Raven Ruëll © Theater Antigon (l) & Karel Vanhaesebrouck © Frin Platteeuw voor RITCS (r)

Filip Tielens

Leestijd 8 — 11 minuten

Ga eens gluren bij de buren

Over acteren kunnen Vlamingen en Franstaligen heel wat van elkaar leren

Tussen het Nederlandstalige en het Franstalige theatercircuit in België staat een dikke muur. Er zijn maar een paar Vlamingen kind aan huis in de Franstalige scene, zoals regisseur-acteur Raven Ruëll en docent Karel Vanhaesebrouck. Via tien thema’s laten zij hun licht schijnen op de verschillende visies op acteren en hoe anders de spelerspraktijk eruitziet aan beide zijden van de taalgrens.

Raven Ruëll is in Vlaanderen vooral bekend van zijn regies bij de KVS en Theater Antigone, waaronder zijn samenwerkingen (Missie, Para…) met acteur Bruno Vanden Broecke. Ruëll is ook verbonden aan de Waalse gezelschappen Groupov en het jongere La Brute. Hij geeft ook al vijftien jaar les aan het Koninklijk Conservatorium in Luik.

Karel Vanhaesebrouck doceert cultuur- en theatergeschiedenis en dramaturgie in Brussel, zowel in het Frans aan de ULB als in het Nederlands aan het RITCS, waar Raven Ruëll bijna twintig jaar geleden afstudeerde als regisseur. Hun paden kruisen elkaar ook geregeld in Luik, want ook Vanhaesebrouck geeft er sinds twaalf jaar les aan dezelfde theateropleiding.

Beiden zijn dus ervaringsdeskundigen als het gaat over het theater aan beide kanten van de taalgrens en een geknipt duo voor een dubbelgesprek over acteren. Al zou dit interview er allicht heel anders hebben uitgezien als ook een Franstalige acteur mee aan tafel was geschoven. Want hun Vlaamse bril kunnen Ruëll en Vanhaesebrouck nooit écht afzetten, hoe open voor en nieuwsgierig naar het Franstalige theater uit Wallonië en Brussel ze ook zijn.

Etcetera legt Ruëll en Vanhaesebrouck tien thema’s voor over acteren. Wat denken zij over hoe Vlaamse en Franstalige spelers omgaan met onder meer taal en traditie, met het ‘hier en nu’ en improvisatie, met inleving en ironie?

Taal

Vanhaesebrouck Voor mij ligt dé sleutel bij taal. De verhouding van een Franstalige tot het Frans is echt heel anders dan van een Vlaming tot het Nederlands. Het Frans is een taal van standaardisering. Het idee van schoonheid en respect voor taal leeft heel erg. Een Vlaming daarentegen blijft gecomplexeerd over zijn taal. Dat zie je ook bij dramastudenten. Als zij standaardtaal spreken, voelt het voor hen alsof ze een te grote jas aan hebben en daarin niet authentiek kunnen spelen. Dus grijpen ze terug naar tussentaal, het verkavelings-Vlaams zoals dat dominant is geworden sinds het ontstaan van VTM.

Ruëll De Franstalige acteurs met wie ik werkte in het Nederlands, ervaarden die taal ook als concreter, ruwer en dichter bij de grond.

Vanhaesebrouck Maar als jij acteert in het Frans, Raven, blijf je spelen als een Vlaming (lacht). Jouw Frans klinkt minder retorisch en plechtstatig.

Traditie

Ruëll Die focus op de taal heeft natuurlijk te maken met de culturele erfenis. Het Franstalige theater voelt het enorme gewicht van de geschiedenis. Jonge studenten op de theaterschool hebben allemaal al Racine en Molière gelezen, ze kennen de canon. Dat heeft ook gevolgen voor hun spel. In Franstalige theaterscholen moet je tijdens je opleiding passeren langs de komedie, de tragedie, de brechtiaanse manier van spelen…

Vanhaesebrouck Voor Franstalige acteurs zijn die spelgenres rites de passage die ze moeten leren te beheersen. In Franstalig België is er een specifiek circuit voor al die speelstijlen. Denk aan het burgerlijke toneel in het Théâtre du Parc of Théâtre des Galeries in Brussel — dat kennen wij in Vlaanderen niet.’

“Voor Franstalige acteurs is het komische een stijl en het tragische een andere stijl, terwijl wij Vlamingen toch meer hybride beesten zijn.”
Raven Ruëll

Ruëll Voor Vlaamse acteurs is de hoofdvraag: hoe zouden we dat stuk vandaag spelen? Of welke nieuwe manier van spelen kunnen we hiervoor vinden? Terwijl langs Franstalige kant niet het idee heerst dat ze het spelen op zich vooruit moeten brengen of de traditie per se moeten moderniseren. Voor hen is het komische een stijl en het tragische een andere stijl, terwijl wij Vlamingen toch meer hybride beesten zijn.

Hier en nu

Vanhaesebrouck Als een Franstalige acteur de scène opkomt, is het voor hem heel moeilijk om te spelen in een alledaags register. Plots spreekt die acteur “theater-Frans”, om het met een cliché te zeggen.

Ruëll Toen ik 25 jaar geleden begon op het RITCS, vroeg men mij in de eerste dagen al: “Hoe zou jij dat zeggen, in jouw eigen woorden?” Maar toen ik 15 jaar geleden begon les te geven in Luik, ervaarden de studenten dat — zelfs in het derde of vierde jaar — als een schok.

Vanhaesebrouck Andersom moet je Vlaamse acteerstudenten soms zeggen: “Gasten, het is wel een tekst van Euripides, geen boodschappenlijstje” (lacht).

Ruëll Langs Vlaamse kant zijn acteurs zo hard bezig met de reacties uit de zaal dat ze haast niet kunnen wachten om er een grapje over te maken. Terwijl Franstalige acteurs, wanneer er een ambulance voor het theater staat en iedereen in de zaal dat heeft opgemerkt, op het podium nog heel erg hun best zullen doen om dat geluid te negeren (lacht). Vlamingen kunnen op meesterlijke wijze de hele zaal uit hun hand laten eten, maar soms vraag ik me af: wat zit eronder als je dat wegneemt? Stanislavski is in Vlaanderen al vrij snel opzijgezet — wat mij betreft wat te snel.

Drie zusters, STAN & de KOE © Bernaded Dexters

Inleving

Vanhaesebrouck Franstalige acteurs zijn goed in transformatie. Ze scheppen er plezier in om zich lichamelijk én mentaal te transformeren en zich in te wroeten in hun personage. Als ze een oud mannetje spelen, willen ze je dat ook echt doen geloven. Psychologie staat centraal bij hen: de voorbereiding, de motivatie van het personage doorgronden, de historische context in kaart brengen. Op het vlak van personageopbouw kan een Vlaamse acteur misschien wel wat leren van die intellectuele voorbereiding. Anderzijds hebben Franstalige acteurs vaak de neiging om de emotie in zichzelf te zoeken, eerder dan de emotie bij het publiek te laten ontstaan.

Ruëll Dat soort method acting heeft ook iets schoons: jij als acteur bent niet belangrijk, je staat ten dienste van. Travailler vers l’autre. Als dat goed gedaan is, kan dat ook heel schoon en ontroerend zijn.

Ironie

Ruëll Als acteur zeg ik soms zinnen op zo’n manier dat ik, of mijn personage, duidelijk niet snap wat de auteur daarmee bedoelde — vaak met een komisch effect. Zoiets is in Franstalig België ondenkbaar. Langs Vlaamse zijde is die ironie soms zo ver doorgedreven dat het belangrijker wordt wat de acteurs ervan denken dan wat de auteur heeft geschreven.

Vanhaesebrouck Zo worden Vlaamse acteurs soms de gevangene van hun ironie. Damiaan De Schrijver doet soms moedwillig aan autosabotage, maar dan wel zo virtuoos dat ze in Frankrijk, en al zeker in Parijs, echt door hem gefascineerd zijn — zijn spel is het omgekeerde van de getormenteerde inleving van het burgerlijke theater. De Fransen zien hem als een soort bouffon, een clown die het theater ontheiligt, maar die receptie is te eenzijdig: de Franse pers ziet niet in dat de spelhouding van tg STAN het resultaat is van een specifieke manier van werken en onderzoeken. Ze zien eigenlijk enkel de oppervlakte, maar niet de grondhouding.

Ruëll Ik hoor Damiaan De Schrijver na tien minuten in De drie zusters nog zo zeggen: ‘In Moskou gaan ze nooit geraken hoor, en het stuk duurt nog drie uur!’ Iedereen, inclusief ik, lag plat van het lachen. In Franstalig België zul je dat zelden zien: het stuk becommentariëren terwijl je het staat te spelen.

“Franstaligen zijn goed in transformatie. Ze scheppen er plezier in om zich lichamelijk én mentaal te transformeren en zich in te wroeten in hun personage.”
Karel Vanhaesebrouck

Vanhaesebrouck En als het toch gebeurt, is het een heel serieuze, intellectualistische vorm van iconoclasme en moet het stuk echt kapotgemaakt worden.

Improvisatie

Ruëll Improviseren aan het RITCS is iets helemaal anders dan in Luik. Daar betekent faire une improvisation: ik ga vanavond werken aan de impro die we morgen gaan doen (lacht).

Vanhaesebrouck Dat heeft ook te maken met de hiërarchie tussen regisseur/pedagoog en speler. Als ze een oefening moeten doen, denken Franstaligen sneller: it better be good. Nu, in het klassieke Franstalige schema is repeteren sowieso eerder fixeren, om zaken veilig te houden en zo als speler je emotionele parcours te kunnen ontwikkelen.

Rumeur et petits jours, Raoul Collectif © A. Piemme/AML

Ruëll Ik heb eens als acteur gespeeld in het Théâtre National in een regie van een Franse regisseur. Dat was voor mij zeventig jaar terug in de tijd. Het decor en de kostuums waren al klaar op de eerste dag van de repetitie en er was al beslist van welke kant ik zou opkomen en waar ik zou afgaan. Heel raar. Ik had als speler het gevoel dat er niets meer ontdekt kon worden. Dat was ondraaglijk.

Vanhaesebrouck Bij Vlamingen leeft toch meer het idee van het blijven zoeken. Dat idee nemen Franstaligen nu stilaan over, hoor, het is er allemaal zwaar aan het bougeren.

Emancipatie van de speler

Vanhaesebrouck Veel Franstalige acteurs maken het beroep van speler heiliger dan nodig. Af en toe moet je kunnen zeggen: het is maar theater, hè! Je moet je niet altijd inleven, maar ook uitleven. Veel Franstalige voorstellingen blijven vaak vormelijk, intellectualistisch of zelfs maniëristisch. Bij pakweg Raoul Collectif draait het wél om de emancipatie van de speler en het collectief creëren. Bij hen zie ik dezelfde frisse energie als bij Discordia en tg STAN in hun beginjaren.

Ruëll In Luik komt de helft van de acteerstudenten uit Frankrijk. De invloed van tg STAN, dat heel populair is in Frankrijk, is gigantisch. STAN heeft er echt school gemaakt met hun manier van spelen: de emancipatie van de speler, de ontheiliging van stukken, elke avond een nieuwe voorstelling bijeen improviseren voor de ogen van het publiek, enzovoort.

Vanhaesebrouck Franstaligen denken wel vaak dat tg STAN een stijl is, terwijl het net een heel werkproces behelst. Al zie je bij veel Vlaamse collectieven toch ook dat wat ooit een koevoet was voor emancipatie, nu een stijl is geworden die zichzelf reproduceert.

Samenspelen

Ruëll Het Franstalige theater in België is erg aangestuurd. Audities worden georganiseerd via een centraal systeem. In de drie jaar na je afstuderen kun je je als acteur inschrijven bij het CAS (Centre des Arts Scéniques) en krijg je uitnodigingen voor audities.

Die organisatie betaalt de gezelschappen de lonen van de twee jonge acteurs die ze via deze weg engageren. Dat wil ook zeggen dat wanneer je als regisseur al weet met wie je wil werken, maar toch een beroep wil doen op die subsidies, je dus een fake auditie moet organiseren. De collectieven die nu overal in Franstalig België opduiken, zijn deels een reactie op dat systeem.

Vanhaesebrouck De acteeropleidingen zijn ook daarop afgestemd. Ze leiden je op om je te laten zien. Dat uit zich ook in het acteren. Samenspelen is vaak moeilijk. Je ziet acteurs op scène erg zoeken in zichzelf, terwijl de tegenspelers er vaak wat bij staan te kijken. Vlaamse acteurs vertrekken eerder van de spelsituatie, waardoor je wel moet leren samen te spelen.

Paying for it, La Brute © Hubert Amiel

Engagement

Ruëll De geboorte van het postmodernisme in 1989 heeft in Luik gewoon niet plaatsgevonden. Bertolt Brecht is er nog altijd belangrijk. Eerst schrok ik ervan hoe serieus die stukken er nog genomen worden, maar na een tijd zag ik het ook als een voordeel: liever slechte sérieux en ervoor gaan dan een doorgedreven ironisering waarbij men niets meer serieus neemt.

Vanhaesebrouck De theaterschool in Luik biedt een expliciet ideologisch kader voor haar spelers. Zo’n student van 19 jaar ziet zich niet alleen als acteur, maar ook als een factor in de klassenstrijd. Dat staat natuurlijk wat haaks op die Vlaamse ironie.

Makers-spelers

Ruëll In het begin kreeg ik in Luik nooit uitgelegd wat “theatermaker” precies betekende. Nu spreken ze ook in Franstalig België over le faiseur du théâtre. Jonge acteurs kijken nu eerder op naar Raoul Collectif dan dat ze hopen om te kunnen spelen bij een ensemble. Om in het professionele veld te geraken, gaan acteurs het veel vaker zoeken in een individueel parcours. En dus is het idee van de afstudeersolo, dat in het RITCS al decennia bestaat, nu ook binnengewaaid in Luik. Op het RITCS staat centraal wie jij bent als mens en als maker, terwijl in Luik langer het gevoel heerste dat die vragen pas belangrijk waren na je opleiding.

Vanhaesebrouck Het Franstalige acteeronderwijs is meer gericht op dingen beheersen, het Nederlandstalige op ontdekken wat je kan en dat ontwikkelen. In die zin kunnen we beiden veel van elkaar leren. Er zijn wel uitwisselingen, maar is het niet vreemd dat RITCS en zijn Franstalige tegenhanger  INSAS in Brussel nog nooit hebben samengewerkt?

Ruëll Ja, soms word ik er wat moedeloos van. Ik kan als speler in alle rust in première gaan in een stuk in Théâtre National, zonder dat mijn beste collega’s in Vlaanderen daar weet van hebben. Dat is toch raar?

Vanhaesebrouck We hebben nood aan bicommunautaire samenwerking. Elkaars werk programmeren is een begin, maar niet voldoende. Je moet echt samen de vloer op om van elkaar te leren. Dat zal altijd moeilijk zijn, maar ook altijd spannend. De gemeenschappelijke projecten van het RITCS en het Conservatorium in Luik hebben altijd iets opgeleverd. Sommige oud-studenten plukken daar nu nog steeds de vruchten van, aan beide zijden van de taalgrens.

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

gesprek
Leestijd 8 — 11 minuten

#160

15.03.2020

14.05.2020

Filip Tielens

Filip Tielens werkt als journalist voor De Standaard, Klara en verschillende (web) magazines. Hij is ook coördinator van De Zendelingen, een collectief dat werkt rond multimediale reflectie over (podium)kunsten.