‘Stella’ (Rosas) Foto Herman Sorgeloos

Dirk Verstockt

Leestijd 4 — 7 minuten

“Gekwetst ben ik van binnen”

Je kan het citeren noemen uit eigen werk, veeleer is het meenemen van wat je vroeger vertelde en wat er daarvoor lag, om mede daaruit te ‘distilleren’ wat er nu, op dit moment, te vertellen valt.

Meedragen van de ruimte (Toneelschuur Haarlem) waarin het werk finaal gecomponeerd werd en dat vertalen naar een decor dat mee op reis kon gaan : de deuren die geen ingangen meer zijn, de muren die de achterkant van een decor vormen (?), de verticale TL- lampen (Bartok/Aantekeningen) witte papieren friezen. En ook de sanseverias (Mikrokosmos ) voor vermoeide huisvrouwen -zinloos heen en weer gedragen-, de reële tijd van 100 metronomen, de zwarte kleedjes en de witte broekjes, de pumps, de barokke Ottone, Ottone-gewaden, de stoelen als rustpunten, de krukjes als nauwelijks te bereiken eilandjes. De pompoen van Assepoester (One day, my prince has gone). Bijna alles heeft ooit al ‘s gediend en verwijst daar ook rechtstreeks naar.

Het hysterisch gejengel van een boos meisje dat haar schoenen uitschopt, uit haar overdadige jurk probeert los te komen, al strompelend, vallend en daar even plotseling mee ophoudt.

Het kleine dansen met onverholen plezier, uitdagend voelen van eigen lijf, de glimlach die dat meedraagt.

De schoonheid, in wit gewaad verborgen, met strakke keel in onvergeeflijke kwetsbaarheid aangeboden en tergend draaiend bekken. Die dat telkens weer komt aanbieden. Het vertraagde verplaatsen van de ene kruk naar de andere en ondertussen schroomvol dat witte lijf verbergen achter een schamele badhanddoek.

De zwartharige Blanche, steeds maar monotoon een zelfde danspasje uitvoerend, in wit katoenen ondergoed (als de slaapscène in Ottone, Ottone), die smeekt en dreigt, die streelt en eist, zich aanbiedt en afwijst, die leugen en waarheid mengt, die eerst lachwekkend en later geslagen en verminkt in een snikkende, haast ondraaglijk intense monoloog dat lange sloopwerk aanvaardt. Graag gezien willen worden en dat niet krijgen.

De haast maniakale blikken die vlees in ijs veranderen en een fractie van een seconde later zielig worden, door het ronddragen van vrouwentongen.

Japanse taal die onbegrepen blijft. Twee personages. De jonge vrouw die uitdaagt en lacht, de ‘man’ die trots zijn/haar gelijk blijft halen, ook al is die, met de handen op de rug gebonden, nu onschadelijk en lachwekkend wanneer zijn/haar broek afzakt. Toshiro Mifune als het ware. De jonge vrouw, die oud, gek geworden (?), met lange zwarte pruik, keer op keer haar versie herbeleefd, schreiend en vernield.

De ondraaglijke fourire die minutenlang, eerst komisch en dan gênant, blijft zinderen. Ondertussen horten en stoten de zinnen in een soort ‘fraams’. Hoe erg het allemaal was.

De verhalen van de vrouwen, geschreven door mannen : Akuthgawa/Kurosawa, Tennessee Williams en Goethe. Aangetast door het leven, de liefde, het geweld, de zinnelijkheid, de verwachtingen, de hoop, de regels, de conventies, het opgroeien, de dromen, de leugens, de gebeurtenissen, de breuken, de continuïteit van datgene wat per definitie discontinu is.

Wat is er recht ? Een rechte lijn, die is recht.

De ‘omvergevallen’ pose die ook dan nog aangehouden wordt (Aristide Maillol, L’air, 1939. Kröller-Muller). Het uitgestrekt balanceren op een minuskuul evenwichtspunt.

Het aanpassen van identiteiten, ermee spelen, testen, uitproberen, er anderen mee confronteren en weer weggooien, zonder directe herinnering.

Van de oorspronkelijke Rosas blijft slechts Fumiyo Ikeda over. De anderen vertegenwoordigen verschillende instapmomenten : van Bartok/Aantekeningen over Mikrokosmos (Johanne Saunier) tot Ottone, Ottone (Natalie Million en Carlotta Sagna) en deze Stella (Marion Lévy). De danstaal overloopt die geschiedenis.

De stoelen : altijd al aanwezig. (‘Ik denk al : hoe kan ik een volgende produktie maken zonder stoelen ‘? lacht. Interview met ATDK in Etcetera 9, januari 1985) Het verhaal dat Ikeda er in vertelt, waar je buiten de taal om slechts de primaire emotionele signalen kan uit aflezen.

De realiteit van daar als mens, vrouw, danseres en actrice aanwezig te zijn. Het omkleden, de flessen ‘plat water’, de rust die zich installeert, uit-hijgen, steeds weer zijn eigen plaatsje opzoeken, toekijken hoe de anderen dansen, acteren. Het illusoire afwijzen.

Het steeds sneller op elkaar volgend presenteren, op een verhoogje, de kunde en het plezier etaleren. En dat dan laten switchen tot een wurgend geheel, dat niet in zijn afzonderlijke deeltjes, maar slechts in zijn geheel die emoties kan oproepen die mij de keel dichtsnoeren, mijn maag tot een vuist maken en niet weten wat daarmee te doen of hoe dat onder woorden te brengen. Niet kunnen zeggen waarom dat plots allemaal begint te draaien, gevaarlijk wordt, essentieel wordt. De fragmenten en breuken die onverklaarbaar een dichtgegroeide rietkraag worden, schijnbaar stevig, maar waar ik onherroepelijk in wegzink. Daar komt een soort van genieten bij te pas, waar ik voorheen geen weet van had.

(De lijn tussen licht en donker die over een gezicht trekt, door de zon getekend en die haarscherp, net in het midden van haar gelaat gekomen, de wereld laat kantelen en weten dat dat nu allemaal voorbij is. Een aankondiging van voorgoed verloren en evenmin weten waarom en of ook dat zo wel is.)

Het samenkomen in Bartok-constellaties, die voortdurend doorsneden wordt door het in-en uitstappen, een ander ritme, een andere beweging, elke voorspelbare vorm telkens weer ‘juist’ af te wijzen. Nog verder dan Mikrokosmos . In- en wegschuiven.

De groepsfoto, als de dolle klas van schooljaar … Daar komen de ‘meisjes-lijnen’ even bij elkaar, maar zijn al veel vroeger ondergraven door de afzonderlijke lijnen van ieder personage/danseres. Ik zou het eigenlijk moeten tekenen.

Het opzoeken van de grond en het snelle, energieke gevecht dat daarmee geleverd wordt. De zwaartekracht bevechten en even simpel daarvan loskomen. Rosas danst Rosas, maar met een danslust van binnenuit.

Waarom schrijf ik niet over de muziek ? Omdat ik ze hoor, maar niet beluister, opgezogen als ik ben in datgene wat er op de scène gebeurt ? En toch hoor ik nu fragmenten terug, alleen vind ik de beelden nauwelijks terug.

100 metronomen die ruim de tijd krijgen om de tijd te installeren, de tijd zoals hij verloopt voor ‘dansactrice’ en voor de toeschouwer. Het bevestigen van de realiteit.

Als Ottone, Ottone het slagveld van de liefde was, dan is Stella het veteranenhospitaal.

Als de ‘strijd’ zelf getoond wordt, dan zijn er mannen op de scène : Asch, MedeamaterialMikrokosmos (het duet), Ottone, Ottone. Wanneer er ‘beschouwingen’ komen, vooraf of achteraf, dan zijn er uitsluitend vrouwen, maar dan is er ook film, literatuur en acteren : Rosas danst Rosas, Elena’s Aria, Bartok/Aantekeningen en deze Stella.

Altijd is er die communicatie en haar inherente storingen, vrouwen en mannen. Maar niet louter tegenover elkaar, als geslacht. (‘Het enige onderscheid tussen mannen en vrouwen is hun geslachtelijk apparaat, al de rest is beschaving.’, James Baldwin.)

So dry your eyes and

turn your head away.

Now there’s nothing more to say.

Now you’re gone away.

(Nick Cave)

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

Dirk Verstockt

artikel