Clara Van den Broek

Leestijd 5 — 8 minuten

Geen lichaam voor ballet

Clara Van den Broek over haar eerste balletles en de jaren die erop volgden.

De deur van de balletschool was wit. Eigenlijk had ze meer iets van een poort. Een zware witte garagepoort. Samen met mijn vriendinnetje leunde ik ertegen om ze open te krijgen. Ik keek nog eens achterom. Mijn moeder wuifde vanuit de auto. Ik wuifde terug ten teken dat alles okay was: ik hoorde meisjesstemmen kriskras door elkaar, dus ging de les door. Mijn moeder wuifde nogmaals en reed weg. Haar meisjesdroom ging in mij in vervulling. Ik stond in de hal van de balletschool. Het vasttapijt was donkerbruin. Ik was twee jaar en half.

Zo ging het elke week, 15 jaar lang. Ik deed klassiek ballet en dat was iets om trots op te zijn, buiten de balletschool, maar ook erbinnen. Zo viel de les sommige jaren net voor of na het uur ‘jazzballet’. Bij de wissel kruiste onze klas de jazzdansers in de gang. Dat was het moment waarop we een beetje op hen neerkeken, met hun slordige kapsels en kleurrijke ‘zweetbroeken’. Klassiek is toch de basis, weet u. Een zelfde reflex van hiërarchisch denken – alsof je ermee uit de wieg kwam gevallen – dicteerde ook de verhoudingen binnen de klas. Er waren de goeden en er waren de slechten. Daar werden trouwens geen doekjes om gewonden – niks geen ambiguïteit – en eens je in een bepaalde categorie zat, raakte je daar nog nauwelijks uit. Nu en dan probeerde een ‘slechte’ wel eens te ontsnappen, maar in plaats van aan de verhoopte top, kwam die met haar verwoed pointewerk onvermijdelijk vast te zitten in de categorie ‘streber’.

Ik hing ergens tussenin. Want ook al had ik de langste staat van dienst (dat scheelde trouwens hooguit een jaar of drie met de rest; ‘met klassiek moet je niet meer beginnen als je de puberteit voorbij bent’), ik had niet de langste benen, niet de hoogste ‘développé’, niet de meest precieze dubbele pirouette, niet de bolste wreef, niet de beste ‘en-dehors’, niet de onbeweeglijkste romp en zelfs helemaal geen ‘grand écart’. Kortom, buiten mijn (toen nog) magere taille, mijn lange haar (steevast in een strakke dot), mijn rechte rug en opgeheven kin, had ik helemaal geen lichaam voor ballet. Ai, de tranen die datzelfde lijf daarom weende! Niet alleen toen de juf één en ander hardhandig kwam bijwrikken aan dat benenwerk, waarbij ik nauwelijks het trillen van mijn kin kon verbergen – en die trucjes om die verdomde traan ongemerkt langs de binnenkant van mijn oog en neus te draineren (naar boven kijken bijvoorbeeld) in plaats van óver de oogrand grotesk langs mijn wang. Maar ook na de les, omdat ik haar bewonderende blik weer niet in mijn richting had voelen glijden, omdat ik nooit de prima ballerina van de klas zou worden, omdat ik mezelf moest dwingen aan iets anders te denken toen de beste van de klas zich liet ontvallen dat er in Antwerpen zoiets was als een Instituut voor Ballet en dat je daar auditie voor kon doen.

Ik stelde me dat Instituut voor met een nog zwaardere, nog wittere poort en nog strengere leerkrachten. Het werd bevolkt door superwezens, in staat de zwaartekracht tijdelijk naar hun hand te zetten – tenminste voor de duur van hun ‘sauté’, zodat zij ruimschoots de tijd hadden de pas in de lucht af te werken en nog over hadden om licht en weer volledig in positie neer te komen. En vooral: het Instituut stond in een – voor mij mysterieuze – relatie tot het Koninklijk Ballet van Vlaanderen. En dat, dat was het hoogste Goed, de maan en de sterren tegelijk, niet alleen in mijn ogen en die van mijn balletvriendinnetjes, maar ook voor het hele liefhebberskringetje dat ons omringde, van de man van de juf tot onze ouders, waarvan velen in de waan verkeerden dat het Koninklijk Ballet het enige professionele dansgezelschap was in Vlaanderen. Ik ging niet vaak naar het theater in mijn jeugd, maar ik ben wel een paar keer naar het Ballet gaan kijken, en dan naar de grote klassiekers welteverstaan: De Notenkraker, Giselle, Het Zwanenmeer. Ik vond het om te sterven van schoonheid.

Maar de jaren verstreken en mijn studentenjaren dompelden me onder in een heel andere esthetische ambiance. In Leuven was Klapstuk hip: ik ontdekte de andere blik op het ballet en op de dans in het algemeen. Toen ik dat ook wel eens wilde proberen in een workshop hedendaagse dans, raakte ik nauwelijks verder dan de parallelpositie van de voeten, en dat kostte me al oneindig veel moeite. Het voelde aan alsof ik met een ei in mijn broek liep. Maar boeiend om naar te kijken was het wel, die ‘losse’ manier van dansen. Na een tweetal jaar kijken was ik verkocht – evenwel zonder het zelf te weten.

Dat laatste bleek alras. In kranten en om mij heen had ik gemerkt dat de beeldvorming rond het klassieke ballet nogal negatief was. Vooral het woord ‘ouderwets’ was niet van de lucht. Ik begreep geenszins waar men het over had en weet zulke vooroordelen aan een waarschijnlijke onwetendheid ter zake. Toen ik als kersverse dansrecensent bij De Morgen – zo’n twintig jaar na mijn eerste balletles – werd uitgestuurd naar de nieuwste première van het Koninklijk Ballet, was ik dan ook in mijn nopjes. Het was inmiddels heel wat jaren geleden dat ik nog een balletvoorstelling had gezien, en ik nam me voor al mijn liefde in te zetten voor de zaak ervan.

Welke affaires maakten wij rond het tweejaarlijkse ‘recital’ van onze school! Dat was even participeren aan het glamoureuze statuut van ballerina. Tijdens die recitals ontplooide zich in de loges van de stadsschouwburg een broeierige meisjesactiviteit. Tonnen lak en gel verdwenen in onze haren, om die dot zo mogelijk nog strakker te maken. Wenkbrauwen werden bijgetekend, ogen dik in de verf gezet (‘want vanuit de zaal zie je daar bijna niks meer van’). En dan was er de delicate zaak van het oksel-scheren. Die verdiende uitgebreide aandacht. Ik wist niet eens dat ik okselhaar had – je zag het nauwelijks staan -, tot de juf me bij de generale repetitie vanuit de coulissen toeschreeuwde: ‘Clara, morgen is dat okselhaar eraf!!!’

Ik dus – met nog steeds geëpileerde leden -naar de première van het Koninklijk Ballet. Maar wat bleek? De voorstelling schokte me totaal. De pointes, de perfecte posities, de hoge benen, die schitterende…, het zei me allemaal niets meer. Of liever: ik vond het wel erg knap gedaan, maar dat verschafte me geen genot, geen extase meer. Het was zo… zielloos. Zielloos? Wat was er met mij aan de hand? Waar was mijn droom, mijn ideaal, mijn liefde? Kon het dat mijn artistieke opvoeding, mijn jeugd en kindertijd, in enkele jaren stilletjes waren onttroond door heel andere premissen, zozeer zelfs dat ik plots het gevoel had van ‘mezelf’ (whoever) te zijn vervreemd? Moest wel. Want ‘zielloos’, dat paste zo bij die ‘hedendaagse’ bril, die overal niets dan zogenaamde zelfexpressie (of de onmogelijkheid daarvan) wilde zien.

Bekomen van de klap, begon ik in te zien wat mijn never ending story, of beter never ending fight zou worden – eentje waarmee wellicht elke recensent te kampen heeft: hoe bewust te blijven van de onbewuste mentale processen die je blik bijstellen. Vroeger bestond mijn danswereld uit academisch ballet; de bakens ervan waren de klassieke premissen. Een buiten was er niet. Maar wat niet bestond, groeide toch, en heeft nu een min of meer dominante positie ingenomen. Of hoe monsters echt bestaan. Het monster van de twijfel zorgt er intussen voor dat ik nog steeds niet weet of de poort van de balletschool – om met Vergilius te spreken – nu van hoorn of van ivoor was, of zij toegang gaf tot waarheid of bedrog. In ieder geval kan de juf het me niet meer vertellen. Zij is met pensioen.

 

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

Clara Van den Broek

Clara Van den Broek is romanist. Ze studeerde Culturele Studies aan de KU Leuven en volgde een acteursopleiding aan het Conservatorium in Antwerpen.

artikel