Dirk Tuypens

Leestijd 13 — 16 minuten

GELEGENHEID IS DE BEPALENDE FACTOR

Dirk Tuypens over de neoliberale motieven achter de Rwanda-biecht van de westerse leiders. Het mea culpa van Johannes Paulus II, Kofi Annan, Bill Clinton en Guy Verhofstadt.

Onmiddellijk na de Rwandese volkerenmoord in 1994 barst op het internationale toneel een heftig debat los over de vraag wie in deze tragedie wel of niet verantwoordelijkheid draagt. Alle instanties die mogelijk boter op het hoofd hebben, weren zich als duivels in een wijwatervat om zichzelf en de wereld te overtuigen van hun onschuld. De Kerk, de internationale christen-democratie, de Belgische en Franse regering, VN en VS, allemaal nemen ze hun toevlucht tot het reddende water van Pilatus.

In 1996 is het paus Johannes-Paulus II die als eerste schoorvoetend toegeeft dat er zich binnen zijn instituut mogelijk individuen bevinden die niet helemaal zuiver op de graat zijn. Tot een echte schuldbekentenis komt het niet en in de praktijk stelt de Kerk alles in het werk om haar van medeplichtigheid betichte priesters en zusters uit handen van het gerecht te houden. De politieke wereld gaat ondertussen veel verder. Kofi Annan, secretaris-generaal van de VN, spreekt een officieel mea culpa uit en belooft een grondig onderzoek naar de verantwoordelijkheid van zijn instelling. Vervolgens maakt VS-president Bill Clinton op zijn Afrika-tour een korte tussenstop op de luchthaven van Kigali om er zijn excuses aan te bieden voor het falen van zijn supermacht tegenover de Afrikaanse holocaust. En ten slotte haast ook Guy Verhofstadt zich als kersverse premier naar de Rwandese hoofdstad om, in naam van de Belgische regering, de hand op het hart te leggen en deemoedig schuld te bekennen. Vanwaar deze opmerkelijke behoefte tot publieke schuldbelijdenis? Is hier sprake van oprechte gewetenswroeging, of schuilt achter deze mediagenieke tekens van inkeer een heel wat minder fraaie politieke agenda?

Sartre en de politieke moraal

Schuld bekennen is een nobel en moreel sterk gebaar. Het veronderstelt dat men inziet iets te hebben gedaan wat onaanvaardbaar is, dat men daar spijt van heeft en dat men wil proberen zijn fouten goed te maken. Niet zo direct iets wat we zouden verwachten van westerse politici. De publieke biechtsessies van Annan, Clinton en Verhofstadt zijn dan ook uitermate opmerkelijk. Wat te denken over deze onverwachte demonstraties van gewetensvolle politiek? Welke waarde heeft de morele overweging in het politieke discours?

In een artikel uit 1958, waarin hij met scherpe pen tekeer gaat tegen de militaire terreur waaronder de Franse overheid de Algerijnse onafhankelijkheidsdroom wil verpletteren, wijst Jean-Paul Sartre op de ontstellende relativiteit van het morele oordeel in de internationale politiek. Hetzelfde Frankrijk dat amper vijftien jaar eerder de nazigruwel in alle toonaarden tot moreel verwerpelijk verklaart, acht het toepassen van repressieve baldadigheid in de opstandige kolonie volkomen terecht en moreel acceptabel. Sartre schrijft daarom: ‘De Fransen ontdekken met verbijstering de verschrikkelijke waarheid: als niets een natie – noch zijn verleden, noch zijn principes, noch zijn wetten – tegen zichzelf kan beschermen, en vijftien jaar voldoende zijn om van slachtoffer beul te worden, dan betekent dat, dat gelegenheid de enige bepalende factor is: al naargelang de omstandigheden kan iedereen beul of slachtoffer worden.’

Maar wat maakt dan precies de gelegenheid tot bepalende factor? Ook daarop geeft Sartre, voor wat betreft de militaire agressie tegen de Algerijnse opstandelingen, gevat antwoord: ‘De kolonisten voelden dat door deze opstand niet alleen hun macht in het geding kwam, maar dat hun bestaan zelf werd bedreigd. Voor het grootste deel van de Europeanen in Algerije bestaan er twee onverbrekelijk met elkaar verbonden waarheden: een kolonist is een mens met goddelijke rechten, en een inlander is een Untermensch. Dit is de mythische vertaling van een reëel feit, daar de rijkdom van de een op de armoede van de ander berust. Op deze wijze is de uitbuiter dan ook van zijn slachtoffer afhankelijk… wat zou hij moeten beginnen zonder inheems subproletariaat, zonder overvloedig aanbod van arbeidskrachten, zonder de permanente werkeloosheid, die hem gelegenheid geeft lonen naar eigen goeddunken vast te stellen?’ De opportuniteit wordt dus bepaald door wat er te winnen of te verliezen valt. Concreet staat hier de verhouding tussen de kolonisator en het moederland enerzijds, en de gekoloniseerde Afrikaanse staat anderzijds op het spel. En, uiteraard, de rijkdom die daaraan voor eerstgenoemde partij verbonden is.

Als het moreel oordeel afhankelijk is van te verdedigen politiek-economische belangen, dan volgt daaruit dat hoe groter die belangen zijn, hoe dubieuzer het morele oordeel wordt. Elke morele retoriek om een beleid te rechtvaardigen, is bijgevolg volkomen onbetrouwbaar, want niet gebaseerd op een consequente toepassing van een morele code, en laat zich het best naar waarde schatten door een eenvoudige belangenanalyse.

Dat is niet alleen geldig voor de koloniale tijd. Tot vandaag is het Afrikaanse continent niet vrij te denken van gewapend geweld, evenmin als van buitenlandse inmenging. En de manier waarop de Afrika-politiek van vandaag aan het publiek wordt gepresenteerd, wordt in grote mate beheerst door een moreel geladen terminologie: rechtvaardigheid, mensenrechten, democratie, natuurlijke verwantschap, historische verplichtingen… De kritiek van Sartre indachtig, is waakzaamheid geboden en dienen we na te gaan welke lading door deze nobele vlag wordt gedekt. En zo hebben ook de schuldbelijdenissen van de westerse leiders hun plaats in deze nieuwe benaderingswijze van de Afrika-politiek. Ze tonen politici die bereid zijn hun blanke superioriteit naast zich neer te leggen en vergiffenis te vragen aan de zwarte medemens. Ze moeten bewijzen dat het Westen bereid is lessen te trekken uit begane fouten. Maar ook hier is enige argwaan zeker op zijn plaats. Het is daarom zinvol na te gaan wat er in deze mea culpa’s wordt gezegd, wat er wordt verzwegen en welke praktijk er tegelijkertijd in Centraal-Afrika wordt ontwikkeld.

De kunst van het verzwijgen

Annan, Clinton en Verhofstadt bieden om twee redenen hun excuses aan. Ten eerste omdat de autoriteiten die zij vertegenwoordigen, ondanks de vele waarschuwende aanwijzingen waarover zij beschikten, niets hebben ondernomen om de volkerenmoord te voorkomen. En ten tweede omdat zij, op het moment dat het geweld losbarstte, niets hebben gedaan om het te stoppen. Op die manier hebben zij alleen gefaald in de rol die zij zichzelf als westerse democraten zo graag toebedelen in de publieke opinie, namelijk die van wereldcontrolerende hoeders over mensenrechten en democratie. Alle elementen die wijzen op een westers aandeel in het ontvankelijk maken van de Rwandese samenleving voor een genocidaire logica, worden zo achter nobele en morele uitlatingen buiten het gezichtsveld gehouden. Er wordt niet gesproken over de historische verantwoordelijkheid van met name België en Frankrijk in de ontwikkeling van het etnisch extremisme. In het koloniale Rwanda werden tussen de verschillende bevolkingsgroepen doelbewust scherpe sociale tegenstellingen gecreëerd, om zo een gemakkelijk controleerbare en lucratieve maatschappelijke structuur te verkrijgen. Op die manier werd een vijandige, etnische kloof geslagen tussen Hutu en Tutsi. Aanvankelijk vormde een kunstmatig in het leven geroepen, pro-koloniale Tutsi-elite het uitverkoren instrument om de Belgische belangen zeker te stellen. Maar aan het eind van de jaren vijftig kreeg de zo geprezen Tutsi-bondgenoot te veel naar onvoorwaardelijke onafhankelijkheid neigende noten op zijn zang. Het Belgisch bewind besloot zijn protectoraat naar een gedweeë onafhankelijkheid te begeleiden. De ‘sociale Hutu-revolutie’, aangewakkerd en gesteund door België, bracht in 1959 een nieuwe politieke elite aan de macht, die bij de onafhankelijkheid in 1962 uitriep: ‘Nooit zonder de Belgen!’ Het onafhankelijke Rwanda kreeg achtereenvolgens twee Hutu-presidenten, die de etnische haat tot staatsideologie maakten. Beide staatshoofden genoten de volledige steun van België en Frankrijk. Rwanda is een reëel voorbeeld van de tegenstelling waarop Sartre wees: in 1994, op hetzelfde moment dat Europa de bevrijding herdenkt van het Duits fascisme, ontspoort in Centraal-Afrika het door datzelfde Europa in leven gehouden tropisch nazisme. Voor het aandeel in deze historische evolutie verontschuldigt vooralsnog niemand zich. Zo wordt verzwegen dat het principe van verdeel en heers een tot in onze tijd toegepaste en ondersteunde strategie is ten behoeve van het politiek-economisch eigenbelang.

Evenmin wordt er gesproken over het failliet van de westerse ontwikkelingssamenwerking. Het Rwandese drama doorbreekt overduidelijk de mythe van de ontwikkeling. Buitenlandse inmenging in Afrika wordt steevast voorgesteld als een weldaad voor de Afrikanen. Maar niets is minder waar. De alweer morele retoriek die spreekt over de westerse plicht om beschaving, cultuur en ontwikkeling uit te dragen, is sinds de koloniale tijd niets anders geweest dan de maskerade van de meest meedogenloze uitbuitingspolitiek. Rwanda werd tot in 1994 door de NGO-wereld, de officiële coöperatie, de Wereldbank en de Kerk bejubeld als de parel van de ontwikkelingssector. Geen enkel ander Afrikaans land werd gezegend met een talrijker aanwezigheid van hulporganisaties en projecten. En toch werd de Rwandese maatschappij in 1994 getekend door extreme armoede, sociale wanverhoudingen en geïnstitutionaliseerd racisme. De hele ontwikkelingsindustrie, die zich zo overmoedig op het kleine Rwanda heeft gestort, is niet in staat geweest enige noemenswaardige verandering te brengen in het structurele geweld dat mee aan de basis lag van het genocidaire klimaat. Integendeel, objectief gezien kan men zelfs stellen dat de ontwikkelingssector dit geweld, zij het dan misschien ongewild, eerder heeft versterkt dan verholpen (door een afhankelijke positie tegenover de autoriteiten, de afspiegeling van etnische tegenstellingen in het personeelsbestand,…). Hierdoor wordt ook het wereldwijde ontwikkelingsbeleid in vraag gesteld. En één enkele vaststelling in dit verband spreekt meteen boekdelen. Jaarlijks wordt vanuit het zuiden voor zo’n slordige 1200 à 1600 miljard dollar aan rijkdom naar het noorden versluisd (ten gevolge van schuldenlast, zwakke marktpositie, kapitaal-vlucht en rechtstreekse uitbuiting). Daar tegenover staat het luttele jaarlijkse bedrag van 58 miljard dollar aan ontwikkelingshulp. Het behoeft verder geen uitleg dat Afrika onderworpen is aan de ijzeren wetten van de vrije markt. Duurzame, structurele ontwikkeling is geen prioriteit. Voor dit aandeel in het bestendigen van een achterstand in ontwikkeling, welke heeft bijgedragen tot de sociaal-economische voorwaarden voor de genocide, verontschuldigt vooralsnog niemand zich. En zo wordt verzwegen dat ontwikkeling op de westerse agenda slechts voorkomt in de mate dat dit noodzakelijk is om de uitbuiting mogelijk te maken.

Een derde punt dat niet ter sprake komt, is de toenemende globalisering van de armoede. Alle democratische politici hebben de mond vol van globalisering. Grenzen hebben geen betekenis meer. Althans, voor wat betreft de wereldeconomie. Instellingen als de Wereld Handels Organisatie en allerlei vrijhandelsakkoorden bevorderen de voordelige marktpositie van het Noorden. Dat daarmee ook de ellende in het Zuiden steeds schrijnender wordt, krijgt heel wat minder aandacht. Ook hier zijn enkele cijfers het meest verhelderend. Om de totale wereldbevolking te voorzien van onderwijs en gezondheidszorg, en de grootste ellende wereldwijd volledig uit te roeien, volstaat een jaarlijks bedrag van 80 miljard dollar. Dat is amper 0,35% van het jaarlijks inkomen van de rijke landen. Aan de andere kant zien we dat de 200 rijkste mensen op deze wereld samen meer bezitten dan die arme landen welke samen 41% van de wereldbevolking vertegenwoordigen, dat in Japan jaarlijks 35 miljard dollar wordt gespendeerd aan festiviteiten voor managers, dat in Europa jaarlijks voor 105 miljard dollar aan alcohol wordt genuttigd, dat de drughandel jaarlijks 400 miljard dollar opbrengt, dat er jaarlijks voor 780 miljard dollar wordt bewapend, en dat er een jaarlijks bedrag van 1000 miljard dollar wordt neergeteld voor reclame en marketing. Deze gegevens tonen aan dat de nefaste verhoudingen tussen rijk en arm, tussen Noord en Zuid, een constante blijven in de huidige, neoliberale wereldorde. Het jaarlijks uitgegeven VN-rapport over de menselijke ontwikkeling wereldwijd laat zien hoe de kloof tussen rijk en arm steeds dieper wordt. Voor het aandeel in een wereldoverheersend economisch beleid dat armoede schept en in stand houdt, verontschuldigt zich vooralsnog niemand.

Annan, Clinton en Verhofstadt steken de hand in eigen boezem voor hun tekortkomingen in het voorkomen en beëindigen van de genocide, maar niet aangaande de politiek-economische mechanismen die de slachtpartij mee mogelijk hebben gemaakt. Schuld bekennen betekent namelijk dat men zich engageert tot een gecorrigeerde houding in de toekomst. En al deze verzwegen feiten tonen aan dat de Rwandese genocide past in een verhoudingslogica die gericht is op controle en winst, en die men op geen enkele manier wenst te doorbreken. Des te duidelijker wordt dit wanneer we zien welke politiek de VS en België op dit moment ten aanzien van Centraal-Afrika voeren.

De poëtische uitroeiingsdroom

Sinds augustus 1998 woedt in de Democratische Republiek Congo een hevige oorlog. De VN heeft het conflict veroordeeld als een buitenlandse agressie: buurlanden Rwanda en Oeganda zijn het land binnengevallen, met de onmiskenbare bedoeling het regime van president Kabila omver te werpen en grote delen van het grondgebied te bezetten. De op 9 april goedgekeurde resolutie 1234 van de VN-Veiligheidsraad gebiedt dan ook de niet uitgenodigde troepen om Congo te verlaten. Maar tot op heden blijven Rwanda en Oeganda militair aanwezig, en duurt het oorlogsgeweld onverminderd verder. De aanvallende partijen kunnen rekenen op de steun van de VS en België, hoewel laatstgenoemde het spel als naar gewoonte wat diplomatieker aanpakt.

De strijd om Congo heeft ondertussen aan naar schatting 1.900.000 burgers het leven gekost. Een menselijke kostprijs die het dubbele bedraagt van het aantal genocideslachtoffers in Rwanda. De Congolese autoriteiten beschuldigen de VS en België van medeplichtigheid aan volkerenmoord. Terecht of niet? Per definitie is hier geen sprake van genocide. De Congolese bevolking wordt niet systematisch uitgeroeid omwille van nationaliteit, ras, etnie of geloof. Maar een blik op de politieke positie die de VS en België in het conflict innemen, leert dat in zeker opzicht geen van beide vrij te pleiten is van genocidaire karaktertrekken. Sartre schreef al dat genocide de poëtische droom is van de kolonist, die hij alleen omwille van zijn economische afhankelijkheid van de inlander niet tot vervulling brengt.

Eind 1996 begint in het oosten van het toenmalige Zaïre de opmars van een militaire alliantie onder leiding van Laurent Kabila. Deze snelle en succesvolle bevrijdingsstrijd geniet de volle steun van de VS. De aanhoudende vluchtelingencrisis in de oostelijke provincies en het desastreuze Mobutu-regime betekenen een zorgwekkende destabilisatie in de Centraal-Afrikaanse regio. Een rapport uit 1996 van het Strategic Studies Institute van het Pentagon maakt onomwonden duidelijk waarom de VS dit niet langer kunnen dulden: ‘Onder de reuzen van Afrika is er niet een zo belangrijk als Zaïre. Het heeft grote reserves aan kobalt, industriële diamant, koper en belangrijke voorraden zink, tin, mangaan, goud, niobium en tantalum. Langs de kust is er ook petroleum, steenkool, en een immens landbouw- en hydro-elektrisch potentieel.’

Maar Kabila gaat te ver. In amper zeven maand tijd stoot hij door tot helemaal in Kinshasa, drijft Mobutu op de vlucht en neemt diens plaats op de presidentiële stoel in. Hij installeert een nationalistisch georiënteerde regering, boekt opmerkelijke resultaten, en onderwerpt iedereen die geïnteresseerd is in de Congolese bodemschatten aan spelregels die in eerste instantie de Congolese bevolking ten goede moeten komen. De oorlog om Kabila ten val te brengen, staat daarom reeds van bij zijn machtsovername op de militaire VS-agenda. Welk scenario men daarbij voor ogen houdt, staat reeds genoteerd in het Pentagonrapport van 1996: ‘In het verleden was Zaïres stabiliteit en eenheid het belangrijkste voor de Amerikaanse regering. Deze aanpak zou wel eens volledig failliet kunnen blijken. Het ondersteunen van een afgescheiden provincie of regio zou een buitengewoon riskante politiek zijn, die tot burgeroorlog kan leiden. Maar als het alternatief bestaat uit het verder wegzinken in anarchie, zouden de VS zich gedwongen kunnen zien de teerlingen te werpen en te kiezen voor de riskante weg.’ Het is precies deze optie die vandaag wordt gerealiseerd, hetgeen nog eens bevestigd wordt in een document dat in juni 1999 in de Amerikaanse senaat werd besproken: ‘Zolang het machtsvacuüm in Congo aansleept, zullen andere landen rechtstreeks tussenkomen of zullen ze gewapende opstanden steunen om hun eigen belangen te vrijwaren… De oplossing is het herstel van de staat in Congo. Dat herstel kan er nooit komen zolang Kabila geen gesprekken aanknoopt met de rebellen, de politieke partijen en de civiele maatschappij, met het oog op het bereiken van een akkoord over de manier waarop Congo kan heropgebouwd worden of, indien nodig, over een manier om Congo te verdelen… Hoe goed de bedoelingen ook zijn, een interventie voor de opdeling van het Afrikaanse grondgebied en voor de creatie van nieuwe politieke entiteiten en instellingen, zou de VS en de andere buitenlandse machten in een koloniale rol duwen… Het alternatief is het initiatief overlaten aan de Afrikanen, zodat ze hun eigen oplossingen kunnen vinden. Dat houdt onvermijdelijk in dat de interne strijd en de conflicten tussen staten worden voortgezet, tot een nieuwe stabiliteit wordt gevonden. Dit kan zelfs tot de opdeling van sommige staten leiden.’

Ook België weet precies wat er in Congo te winnen of te verliezen valt. In opdracht van de Belgische overheidsdienst voor ontwikkelingssamenwerking onderzochten een aantal economen in 1993 de opportuniteit van het mogelijk hervatten van bilaterale hulp aan het Zaïre van Mobutu. In hun rapport staat: ‘Het blijft een belangrijke doelstelling om onze invloed te behouden en uitte breiden in een Afrikaans land beneden de Sahara waarvan de grondstoffen, voornamelijk in de ondergrond, en de exploitatie ervan aantrekkelijk blijven… Als België zich niet verdedigt, niet voor zich opeist en bereikt dat het een specifieke rol speelt in de revitalisatie van de grote industrieën van Zaïre, riskeert het een verzwakking van zijn leiderschap in Zaïre, en daarmee ook van de specifieke troef die het in staat stelt om aan belang te winnen op internationaal vlak, om bij bepaalde gelegenheden mee aan tafel te zitten met de grootmachten. Het zou op die manier het meest efficiënte instrument in zijn buitenlandse politiek verliezen.’ Minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel neemt ten aanzien van de Congo-crisis een dubbelzinnige houding aan. In New York veroordeelde hij ten stelligste de Rwandees-Oegandese agressie. Maar anderzijds verdedigt de minister een aantal standpunten, die meer dan duidelijk maken dat ook hij Kabila liever kwijt dan rijk is.

Zo veroordeelt Michel net zo zeer de militaire operaties van het Congoleseleger. Daarmee ontzegt hij de Congolese overheid het recht zijn grondgebied tegen een buitenlandse aanval te verdedigen, een recht dat nochtans staat ingeschreven in het charter van de VN. De minister onderschrijft de vredesakkoorden van Lusaka, hoewel die op een aantal punten ronduit onaanvaardbaar zijn. De akkoorden ontkennen dat Rwanda en Oegandaaanvallende partijen zijn en noemen hen partners in de zoektocht naar duurzame vrede. Alle partijen worden belast met de opdracht om milities en gewapende groepen te ontwapenen, hetgeen neerkomt op een autorisatie voor Rwanda en Oeganda om op het Congolese grondgebied te blijven. De akkoorden voorzien ‘inter-Congolese onderhandelingen’ om een ‘nieuwe politieke orde’ te bereiken. Dit betekent dat het nationalistisch bewind van Kabila zal gebroken worden en de macht in handen komt van wie bereid is de Congolese rijkdommen uit te verkopen.

Louis Michel weigert de schuldenlast van Congo tegenover België te verminderen, onder het voorwendsel dat hij Kabila geen middelen wil verschaffen om ‘zijn’ oorlog te. voeren. Allereerst negeert Michel op die manier dat Congo zich alleen verdedigt. En ten tweede vergeet hij dat de buitenlandse schuld van Congo een erfenis is van het criminele regime van Mobutu. Het nieuwe Congo daarvoor laten opdraaien, getuigt niet bepaald van veel welwillendheid.

En ten slotte wil de minister het hervatten van structurele coöperatie koppelen aan het herstel van de vrede en de rechtsstaat. Deze conditionering betekent een terugkeer naar de koloniale principes. Een kleine elite van rijke landen bepaalt wat een rechtsstaat is en wat niet. Het ontzeggen van buitenlandse hulp is, gezien de ontberingen die de bevolking ten gevolge van de oorlog moet doorstaan, niet anders dan als politieke chantage te benoemen.

Nu duidelijk is welke toekomst de VS en België voor Congo in petto hebben, keren we nog even terug naar Sartre: ‘Het kolonialisme ontzegt de Rechten van de Mens aan de mensen die het onderdrukt en die het met geweld in een staat van achterlijkheid houdt, in een staat die door Marx onmenselijk zou genoemd worden. Het racisme is een wezenlijk bestanddeel van het gehele stelsel van handelsbetrekkingen en productieverhoudingen; het politieke en het sociale systeem versterken elkaar wederzijds: de inlander is een Untermensch, daarom zijn de rechten van de mens niet op hem van toepassing; hij bezit geen rechten, en is daarom genadeloos aan de ijzeren wetten van de economie overgeleverd. Het racisme is reeds aanwezig, het vloeit uit de kolonialistische praktijk voort, het wordt elk moment opnieuw opgeroepen en in stand gehouden door productieverhoudingen die een tweetal soort mensen doen ontstaan: een soort waarvoor voorrechten en menselijkheid onverbrekelijk met elkaar verbonden zijn en een andere, wiens chronische honger, wiens ellende, wiens achterlijkheid, in één woord: wiens Untermenschtum door het ontbreken van elk recht wordt gesanctioneerd.’ De handelsbetrekkingen en productieverhoudingen die de VS en België vandaag voor ogen hebben in Afrika, zijn niet anders dan die welke Sartre hier beschrijft. Hetzelfde racisme zit er nog altijd ingebakken. Het racisme dat tientallen miljoenen mensen het recht op een menswaardig bestaan ontzegt. Omdat alleen op hun armoede de noordelijke rijkdom kan floreren. En voor die rijkdom wordt, indien nodig, letterlijk over miljoenen lijken gegaan. Is het onterecht om te gewagen van iets als een economische genocide?

Haider en de paus

Het blijkt dat Sartre het bij het rechte eind had. Tot nader order dient de politicus nog altijd geschat te worden naar zijn daden en niet naar zijn o zo nobele woorden. Achter de biecht van Annan, Clinton en Verhofstadt schuilt niets anders dan de wrede logica van het neoliberalisme. Gelegenheid is de beslissende factor. Geen enkel middel wordt geschuwd om de politiek-economische controle over de Afrikaanse rijkdom in handen te krijgen. Het mea culpa is alleen lippendienst aan een nieuwe en voorbeeldige Afrikaanse bondgenoot. En wat voor een! Het nieuwe Rwanda belichaamt weer maar eens de tegenstelling van Sartre. Amper vier jaar na slachtoffer te zijn geweest van een genocide, geven de slachtoffers zich in Congo over aan de meest onmenselijke gruwel. Daarvoor heeft de Rwandese regering een jaarlijks budget van meer dan 140 miljoen dollar veil. In eigen land vindt men geen 10 miljoen dollar die nodig is om de hongersnood te bestrijden en heeft men slechts 10 miljoen Belgische frank over voor aids-preventie, terwijl 1 op 4 mensen in Kigalibesmet is. Gelegenheid is de beslissende factor. Het regime in Kigali heeft in zes jaar tijd zijn krediet meer dan verloren.

Maar zijn we niet iemand vergeten? Natuurlijk, paus Johannes-Paulus II. Die heeft zich nog niet publiekelijk verontschuldigd voor het aandeel van de Kerk in de genocide. Hij deed dat ondertussen wel voor de fouten van het kerkelijk instituut aangaande de holocaust. Maar op 16 december aanstaande ontvangt de heilige vader de kerstboom die dit jaar het Vaticaan zal sieren. Het sparreding zal deze keer geschonken worden door Oostenrijk. En Johannes-Paulus II zal het plechtig in ontvangst nemen uit handen van… Jörg Haider. Wat zei Sartre ook alweer?

* Jean-Paut Sartre, L’Express nr. 350, 6 maart 1958

* Jean-Paut Sartre, Les Temps Modernes nrs. 137-138, juli-augustus 1957

* M. Vandepitte, F. Merckx, P. De Vos en D. Van Duppen, NGO’s, missionarissen van de nieuwe kolonisatie, EPO, 1994

* Human Development Report 1997 en 1998

* Steven Metz, Reform, conflict and security in Zaire, Strategic Studies Institute (Pentagon), 5 november 1996

artikel
Leestijd 13 — 16 minuten

#73

15.10.2000

14.01.2001

Dirk Tuypens

artikel