Jef De Roeck

Leestijd 3 — 6 minuten

Gelezen

“Maar een bijna nog onrustbarender aspekt van de krisis was hel publiek, dat al te vaak verstek liet gaan. Als een voorstelling plots moet afgelast worden wegens ziekte, en er zijn voor die avond amper vijf plaatsjes vooraf besteld, dan is dat een akelig teken aan de wand. Als het NTG ‘technische redenen’ moet uitvinden om een voorstellingsreeks bij gebrek aan publieke belangstelling af te toppen, moeten er vragen rijzen. Wat zijn de redenen voor dit absenteïsme? Ik kan er twee suggereren. Ten eerste werd de toeschouwer – die in deze tijden ook meer behoefte heeft aan een houvast dan aan een vacuüm – goeddeels afgeschrikt door een rage van enige stylistische nieuwlichterij (‘nieuwe estetiek\ ‘postmodernisme’, ‘dekadentisme’, ‘nieuwe teatraliteit’?), waarvoor zelfs de oude Goethe nergens veilig bleek te zijn. Het is bekend dat een publiek, in doorsnee, afwijzend staat tegenover tegendraadse opvattingen en dat het die pas later eventueel kan rekupereren. Het zou natuurlijk artistiek ongezond zijn om als teatermaker zonder meer toe te geven aan dit fenomeen, maar het is evengoed onjuist om het te miskennen of om het als onbelangrijk af te wijzen. De toeschouwers moeten niet noodzakelijk altijd gelijk krijgen, maar ze dienen op z’n minst au sérieux genomen te worden.

Ten tweede is ook de kultuur-konsument vandaag de dag niet meer bereid om zijn goede geld uit te geven aan een produkt dat volgens ingewonnen informatie geen bevredigende kwaliteitsnorm haalt. Daarom moet allicht een matte Dertiende nacht afgevoerd worden en blijft het publiek storm lopen voor Eindspel‘. En dan wordt er nog altijd wel ergens een goede film gedraaid, een medium dat voorheeft op teater dat de kwaliteiten al vooraf bekend zijn en bovendien vastliggen.” (edap),(Gezelschappen zoeken publiek. Overzicht Gents teaterseizoen ’82-’83, in De Gentenaar en Het Nieuwsblad, editie Oost-Vlaanderen, 11.7.83)

“De repertoirekeuze is in belangrijke mate ook een gewetenszaak. Wij kunnen theater spelen dankzij gemeenschapsgeld. Dan is het niet meer dan billijk dat ook ondermeer aan de smaak van een groot deel van die gemeenschap wordt tegemoetgekomen. Op voorwaarde, uiteraard, dat een stukje ontspanningstoneel met eenzelfde vakkundigheid wordt gebracht als wanneer het om Brecht, Goethe, Shakespeare of Schiller zou gaan.” (Domien De Gruyter, directeur KNS, in interview met Alex Rosseels, “Ik wil dat de dialoog mogelijk blijft” in Spectator, 16.7.83)

“Al heel lang wilde ik stage lopen bij het Bread & Puppet-theatre, in 1978 werd het mogelijk. Ik werkte twee maanden bij hen. Ik speelde, ik kookte, ik maakte schoon, ik naaide kostuums. Kortom: ik deed alles wat er gedaan moest worden en ik leerde veel. Ik speelde een zwarte vogel, een soort geest, temidden van een honderdtal andere zwarte vogels. Als je een masker draagt ben je verdwenen. Het is alsof je achter een zwarte lap speelt. Voor een akteur is dat vreemd. Je bent gewend dat er naar jou gekeken wordt, daar voel je je goed bij. Nu speelde ik. maar niemand die me zag. Ik was verborgen achter een masker en ging verloren in de massa. Je kan nog zo’n goede zwarte vogel zijn, maar je valt niet op. Het was een grote ervaring en een belangrijke les voor mijn ego. Als akteur trek je alles naar je ‘ik’ toe. Je wil goed zijn, ik moet goed zijn. Zogauw als je je echter goed gaat voelen, ben je al bezig met je val. Een akteur moet nieuw blijven en niet té handig worden en op routine gaan spelen, anders wordt hij een robot. Door het masker wordt dat verbroken. Jij werkt hard, maar je ego speelt geen rol meer.*’ (Siti Fauziah in interview met Marie-Jose Balm, Siti Fauziah: Mijn eigen verhaal loopt gelijk aan het verhaal van Tiedrie in CJP magazine, jg. 10, nr. 83, juli-augustus 1983)

varia
Leestijd 3 — 6 minuten

#4

15.09.1983

14.12.1983

Jef De Roeck

varia