliteiten inzake taalgebruik in de administratie) over het wegpesten en verdrijven van de leden van andere etno-culturele gemeenschappen (etnische zuiveringen) tot genocide.

Op de Balkan bestaat de neiging de term ‘genocide’ in journalistiek populair-historisch taalgebruik te pas en te onpas te gebruiken, waardoor een zekere inflatie optreedt. Zo wordt gedwongen assimilatie al gauw ‘culturele genocide’ genoemd – wat tot de verbeelding spreekt, maar natuurlijk niet correct is. Het verwijderen van minderheden uit de resultaten van volkstellingen wordt dan ‘statistische genocide’ – wat eveneens een oneigenlijk gebruik van de term is. Maar helaas zijn er ook heel wat gelegenheden waarbij volkomen terecht van genocide in de eigenlijke zin van het woord kan gesproken worden. Toch berust de idee dat genocide typerend zou zijn voor de Balkan en op de Balkan vaker en/of op grotere schaal zou voorkomen dan in West-Europa meer op zelfgenoegzaamheid dan op kennis van zaken. De holocaust en de verdrijving van de Duitsers uit Polen en Tsjechoslowakije tijdens en na de Tweede Wereldoorlog blijven nog steeds ongeëvenaard.

De wenselijkheid van staten met een etno-cultureel zo homogeen mogelijke bevolking is trouwens een West-Europees idee, dat aan de Balkanvolken opgedrongen werd als het nec plus ultra van de moderne staatsorganisatie. De toepassing ervan in gebieden met zeer gemengde bevolkingen, zoals die op de Balkan overal voorkomen, heeft tot catastrofes geleid. Overigens staat ook de idee van de multiculturele samenleving, die vandaag de dag vanuit het Westen wordt aangeprezen, met zijn nadruk op het behoud van culturele identiteit, al even dwars op de Balkantradities als de etno-culturele homogeniteit. Typerend voor de Balkan, althans in de pre-nationalistische periode, tot op het einde van de 18de eeuw, zijn precies de eeuwenlange processen van etno-culturele versmelting door spontane taalkundige en in mindere mate religieuze assimilatie.

Het discours evenwel waarmee de realisatie van de etno-culturele homogeniteit binnen de diverse Balkanstaten gepaard ging – en waartoe ook de rechtvaardiging behoort die eventueel aan genocide gegeven wordt -heeft op de Balkan bepaalde typerende kenmerken. Zo wordt het doel van de nationale bewegingen in de 19de eeuw – het einde van de vijf eeuwen oude Osmaanse dominantie en de nationale onafhankelijkheid -gezien als het herstel van de eigen staat, zoals die – althans volgens sommige nationalistische historici – zou bestaan hebben vóór de verovering van het Balkanschiereiland door de Osmaanse Turken in het laatste kwart van de 14de eeuw. Met ‘herstel’ wordt niet alleen het herstel bedoeld van de eigen staat met de omvang die deze had in de periode van maximale expansie, maar ook het herstel van de voormalige etno-culturele situatie. Daarbij wordt de middeleeuwse staat voorgesteld als etnisch, dus wat taal en religie betreft homogeen. Dit impliceert dat mensen die andere talen spreken dan die van de dominante gemeenschap in de staat en/of een andere religie belijden, moeten ‘verdwijnen’.

Dit ‘verdwijnen’ geldt in het bijzonder voor Turken en moslims, die zich onbetwistbaar pas na de komst van de Osmanen naar de Balkan op het grondgebied van de staat in kwestie gevestigd hebben. De Turkse moslims zijn dan ook de eerste slachtoffers geweest van etnische-homogeniseringsmaatregelen, inclusief genocide. Tijdens de Griekse en de Servische onafhankelijkheidsoorlogen in het begin van de 19de eeuw werden vele duizenden Turken verdreven of afgeslacht – niet alleen Osmaanse ambtenaren en militairen, maar ook onschuldige boeren. Tijdens de Russisch-Osmaanse oorlog van 1877-78 verdween de helft van de Turkse bevolking uit Bulgarije – ongeveer 700.000 mensen. Ze werden verjaagd of vermoord of kwamen om van ontbering.

Landverhuizers

Overigens hadden etnische zuiveringen en genocide niet alleen plaats om etno-culturele homogeniteit te creëren. Het verdrijven en uitmoorden van de Turkse bevolking gebeurde dikwijls met de bedoeling zich meester te maken van de eigendommen van de verjaagden. De verdeling van de gronden van de Turkse ‘landverhuizers’ vormde één van de belangrijkste interne politieke kwesties in de jonge Griekse en Servische staat. Ook tijdens de (burger)oorlog in Kroatië en Bosnië-Hercegovina hebben de uitvoerders van de etnische zuiveringen zich op grote schaal schuldig gemaakt aan plunderingen. De woningen van de verdrevenen werden vaak door anderen ingepalmd.

Niet alleen Turkse moslims, maar alle moslims op de Balkan zijn het slachtoffer geworden van homogeniseringsmaatregelen als gedwongen bekeringen tot het christendom, verdrijvingen, slachtpartijen. Dus ook die moslims die op basis van taalkundige criteria tot het ‘eigen volk’ behoorden, b.v. de Pomakken(Bulgaarse moslims) en de Bosnjakken (Bosnische moslims), die Bulgaars, respectievelijk Servo-Kroatisch spraken, dezelfde taal dus als hun belagers. Tijdens de Balkanoorlogen in 1912-13 ondernamen de Bulgaarse autoriteiten massale bekeringscampagnes onder de Pomakken in het pas door hen veroverde Rodopengebergte. In Kosovo en Montenegro werd de Albanesebevolking systematisch en met gebruikmaking van zoveel geweld verjaagd, dat het onderscheid tussen etnische zuiveringen en genocide vervaagde. De onderdrukking en vervolging van moslim volks- of althans taalgenoten was mede het gevolg van het feit dat in het Osmaanse Rijk tot ver in de 19de eeuw alle moslims ‘Turken’ genoemd werden – zoals alle orthodoxe christenen ‘Grieken’ waren. Die gewoonte bestaat vandaag nog steeds in Griekenland en Servië. Tijdens de (burger)oorlog in Bosnië noemden de Serven de Bosnjakkendenigrerend Turken en generaal Mladic beschouwde de moord op meerdere duizenden Bosnjakken in Srebrenica als ‘wraak’ voor wat ‘de Turken’ – de Osmaanse Turken – de Serven gedurende eeuwen aangedaan hadden. In leerboeken geschiedenis, historische romans en films, vervaardigd op de Balkan, wordt systematisch een bloedstollend beeld gegeven van het ‘Turksejuk’ als een periode van slavernij en onophoudelijke slachtpartijen. Daarmee wordt dan de discriminatie en slechte behandeling van Turken – echte, etnische Turken en moslims tout court -gerechtvaardigd: de Turken moeten boeten voor wat hun voorouders de Osmaanse Turken in het verleden aangericht hebben. De niet-Turkse moslims ondergaan hetzelfde lot, want zij hebben als renegaten met de Osmaanse Turken gecollaboreerd. Daarbij moet men voor ogen houden dat de Albanese en Bosnische (en in mindere mate de Bulgaarse) moslims over het algemeen goed geïntegreerd waren in het Osmaanse staatsbestel en tal van privilegies genoten. Ze hebben de Osmaanse staat vaak tot het laatste moment verdedigd – ook wel in de wetenschap van wat hen te wachten stond na het verdwijnen van die staat.

Dat gestreefd werd naar etnische homogenisering en niet enkel naar een homogeen christelijke bevolking, blijkt uit de etnische zuiveringen die tijdens de Balkanoorlogen en later werden uitgevoerd ten aanzien van anderstalige christenen. Orthodoxe Albanezen en Bulgaren werden verjaagd uit Griekenland, Grieken en Roemenen uit Bulgarije, Bulgaren uit Roemenië, enzovoort. Ook hier weer gingen de etnische zuiveringen soms gepaard met zulke barbaarsheden, dat de kwalificatie genocide wellicht niet misplaatst is.

Het streven naar herstel van de pre-Osmaanse staat reikte verder dan het traditionele irredentisme, waarbij in principe enkel gebieden bewoond door volksgenoten ‘bevrijd’ en geannexeerd worden. Er werd ook gestreefd naar de annexatie van gebieden waar de volksgenoten een minderheid vormden of zelfs helemaal afwezig waren, maar die wel ooit in het verleden deel uitgemaakt zouden hebben van de eigen staat. Kosovo is een goed voorbeeld van zo’n gebied: de Albanese aanwezigheid bedroeg in de Middeleeuwen slechts enkele percenten, maar door gestage immigratie van Albanezen en een snelle aangroei van de Albanese bevolking was het gebied in 1913, toen het deel ging uitmaken van het Koninkrijk Servië, al voor tweederde bevolkt door Albanezen. De serbisering van Kosovo stelde, om deze numerieke redenen, grote problemen en de getroffen maatregelen waren, zoals we zagen, al van in het begin bijzonder radicaal: ook hier weer etnische zuiveringen, uitgevoerd met een brutaliteit die aan genocide grenst. Een bijkomende reden om compacte en omvangrijke minderheden op een of andere manier te ‘elimineren’, is het gevaar dat ze met zich meebrengen voor territoriale aanspraken van een buurland dat zijn onderdrukte volksgenoten wil ‘bevrijden’ door annexatie van hun woongebied. Etnische zuiveringen, eventueel overgaand in genocide, worden dan ook vaak toegepast om onderhandelingsposities te verstevigen. Op een gebied, waaruit een bepaalde etno-culturele gemeenschap definitief verdwenen is, kan deze gemeenschap immers geen territoriale aanspraken meer maken. Deze overweging was doorslaggevend bij de etnische zuiveringen die werden doorgevoerd tijdens de Balkanoorlogen en tijdens de (burger)oorlog in Bosnië. De Serven verdreven Bosnjakken en Kroaten uit gebieden die ze als Servisch beschouwden om te beletten dat later Bosnjakken en Kroaten deze gebieden zouden opeisen met het argument, dat ze bewoond werden door volksgenoten. Om dezelfde reden verdreven de Kroaten Serven en naderhand ook Bosnjakken uit de gebieden die ze als Kroatisch beschouwden. De verdrijving van Serven uit Kosovo door de Albanezen sinds de zomer van 1999 is er eveneens op gericht de etnische aanspraken van Servië op Kosovo te ondergraven.

Etnische zuiveringen en genocide kunnen ook om puur militair-tactische redenen uitgevoerd worden, zonder dat het daarbij de bedoeling is de getroffen bevolking definitief te verwijderen. In de zomer van 1998 bestreden de Serven in Kosovo het UCK door de dorpen, waar het zich schuil hield, systematisch te bombarderen en de dorpelingen, die al dan niet van harte onderdak boden aan de guerrillastrijders, massaal te verdrijven. Dit is, zoals onder meer het Amerikaanse optreden in Vietnam aantoonde, de gebruikelijke manier om guerrilla-activiteiten te bestrijden. De Serven waren daarbij het actiefst in de streek van Drenic – een traditionele Albanese verzetshaard – en langs de Albanese grens, ten einde de aanvoerroutes van wapens uit Noord-Albanië af te snijden. Enkele honderdduizenden Kosovaren geraakten op de dool en velen vluchtten de grens over, maar het was op dat ogenblik niet het Servische opzet Kosovo etnisch te zuiveren, laat staan over te gaan tot een genocide.

Tijdens de NAVO-bombardementen in de zomer van 1999 werden Kosovarenwel systematisch door de Serven verdreven. Het is echter weinig waarschijnlijk dat de Servische leiding werkelijk gedacht heeft dat de internationale gemeenschap niet vroeg of laat de terugkeer van deze verdrevenen zou afdwingen. Het is veel aannemelijker dat, zoals Rob De Wijk in Pyrrus in Kosovo (Amsterdam, 2000) betoogd heeft, de Servische leiding door een massale vluchtelingenstroom op gang te brengen, druk wilde uitoefenen op de NAVO ten einde de bombardementen te staken. Gezien de ‘onkwetsbaarheid’ van de NAVO-luchtmacht en de afwezigheid van NAVO-grondtroepen, die konden aangevallen worden, was dit zowat het enige middel dat de Serven ter beschikking stond. De NAVO kwam door de vluchtelingenstroom ook inderdaad sterk onder druk te staan, maar is uiteindelijk toch niet gezwicht.

In 1999 vertoonde de verdrijving van de Kosovaren wel ook de kenmerken van een echte etnische zuivering. Blijkbaar oordeelde de Servische leiding dat nu er diplomatiek niets meer te verliezen was, beide – oorlogvoering en etnische zuivering – in één moeite door konden. Zo werden bijvoorbeeld identiteitspapieren, eigendomsbewijzen en dergelijke vernietigd en woningen geplunderd en in brand gestoken om de terugkeer van de vluchtelingen onmogelijk te maken. Milosevic werd door het Internationale Tribunaal in Den Haag dan ook met reden beschuldigd van oorlogsmisdaden, waardoor zijn internationale positie uiteindelijk nog meer verzwakte.

Zoals hier al enkele malen gebleken is, blijkt er dikwijls geen strikt onderscheid te maken tussen etnische zuiveringen en genocide. Etnische zuiveringen gaan dikwijls – hoewel lang niet altijd – met een zulke mate van fysiek geweld gepaard dat er doden vallen. Vaak worden met opzet mensen omgebracht om de bevolking te intimideren. Hoeveel doden moeten of mogen er vallen alvorens er sprake is van genocide? Of volstaat al de intentie mensen op basis van hun etno-culturele kenmerken fysiek te liquideren en volstaat één slachtoffer? Er zijn diverse definities van het begrip ‘genocide’ in omloop, elk met hun eigen juridische implicaties, maar het lijkt voor de hand te liggen dat doden met de bedoeling leden of de leden van een bepaalde etno-culturele gemeenschap van een bepaalde plaats te verwijderen als genocide kan bestempeld worden, hoe veel of hoe weinig slachtoffers er ook vallen.

Wederzijdse genocide

Een ander probleem vormt wat we ‘mutuele genocide’ zouden kunnen noemen. Is er ook sprake van genocide wanneer twee of meer strijdende partijen, met de bedoeling eikaars bevolking te verjagen, massaal slachtoffers maken onder de civiele bevolking? Zou de holocaust nog steeds de holocaust zijn indien de Joden ook zes miljoen Duitsers in uitroeiingskampen omgebracht hadden?

Wanneer men aanvaardt dat moorddadige vormen van etnische zuiveringen als genocide kunnen bestempeld worden, lijkt het perfect mogelijk dat legers en milities van diverse nationale herkomst, strijdend om een etnisch gemengd gebied, zich alle aan genocide schuldig maken. Dit lijkt het geval te zijn in de recente conflicten in ex-Joegoslavië, met name in Bosnië-Hercegovina. Wanneer we kijken naar de cijfers van de slachtoffers van de oorlog in Bosnië-Hercegovina, dan constateren we dat onder de drie betrokken partijen – Bosnjakken, Kroaten en Serven – een groot aantal slachtoffers is gevallen: volgens min of meer officiële cijfers van de Bosnische regering van onmiddellijk na het conflict waren dat 180.000 Bosnjakken, 120.000 Serven, 35.000 Kroaten. Deze getallen bevatten ook de indirecte slachtoffers van de oorlog en liggen, naar later is gebleken, te hoog, maar de verhoudingen tussen de aantallen slachtoffers binnen de drie groepen kloppen. Het blijkt dat binnen elke gemeenschap proportioneel ongeveer hetzelfde aantal slachtoffers gevallen is, met die correctie dat de Bosnjakse slachtoffers oververtegenwoordigd en de Kroatische ondervertegenwoordigd zijn. De cijfers van de ‘potentiële’ slachtoffers van de genocide – de vluchtelingen, waartoe we zowel refugees (buiten Bosnië-Hercegovina) als displaced persons (binnen Bosnië-Hercegovina) rekenen – leveren ongeveer hetzelfde beeld op. Deze cijfers tonen aan dat de drie gemeenschappen het slachtoffer zijn geweest van etnische zuiveringen en genocide, zij het niet alle drie in dezelfde mate. Ze impliceren ook dat er zich onder de drie strijdende partijen mensen bevinden, die zich aan etnische zuiveringen en genocide hebben schuldig gemaakt – mensen die als oorlogsmisdadigers (zouden moeten) veroordeeld worden. De ene schuld wist natuurlijk de andere niet uit.

Bij de recente gebeurtenissen in Kosovo kan de vraag gesteld worden naar de omvang van de genocide. Tijdens de acties van het UCK en de represailles daartegen van de Servische ordestrijdkrachten in 1998 vielen er in Kosovoongeveer 2000 doden – militairen en civiele personen. Zoals we al zagen had het Servische militaire optreden vooral de uitschakeling van het UCK op het oog. Op dat moment was er nog geen sprake van echte etnische zuiveringen en dus ook niet van genocide – al zal de vlucht van vele duizenden Kosovaren voor de Servische nationalisten zeker geen ongewenst bijeffect geweest zijn. Hoe dan ook kunnen de doden niet bestempeld worden als slachtoffers van genocide – zij het natuurlijk wel van een bijzonder brutaal en inhumaan militair optreden.

Tijdens de bombardementen in 1999 voerden de Serven volgens NAVO-woordvoerder Shea massale slachtingen uit onder de Kosovaarse bevolking, waarbij cijfers tussen 10.000 en 100.000 slachtoffers genoemd werden. Deze genocide vormde een van de belangrijkste legitimaties van het NAVO-optreden. In de periode tussen het beëindigen van de bombardementen begin juni 1999 en het begin van de winter slaagden forensische teams erin, na onderzoek van een derde van het aantal massagraven, 2.108 lijken op te graven. In de periode tussen het hervatten van de opgravingen in de lente van 2000 en half augustus zijn daar nog 680 lijken bijgekomen. De som van beide getallen klopt ongeveer met het aantal als gedood of vermist opgegeven personen. Een deel van de lijken is afkomstig van UCK-strijders, die sneuvelden tijdens de verbeten gevechten tussen de guerrillero’s en de Servische ordestrijdkrachten tijdens de NAVO-bombardementen, en kunnen dus niet als slachtoffers van genocide aangerekend worden. Anderen stierven wel als gevolg van de oorlog, maar niet in het kader van genocide. Van nog anderen weet men niet in welke omstandigheden ze om het leven kwamen en welke hun nationaliteit is. De aantallen zijn van die aard dat ook hier weer de indruk ontstaat dat de moorden gebeurden in het kader van de verdrijving van de Kosovaarse bevolking- om tactische redenen of met het oog op etnische zuivering-, en dus veeleer een middel waren dan een doel. Drieduizend slachtoffer op een totaal van bijna twee miljoen, in een situatie van oorlog, is volgens deskundigen een te klein aantal om de beschuldiging van genocide juridisch hard te maken – en genocide is dan ook niet opgenomen op de lange lijst van misdaden die Milosevic in Den Haag ten laste gelegd worden.

 

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

Raymond Detrez

artikel