(redactie Etcetera)

Leestijd 2 — 5 minuten

Gelezen

“Kus nu mijn kloten. Hoe kan een scène eerst onnodig, melodramatisch en belachelijk zijn, en vervolgens dusdanig schokkend dat ze gecoupeerd moest worden ? En moet het theater schokkende verwijzingen zomaar uit de weg te gaan ? En ten slotte, sinds wanneer luistert La Lex niet meer naar een regisseur of een auteur, maar naar een paar figuranten ? In die mate zelfs dat hun gebrek aan bereidheid de doorslag geeft om een tafereel in zijn totaliteit te schrappen ? Dat wil ik wel eens meemaken, dat een figurant niet bereid is iets te doen in een scène die La Lex zelf geregisseerd heeft ? Een nekschot is nog het minste wat die ongelukkige mag verwachten.”

Tom Lanoye, ‘Actie Prostaat’ in Humo, 1 februari 1990,

“Een ander vies woord is het ‘dramatisch gezelschap’ van de BRT, vijftien akteurs rijk. De gemiddelde leeftijd is vijftig. Rouffaer : “En wij moeten er gebruik van maken. Ik vind het fout dat zulke mensen ambtenaar zijn. Een regisseur is geen ambtenaar, een akteur evenmin. De acteurs van ons gezelschap zitten daar soms te zitten, gaan af en toe in Nederland spelen, anders doen ze helemaal niets… film, televisie, akteren…dat is kreatief bezig zijn. In die zin heeft de BRT het helemaal fout door iedereen in het kader te willen opnemen. Dat is ook de voornaamste reden waarom ik vertrek. Ik wil mijn leven niet eindigen als ambtenaar.”

Vincent Rouffaer: ‘Ik vertrek. Ik wil geen ambtenaar worden.’ in De Morgen, 1 februari 1990.

“Over een jaar of vier, vijf zou ik graag terugkeren naar Frankrijk. De middelen die het theater hier krijgt, zijn simpelweg ontoereikend om goed te kunnen werken. Als de huidige lamentabele situatie zich doorzet dan zal Brussel het Washington van Europa worden, en niet het New-York. Ik vrees heel erg dat Brussel over afzienbare tijd alleen nog maar een administratief centrum zal zijn : voor cultuur zal men de TGV pakken naar Parijs of Amsterdam. Als ik zie hoe weinig onze politici investeren in cultuur, dan ben ik heel bang dat het snel die kant op gaat.”

Philippe Sireuil in gesprek met Edward van Heer in Knack, 31 januari 1990.

Om zich terdege over de werking en de artistieke resultaten van de Vlaamse gezelschappen te informeren, zou zo’n Raad van Advies dus naar alle voorstellingen moeten gaan kijken. Omdat de leden zo’n drukke agenda hebben en dikwijls zelf spelende theatermensen zijn, is zoiets in de praktijk onmogelijk. Dus verdelen ze de taken (…) Dikwijls gaan de leden helemaal niet naar de voorstellingen en meestal worden de voorstellingen van een bepaald gezelschap slechts onregelmatig door één lid bezocht. De andere leden zouden dus niet kunnen deelnemen aan de discussie. Dat doen ze echter wel. Hun gunstig of ongunstig oordeel baseren ze dan maar op, wat ze her en der van collega’s opgevangen hebben, in het beste geval op wat ze in de pers gelezen hebben en wat daarvan in hun geest is blijven hangen.

Frans Redant, ‘Jan met de pet, Pier met de pen, Pol met de pruik. Het grote toneelkritiekdebat.’ In NTG- magazine.

“Het lijkt mij beter om naar analogie van de Rijksbouwmeester een aantal mensen voor een beperkte tijd te benoemen, die adviseren over de besteding van al die fondsen en de toekenning van incidentele subsidies, zonder dat daar weer eindeloos en groupe over wordt vergaderd.”

Gesprek met Hedy D’Ancona, de nieuwe minister van cultuur. In NRC-Handelsblad, 5 januari 1990.

artikel
Leestijd 2 — 5 minuten

#29

15.03.1990

14.06.1990

(redactie Etcetera)

artikel