Jean Baudrillard

Leestijd 7 — 10 minuten

GEEN MEDELIJDEN MET SARAJEVO

Jean Baudrillard over Europa, waar de ellende van de wereld wordt verhandeld. (De originele tekst verscheen in Libération van 7 januari 1994.)

In het Arte-programma ‘Le Couloir pour la parole’, gelijktijdig uitgezonden vanuit Straatsburg en Sarajevo (op 19 december ’93), viel op welke absolute superioriteit, welk uitzonderlijk statuut ongeluk, wanhoop en totale desillusie verlenen. Die totale desillusie verschafte de Sarajevanen de mogelijkheid om de ‘Europeanen’ met misprijzen te behandelen, of tenminste met een sarcastische toon van vrijheid die afstak tegen de wroeging en het hypocriete berouw van ‘die van de overkant’. De Sarajevanen hadden geen medelijden nodig. Zij hadden eerder medelijden met óns ellendig lot. ‘Ik spuw op Europa,’ zei één van hen. Niemand is vrijer of soevereiner dan wie met recht misprijst. Dat misprijzen richt zich niet eens op de vijand, maar op al diegenen die hun gerust geweten te bruinen leggen in de zon van de solidariteit. En ze hebben er al zien voorbijkomen, van die goede vrienden. Onlangs nog Susan Sontag, die in Sarajevo Wachten op Godot liet spelen. Waarom niet Bouvard en Pécuchet in Somalië of in Afghanistan? Maar dat supplement aan culturele bezieling is het ergste nog niet. Het ergste is de neerbuigendheid en de inschattingsfout wat betreft kracht en zwakte. Zij zijn sterk, wij zijn zwak. Wij gaan bij hen op zoek naar iets dat ons kan genezen van onze zwakte en ons realiteitsverlies.

Onze realiteit, dat is het probleem. We hebben er maar één, en we moeten ze zien te redden. Al was het met de ergste der slogans: ‘We moeten toch iets doen. We kunnen niet niets doen.’ Maar gelijk wat doen om de enige reden dat we het niet niet kunnen doen, is nog nooit een handelingsprincipe geweest, noch een vrijheidsprincipe. Het is hoogstens een soort kwijtschelding van de eigen onmacht en medelijden met het eigen lot.

De mensen van Sarajevo daarentegen hoeven zich die vraag niet te stellen. Zij bevinden zich in de absolute noodzaak om te doen wat ze doen, te doen wat moet. Zonder illusie over de uitkomst, zonder zelfmedelijden. Dat is reëel zijn, dat is in het reële staan. En dan helemaal niet de ‘objectieve’ realiteit van hun ellende, diegene die niet zou mogen bestaan en die ons medelijden opwekt, maar wel diegene die bestaat zoals ze is – de realiteit van een actie en van een lotsbestemming.

Daarom zijn zij levend en zijn wij dood. Daarom moeten wij in onze ogen eerst de realiteit van de oorlog redden en die (meelijwekkende) realiteit in zekere zin opleggen aan hen die eronder te lijden hebben, maar die er, midden in de oorlog en de wanhoop zelf, niet echt in geloven.

Susan Sontag bekent in haar commentaren dat de Bosniërs zelf niet echt geloven in de wanhoop die hen omringt. Uiteindelijk vinden ze heel die situatie irreëel, waanzinnig, onbegrijpelijk. Het is een hel, maar een in zekere zin hyperreële hel, die nog hyperreëler wordt door de mediatieke en humanitaire afmatting, aangezien die de houding van de hele wereld tegenover hen nog onverstaanbaarder maakt. Op die manier leven zij in een soort waanvoorstelling van de oorlog – gelukkig maar trouwens, anders zouden zij de oorlog nooit kunnen verdragen. Niet ik zeg dat, zij zeggen het zelf.

Maar Susan Sontag, die uit New York komt, moet beter dan zij weten wat de realiteit juist is, aangezien zij hen heeft aangeduid om haar te belichamen. Of misschien eenvoudigweg omdat zij, en de hele westerse wereld, die realiteit het meest ontbeert. Men moet zich opnieuw een realiteit gaan maken daar waar het bloedt. Al die ‘gangen’ die wij graven om hen onze levensmiddelen en onze ‘cultuur’ te laten geworden zijn in feite wanhoopsgangen waarlangs wij hún levendige krachten en de energie van hun ellende importeren. Nog maar eens een ongelijke ruil. Zij putten uit de radicale desillusie van het reële (inbegrepen van het principe van politieke rationaliteit dat ons beheerst, en dat wel degelijk deel uitmaakt van het Europees realiteitsprincipe) een soort tweede moed, de moed om datgene wat geen zin heeft te overleven. En die mensen gaat Susan Sontag overtuigen van de ‘realiteit’ van hun lijden, terwijl ze die ‘realiteit’ ondertussen uiteraard culturiseert, theatraliseert opdat ze zou kunnen dienen als referentiepunt voor het theater van de westerse waarden, waaronder de solidariteit.

Maar het gaat hier niet om Susan Sontag zelf. Zij is slechts de wereldse illustratie van een situatie die voortaan algemeen verspreid is. De ongevaarlijke en machteloze intellectuelen wisselen hun ellende uit met die van de ellendigen, terwijl ze elkaar ondersteunen in een soort pervers contract – net zoals de politieke klasse en de samenleving der burgers vandaag hun respectievelijke ellende uitwisselen: de ene biedt haar voer, haar corruptie en haar schandalen, de andere haar kunstmatige stuiptrekkingen en haar inertie. Zo gaven Bourdieu en abbé Pierre zich nog niet zo lang geleden over aan een televisuele holocaust, waarbij ze het pathetische taalgebruik en de sociologische metataal van de miserie uitwisselden.

Zo slaat heel onze samenleving de weg in van het letterlijke ‘medelijden’, onder het mom van oecumenische pathos. Het is alsof, op een moment van immense spijt bij de intellectuelen en de politici – spijt gelinkt aan de paniek van de geschiedenis en aan het avondrood van de waarden de kweekvijver der waarden en referenties opnieuw moet worden gevoed door een beroep te doen op die allerkleinste noemer: de miserie van de wereld. Alsof de jachtterritoria weer moeten worden voorzien van kunstmatig wild. ‘Het is tegenwoordig in informatieve uitzendingen impliciet onmogelijk om op de televisie een ander schouwspel te tonen dan het lijden.'(Daniel Schneidermann) De slachtoffer-maatschappij. Ik veronderstel dat ze langs die weg slechts uiting geeft aan haar eigen ontgoocheling en aan de wroeging om een onmogelijk geweld tegen haarzelf.

Overal volgt de Nieuwe intellectuele Orde de wegen die de Nieuwe Wereldorde heeft gebaand. Overal zijn het ongeluk, de miserie, het lijden van de anderen grondstof en primitieve scène geworden. De bijpassende slachtoffergerichtheid van de mensenrechten fungeert als enige ideologie: een rouwideologie. Wie haar niet rechtstreeks en in eigen naam uitbuit, doet het per volmacht – er is geen gebrek aan tussenpersonen die in het voorbijgaan hun financiële of symbolische meerwaarde innen. Het deficit en het ongeluk, zoals de internationale schuld, worden verhandeld en doorverkocht op de speculatieve markt – hier de politico-intellectuele markt, die niet moet onderdoen voor het militair-industrieel complex uit een sinister verleden.

Elk medelijden situeert zich in de logica van het ongeluk, de ellende. Refereren aan het ongeluk, zelfs om het te bestrijden, verschaft het een grond voor eindeloze objectieve reproductie. In welk geval dan ook moet men, om iets te bestrijden, vertrekken van het kwaad en nooit van het ongeluk.

Het is waar dat het wel degelijk in Sarajevo is waar het theater van de transparantie van het Kwaad zich bevindt, de verborgen plaag die al de rest besmet het virus waarvan de Europese verlamming reeds het symptoom vormt. In de onderhandelingen van het GATT redt men de meubels van Europa, maar men verbrandt ze in Sarajevo. In zekere zin is dat een goede zaak. Het nep-Europa, het onvindbare Europa, het Europa dat ineengeknutseld is in de meest hypocriete stuiptrekkingen, hecht zich vast: Sarajevo. En in die zin zouden de Serviërs bijna fungeren als instrument van de demystificatie, als wilde analist van dat spook-Europa, het Europa van de techno-democratische politici die net zo triomfalistisch zijn in hun redevoeringen als aftands in de feiten. Want men kan goed zien dat Europa in verval raakt naarmate het discours over Europa opbloeit (net zoals men kan zien dat de mensenrechten in verval raken naarmate het discours over de mensenrechten zich uitbreidt). Maar eigenlijk moet men zelfs daar het laatste woord van de geschiedenis niet zoeken. Het laatste woord, de sleutel, schuilt in het feit dat de Serven, als vectoren van de etnische zuivering, de scherpe spits vormen van het Europa dat zich aan het vormen is. Want het ‘reële’ Europa is van zichzelf het blanke Europa aan het maken, het gebleekte, geïntegreerde en gepurifieerde Europa, op moreel, economisch of etnisch vlak. Het is zichzelf triomfantelijk aan het vormen in Sarajevo en in die zin is wat zich daar afspeelt helemaal geen ongelukje op het parcours van een onbestaand, vroom en democratisch Europa, maar een logische en opwaartse fase in de Nieuwe Europese Orde, filiaal van de Nieuwe Wereldorde, die overal gekenmerkt wordt door ‘blank’ integrisme, protectionisme, discriminatie en controle. Men zegt: als we ze laten doen in Sarajevo, zullen wij er daarna ook recht op hebben. Maar we zijn al op dat punt aangekomen. Alle Europese landen zijn de weg van de etnische zuivering ingeslagen. Dat is het ware Europa, dat zich langzaam vormt in de schaduw van de parlementen, en haar speerpunt is Servië. Het is nutteloos om één of andere passiviteit aan te voeren, één of andere onmacht tot reageren, aangezien het om een programma gaat dat in een logische uitvoeringsfase zit, en waarvan Bosnië slechts de nieuwe grens vormt.

Waarom, denkt u, is Le Pen grotendeels verdwenen van de politieke scène? Omdat de kern van zijn ideeën overal in de politieke klasse is geïnfiltreerd, onder de vorm van Franse distinctie, heilige eenheid, euronationalistische reflex, protectionisme. Er is geen Le Pen meer nodig, aangezien hij gewonnen heeft, niet politiek maar als een virus, in de mentaliteit. Waarom zou dat ophouden bij Sarajevo, aangezien hetzelfde op het spel staat? Geen enkele solidariteit zal daar iets aan veranderen. Het zal op miraculeuze wijze vanzelf ophouden op de dag dat de uitroeiing afgelopen zal zijn, de dag waarop de demarcatielijn van het ‘blanke’ Europa zal getrokken zijn. Het is alsof Europa, met alle nationaliteiten en alle soorten politiek samen, een ‘contract’, een moordenaarscontract, had afgesloten met de Serven, die zo de uitvoerders van het Europese vuile werk zijn geworden – net zoals het Westen er eens één had gesloten met Saddam tegen Iran. Alleen, als de moordenaar overdrijft, moet hij zelf eventueel ook geliquideerd worden. De operaties tegen Irak en Somalië waren relatieve nederlagen vanuit het gezichtspunt van de Nieuwe Wereldorde. De operatie in Bosnië lijkt op weg om te slagen vanuit het gezichtspunt van de Nieuwe Europese Orde.

Dat weten de Bosniërs. Ze weten dat zij veroordeeld zijn door de internationale ‘democratische’ orde, en niet een of ander overblijfsel of monsterlijke uitwas genaamd fascisme. Ze weten dat ze gedoemd zijn tot de uitroeiing, of de verbanning, of de uitsluiting, net als alle heterogene en weerbarstige elementen in de hele wereld. Onherroepelijk, want – met alle respect voor het hypocriete slechte geweten van de westerse democraten en humanitairen -dat is de onverbiddelijke weg van de vooruitgang. Het moderne Europa zal zich vormen uit de uitroeiing van de moslims en de Arabieren, zoals ze het al overal doet, zoniet in de hoedanigheid van geïmmigreerde slaven. En het grootste tegenargument tegen het offensief van het slechte geweten – dat zich ontplooit bij happenings zoals die van Straatsburg – bestaat erin dat ze de hele reële operatie dekt door hem het voordeel van de geestelijke twijfel te verzekeren, met name door het beeld voort te zetten van de vermeende machteloosheid van de Europese politieke instanties en dat van een westers geweten dat zogezegd verscheurd is door haar eigen machteloosheid.

Zeker, de mensen uit Sarajevo op het scherm zagen er gedesillusioneerd en hopeloos uit, maar ze zagen er niet uit als mogelijke martelaren, integendeel. Zij hadden wel hun objectieve ongeluk, maar de ware ellende, die van de valse apostelen en de vrijwillige martelaren, bevond zich langs de andere kant. Echter, zoals eens zo juist is gezegd: ‘in het hiernamaals zal het vrijwillige martelaarschap niet in rekening worden gebracht’.

© Liberation / Vertaling: Clara Van den Broek

 

essay
Leestijd 7 — 10 minuten

#73

15.10.2000

14.01.2001

Jean Baudrillard

essay