Veldslag voor een man alleen TOM LANOYE foto Stephan Vanfleteren

Jeroen Versteele

Leestijd 7 — 10 minuten

Het geheim van de stilte: Veldslag voor een man alleen (Tom Lanoye)

Tom Lanoye zet met zijn podium-voorstelling Veldslag voor een man alleen een slotakkoord achter zijn meest recente schrijfwerk: de trilogie Het goddelijke monster/ Zwarte tranen/ Boze tongen, en de gedichtenbundel Niemands Land. Hij wilde geen bekakte voorleesavonden maar een bastaard van een productie met muziek, video en een boordevol gevuld podium. Maar is het resultaat een onvolgroeid afvloeisel of een vinnig kruisras? Werkt de voorstelling, en hoe dan wel? Geen antwoorden, wel enkele bedenkingen in drie concentrische lagen.

1

De Groote Oorlog en haar eeuwige Oude Leugen:’Dulce et decorum est pro patria mori. “t Is goed en zoet te sterven voor het vaderland’, vertaalt Tom Lanoye de laatste woorden uit Wilfred Owens oorlogsgedicht, die enkele meters boven hem worden geprojecteerd in het lettertype van een schrijfmachine zoals die waarmee moeders op de hoogte werden gebracht van het eer- en zinvol sneuvelen van hun zoons. Het is mogelijk de bekendste regel uit de verzameling gedichten die de oorlogsdichters schreven tijdens en na hun dienst, en die Lanoye decennia later hertaalde in een eigentijds maar even poëtisch Nederlands. Tussen de regels borrelt cynisme en verontwaardiging op. Het verkrampte sarcasme slaagt er slechts af en toe in een soort lichtheid toe te voegen. De suggestieve kracht van woorden en het talent van de dichters en de vertaler steken schril af tegen de onverbiddelijke trauma’s waartegen ze vechten. Lanoyes versies van de gedichten (verzameld in de bundel Niemands Land) én zijn voordracht ervan in

Veldslag voor een man alleen bevatten gelijkaardige gevoelsladingen en zijn minstens even krachtig als de originelen. De soundscape van Paul Mennes ondersteunt de voordracht en is lichtjes onheilspellend, maar ontegensprekelijk mooi. Net zoals de poëzie zelf. Vaak is het precies deze soundtrack die door plotse omschakelingen aangeeft dat er een stijlbreuk in de voorgedragen of afgelezen tekst volgt. Beide media zijn op een hoog niveau uitgewerkt en perfect op elkaar afgestemd: herkenbare, steeds terugkerende elektronicaznch-ten bij de afscheidswoorden van kolonel Chevalier-Devilder, poppy muzak tijdens de liftscène waarin Katrien haar enige kind geschopt krijgt, techno gedurende de declamatie op de troon met een geprojecteerde Amerikaanse vlag op de achtergrond. Daarbij vormen ook de andere, meestal zeer geësthetiseerde videobeelden illustraties bij de opgevoerde tekst.

Dat is merkwaardig voor een voorstelling die zich expliciet profileert als een bastaardvorm waarin met behulp van verschillende media een nieuwe invulling wordt gezocht voor het concept ‘literaire performance’. Die ambitie is overigens van meet af aan overduidelijk: je merkt ze op als je het podiumbeeld bekijkt of het lijstje meewerkende kunstenaars overloopt. Ook Lanoye zelf hamerde er vooraf op dat hij komaf wilde maken met de ‘traditionele literaire optredens, bekakte voorleesavonden die de sfeer oproepen van rode pluche, champagne en kaarslicht, in elkaar gestoken voor de fijne lieden die in schuine falanx de zaal betreden’.1 Want hoewel de mooi klinkende muziek, het grote videoscherm en het volgestouwde podium vuurwerk beloven, zijn de ogenblikken al te zeldzaam waarop ze echt voluit worden ingezet als onafhankelijke media in confrontatie met Lanoyes spel.

ln deze productie bestaat het multidisciplinaire experiment er eerder in enkele zeer verscheiden literaire fragmenten op een dramaturgische wijze samen te klinken en op een podium te brengen. Niet door een acteur, maar door de auteur zelf. Die wordt steeds omschreven als een rasperformer (wat dat ook moge zijn), maar is geen acteur. Lanoye ambieert dat ook niet: ‘Ik probeer geen personages te vertolken. Ik ben geen acteur. Nu is er een spanning aanwezig omdat ik als schrijver zelf mijn personages opvoer. Dat is bijzonder onzuiver, en af en toe schiet ik door. Ik bezit niet de kwaliteiten om goed te acteren. Beschouw mijn vertolkingen eerder als een brute schets met houtskool.’

Naast de speelstijl komt het ook door de aard van de gebrachte teksten dat je Veldslag op een ongewone manier beleeft. De receptie van poëzie en auctoriële fragmenten uit de Monstertrilogie is totaal verschillend, maar staat bovendien haaks op de belevenis van andere monologen die erg naar het theatrale, zelfs cabareteske neigen. Zo is de scène waarin tapijtenboer Leo golf probeert te spelen, puur cabaret: heel functioneel als aandachtspunt in een iets te lange en wijdlopige voorstelling.

2

Je hoeft dus niet eens naar de muziek te luisteren of naar de videobeelden te kijken om al op een dubbele manier geconfronteerd te worden met een onzuivere opvoering. Dat komt ten eerste door het steeds wisselende literaire genre dat in een erg getheatraliseerde omgeving wordt gebracht, of het zich daartoe nu leent of niet. Zo is er het decor, de goed gerepeteerde en naadloze overgangen tussen passages, een uitgekiende belichting, attributen die uit het technische plafond komen gevallen, de man op het podium met zijn kostumering en functionele naakt,… Ten tweede is deze rasperformer door deze omkadering misschien wel het meest hybride element in heel de constructie. Want hoewel Lanoye op het speelvlak staat en dus per definitie opvoerder, acteur is, suggereert hij zelf vaak het tegengestelde. Niet enkel door zijn uitspraken in interviews, maar ook met behulp van theatrale én literaire technieken tijdens de voorstelling. Monologen geeft hij immers zelden direct weer vanuit zijn personages, maar meestal als vertellingen in de vrije indirecte rede: gedachtestromen, bemiddeld door een auteur die zijn onderwerp vanuit de derde persoon enkelvoud controleert. Of met woorden die hij in de mond van de personages legt, maar onderbreekt door auctoriële auteurscommentaren. Ook in de literatuur zelf vormen dergelijke passages grensgevallen, die vaak discussie uitlokken of het personage dan wel de auteur aan het woord is. In deze theatersetting spint er zich nog een nieuwe fictionaliserende laag over door het gebruik van kostuums, de bewegingstaal, het effect van het podium op zich. Lanoye gebruikt deze theatrale elementen dan weer om zichzelf expliciet als auteur af te beelden, door voor te lezen van zijn computerscherm of van bladen papier die her en der verspreid liggen.

Het is dus heel moeilijk uit te maken wat voor een instantie er eigenlijk voor je staat, welke stem de woorden uitspreekt. De man op het podium is op verschillende niveaus ambigu, en belichaamt op zich al veel meer tegenstrijdigheden dan de gebruikte media rond hem opwekken. Bovendien is er een bijkomende factor die de interpretatie van de vertelinstantie nog complexer maakt: Lanoye is een BV, een mediafiguur (en dus ook buiten de theaterzaal een personage dat multimediaal wordt waargenomen) die een hele stroom van associaties met zich meesleurt en voorkennis en verwachtingen opwekt bij zijn toeschouwers. Als toeschouwer krijg je niet alleen te kampen met de vrij theoretische maar toch relevante en merkbare dubbelheid die Lanoye op het speelvlak vertegenwoordigt, maar je ziet vooral ook de literaire ster waarvan close-ups als grote affiches ophangen, waarvan wordt aangekondigd dat hij na de voorstelling zal signeren, waarvan vele mensen toch al iets hebben gelezen, die in elk weekblad geïnterviewd wordt en ook politiek een mening heeft. En die daar nu wat staat te doen op een podium.

3

En hoe zit het nu met het ‘multimediale effect’ van de combinatie met video, muziek en scenografie? Het is immers een beproefde methode, bijna een gevaarlijk cliché, om verschillende opvoeringsvormen zoals voordracht, dans, performance of theaterspel te combineren met andere media. De veelheid aan voorstellingen die zoeken naar nieuwe gevoelsladingen en effecten door media met elkaar te confronteren, laten toe om niet alleen een onderscheid te maken tussen wat werkt en wat niet werkt (hetgeen aan reacties te merken steeds erg individueel bepaald is), maar ook om te onderzoeken welke soorten van multimedialiteit er bestaan. Zo zou ik drie categorieën willen vermelden, al naargelang de functie van de samengevoegde media: illustratief, confronterend en uitzuiverend. Illustratieve multimedialiteit wordt het meest verguisd maar mijns inziens ook het meest toegepast, en is bovendien bijzonder functioneel. Filmmuziek is een uitstekend voorbeeld hiervan, en ook in Veldslag heeft de muziek zoals beschreven meestal louter sfeerschepping en -duiding tot doel. Dat wordt bevestigd door Lanoye en Mennes zelf. Lanoye: ‘Pauls soundscape is ondersteunend en staat niet zozeer op zich. Ik vond het geluidsaspect heel belangrijk en we hebben het samenspel tussen tekst en muziek niet zomaar op twee dagen in elkaar gehengst. Muziek is geen gimmick, maar helpt de verschillende sferen en stemmen in de voorstelling gestalte te geven. En de soundscape zorgt er ook voor dat de stilte die soms heerst, zelf ook muziek wordt.’ Mennes: ‘Ik denk ook niet dat de muziek zou aanslaan in de huiskamer, als je er apart naar zou luisteren. Maar ze is belangrijk voor de perceptie en het gedrag van het publiek. Dat merkten we al tijdens de try-outs: toeschouwers zijn minder geneigd te lachen met grappige fragmenten als er muziek opstaat. Het is alsof de muziek iets tekstueels krijgt, dat de mensen niet willen verstoren.’ Ook de videobeelden en de foto’s hebben meestal een illustrerende functie, zoals de details van de kamer waarin de kolonel zijn einde eerst tracht te bespoedigen, dan weer te bevechten. Of de wapperende Amerikaanse vlag, te expliciet om suggestief te zijn, en dus illustratief. Op andere momenten is er dan weer geen duidelijk verband merkbaar tussen de beeldprojecties en de gebrachte tekst: wegflitsende wegmarkeringen tijdens de golfoorlog van boer Leo, de abstracte, fascinerende beelden van Lanoye die in het midden van een grote zaal op zijn knieën zit,… Conceptuele elementen dus, die in een complexere relatie met de voorgedragen teksten staan en waarop het publiek zijn eigen creatieve interpretatievermogen kan loslaten. Voor wie de Monstertrilogie niet gelezen heeft, geldt hetzelfde voor het scènebeeld: een tiental tafels uit het verhaal die op het podium verspreid staan. Op nog een andere manier dan bij de literaire teksten in hun theatrale omgeving, vindt hier een confrontatie van media plaats. Ze roepen in dit geval connecties op die meestal niet eenduidig met elkaar kunnen worden getinkt, en als het goed zit -en de toeschouwer er voor openstaat- voor diepgaande interpretaties en subtiele onderstromen van betekenis kunnen zorgen.

Het minst toegepast (niet alleen in deze voorstelling, maar ook in het hedendaagse podiumlandschap in z’n geheel) is een derde gebruik van multimedia. Dat bestaat erin een bepaalde kunsttak ruimte te laten scheppen voor een andere discipline, een nieuwe lichtbron aan te boren. Op een onverwachte manier de aandacht te herverdelen en zo een blik te bieden op dat andere medium in haar onverwacht zuivere vorm, hoe tegenstrijdig en on-hip dat ook klinkt. Abstract misschien ook. En dat wordt het nog meer als ik voorzichtig de term ‘deconstructie’ laat vallen. Toch heeft dit procédé veel te maken met het afleiden van de aandacht van het vooronderstelde centrum van het medium. De verwachtingspatronen die werden opgebouwd tijdens de voorstelling of voordien reeds bestonden, worden hierbij plots doorbroken door een wisselende interactie met andere media. Op deze manier laten die je enkele cruciale eigenschappen ervan herbeleven. Liet duidelijkste voorbeeld hiervan in Veldslag is de voordracht van Verminkt, naar Wilfred Owens gedicht Disabled. Het wordt opgezegd zonder muziekbegeleiding, in tegenstelling tot de fragmenten ervoor en erna. Tekst en niets anders dan tekst, maar dankzij de – plots afwezige -muziek is het wel een van de sterkste momenten van de voorstelling. Daarom precies is het jammer dat je niet meer van die ogenblikken krijgt waarop de kracht van het woord echt aan sterkte wint door het samenspel van beeld en geluid. Alle moeite teil spijt werkt de illustratieve en confronterende veelheid en de aantrekkelijkheid van beeld en geluid immers vaak als glijmiddel, te weinig als betekenisscheppende stoorzender. Enkel de dramaturgie en de theatrale constructie wekt een spannend, relevant contrast op met het geheel van literaire teksten, en met Lanoye als de hybride opvoerder ervan.

1 Interview met Tom Lanoye en Paul Mennes: Jeroen Versteele, Literaire Pet Shop Boys op komst, in: Zone 02, nr. 18, 2003 (pp. 11-12). Alle citaten zijn hieruit afkomstig.

Veldslag voor een man alleen

TEKST EN SPEL Tom Lanoye

SCENOGRAFIE Niek Kortekaas

MUZIEK Paul Mennes

DRAMATURGIE Jan Goossens

VIDEO Toon Van Ishoven

PRODUCTIE NV Lanoye

IN SAMENWERKING MET Publiekstheater Gent en KVS/de bottelarij

PREMIÈRE 27 september ’03, Groot Huis (Gent)

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#90

15.02.2004

14.05.2004

Jeroen Versteele

Jeroen Versteele (1980) werkt als dramaturg bij NTGent en
bij acteursgroep Wunderbaum. Voor De Morgen schrijft hij
interviews en boekrecensies.