(redactie Etcetera)

Leestijd 2 — 5 minuten

Gelezen

“In Vlaanderen is een oppositie ten dode opgeschreven. Het moeten meerderheidspartijen worden. Een oppositie wordt hier niet verdragen. Toch kies ik absoluut voor oppositie omdat ik dat gezond vind. Wel een degelijke oppositie die zeer gegrond is. Iets meer volledig zijn. Zelfs de oppositie wil hier meerderheidspartij worden. Dat kan toch geen doel zijn. Een avant-garde is een oppositie tegenover de gevestigde waarden en dat vind ik zeer belangrijk. Zo kan je je referentiekader uitbreiden.”

Josse De Pauw, in Intermezzo, nr 2 1989, p.37.

“In feite kan je ons beschouwen als een ‘go between’ tussen het publiek en de artiest. Wij moeten het werk van interessante artiesten bekijken en het juiste publiek aantrekken. De Singel wordt wel eens verweten ‘elitair’ te zijn. Als wij dan vaststellen dat we zo’n grote elite bereiken, heb ik daar geen moeite mee. De elite wordt namelijk niet verwend in Vlaanderen. Toch kan je een groot publiek bereiken met een programma dat niet makkelijk is. Zijn wij dan elitair of mag ik eruit besluiten dat het publiek wordt onderschat?”

“Frie Leysen over De Singel”, in Knack. 11 oktober 1989.

“Ik heb duidelijk gekozen voor een dekreet dat alle podiumkunsten wil behandelen, en niet alleen het tekstteater. Mime, poppenteater, ballet, noem maar op, waren tot nog toe niet dekretaal geregeld en de problemen zijn daar dezelfde ais bij het tekstteater -en ze zijn in mijn ogen allemaal even belangrijk. Neem de danseres Anne Teresa De Keersmaeker, onze dansprojekten, daar waren in de begroting enkele miljoenen voor voorzien, dat stond helemaal niet in verhouding met dat halve miljard voor het tekstteater, terwijl er met die enkele miljoenen voor Vlaamse uitstraling in het buitenland is gezorgd. Dus ik stel voor om daar één dekreet voor te maken, met één adviesraad. Maar het tekstteater voelt zich bedreigd, vreest dat het geld zal moeten afgeven aan die anderen. (…) Eigenlijk vinden ze dat het dekreet van 75 alleen maar een beetje moet worden verbeterd.”

Patrick Dewael, “We moeten samen één kultureel front vormen”, in Knack, 27 september 1989.

“Als ze mij hier in Antwerpen voor dat gebouw (de KNS, nvdr) zien staan, denken ze meteen dat ik daar directeur wil worden. Ik wil daar echt niets mee te maken hebben,”

Walter Tillemans, “Export van toneel naar Nederland teken van zwakte”, in Algemeen Dagblad, 12 oktober 1989.

“De Vlaamse voorstellingen kwamen naar Nederland en een aantal van de theatermakers bleven er. Ze hadden in Vlaanderen een plaats opgeëist naast de bestaande instellingen en die niet gekregen: de subsidie die ze kregen was niet meer dan de droge korst brood die bedelaars in vroeger tijden werd toegeworpen. In Nederland is er wel sprake van verdelende rechtvaardigheid. Bovendien is de artistieke nood -althans in het grote-tonelen-toneel groot. De Vlamingen zijn in dat gat gesprongen. Sam Bogaerts heeft zich verbonden aan Toneelgroep Amsterdam, Ivo Van Hove wordt artistiek leider van het Zuidelijk Toneel, Guy Joosten en Luk Perceval kunnen alleen aan het werk blijven door co-produkties met Nederlandse ‘voorzieningen*. Alleen Dirk Tanghe heeft alle aanbiedingen uit Nederland systematisch afgeslagen. (…) Ook Lucas Vandervost blijft vooralsnog in Vlaanderen.” Tom Blokdijk, “Een ingedamde dijkdoorbraak”, in Toneel Teatraal, november 1989, p.12.

artikel
Leestijd 2 — 5 minuten

(redactie Etcetera)

artikel