© Jan Versweyveld

Mia Vaerman

Leestijd 5 — 8 minuten

Freud – Toneelhuis & Internationaal Theater Amsterdam / FC Bergman

De hel, dat is je eigen onderbewuste

In de voorstelling Freud komen maar liefst vier denkwerelden samen: die van de Weense psychoanalyticus, die van de filosoof Sartre, daarbovenop de sterk geromantiseerde visie van filmmaker John Huston, en dan is er nog Ivo Van Hove’s aanpak zelf. Thema van het stuk is het blootleggen door de nog jonge neuroloog Sigmund Freud van zoiets onvatbaars als het onderbewuste. Een zeer ingewikkeld kluwen van interpretaties wordt het – maar in de psychoanalyse zijn verwarde clusters legio.

Misschien wordt Freuds ontwikkeling van een therapie voor hysterie al te heroïsch in scène gezet. Tegelijk verbeeldt de voorstelling op een thrillerachtige manier de ontdekking van het onderbewuste als drijfveer van vele van onze onopzettelijke handelingen en symptomen. Zo huiveringwekkend spannend moet het er ook echt aan toe gegaan zijn aan het eind van de negentiende eeuw.

Het eerste wat opvalt als het stuk begint zijn de schoenen van Hans Kesting: blinkend nieuw, grote maat, degelijk en klassiek, Ann Demeulemeester-stijl. Daarvoor hadden we al een hele tijd het imposante witte decor kunnen observeren: hoog welvend plafond, anatomische tekeningen aan de muur en een menselijk skelet op staander, bourgeois meubilair, en één modernistische stoel – een slimme verwijzing naar de vormelijke omwentelingen die ook de eeuwwende kenmerkten. De speelvloer toont werkkamer, woonkamer en buitenwereld samen. Slim want simpel. Een helder Van Hove-concept.

Maar die schoenen dus. Hoeveel schoenen zou steracteur Kesting zo al hebben verzameld door zijn rollen in de voorstellingen van ITA (eerder Toneelgroep Amsterdam)? In Vlaamse stadstheaters werd acteurs vroeger gevraagd een pandjesjas aan te schaffen bij het begin van hun carrière. Heeft Ivo Van hove eenzelfde eis met die schoenen?  Verlangt hij een soort ‘chique-schoenen-uniform? Allicht voorziet hij daar dan een budget voor? Krijgt Kestings bij elke nieuwe productie een nieuw paar ‘Oxford shoes’?  En elke actrice een paar nog ongeschonden naaldhakken? Om maar te zeggen: nog meer dan het decor vormen de schoenen een herkenbaar item bij van Hove. Ook de lichtbeige laqué pumps van Ilke Paddenburg (in de rol van Freuds vrouw) waren van een al even in het oog springende elegantie. We komen erop terug.

Het was Jean-Paul Sartre die het scenario leverde van deze Freud, in opdracht van filmregisseur John Huston. Die reduceerde het script van driehonderd bladzijden tot een goeie twee uur film. Waarna Sartre weigerde zijn naam te zetten onder Freud: a secret passion (1962). Maar de insteek bleef duidelijk Sartriaans. In Huis Clos, een bekend toneelstuk van de Franse existentialist uit 1943, zijn twee vrouwen en een man gedoemd om eeuwig met elkaar op te trekken. Daarmee worden ze elkaars beul: niet de Bijbelse hitte pijnigt hen, wel de constante blik van de ander. “L’enfer c’est les autres” besluit Sartre: de hel zijn de anderen. In Freud wordt die hel het eigen onderbewuste waar je als mens een onverbrekelijke en moeizame verhouding mee hebt.

In de voorstelling zien we hoe Sigmund Freud aan het begin van zijn carrière geïntrigeerd raakt door (vrouwelijke én mannelijke) patiënten die zwaar lijden onder fysieke klachten, zonder dat er een aanwijsbare oorzaak voor is. Contracties, stuiptrekkingen, verlammingen, blindheid, spraakstoornissen,… De dokters zien hysterische patiënten dan nog als pure aanstellers. De jonge Weense dokter trekt naar Parijs om er de lessen van Charcot bij te wonen die experimenteert met hypnose. Freuds ambities zijn torenhoog, zijn onzekerheid evengoed, zijn symptomen navenant: waarom rookt hij zoveel? Waarom wil hij altijd overal te vroeg zijn? Waar komt de haat-liefde vandaan die hij voelt voor zijn vader?

Bij zijn terugkeer denkt hij met de hypnose-therapie de Weense psychiaters te overdonderen, maar hij wordt gemeen teruggefloten, en ziet bovendien ook zijn experimenten regelmatig fataal aflopen. Patiënten stoppen, één pleegt zelfmoord. Verbitterd keert hij terug naar de traditionele massages, douches en elektrotherapie. Tot Breuer – een oudere collega die zijn onderzoek wél steunt – hem terugroept voor een patiënte van hem: Cäcilie (een verzamel-pseudoniem in de versie van Sartre/Huston voor een reeks patiënten die Freud die eerste jaren behandelde). Onder hypnose achterhaalt Freud de reden van haar lijden; als ze weer wakker wordt vertelt hij haar die trauma’s en daarmee verdwijnen geleidelijk een aantal van haar (veelvuldige) symptomen. Samen zetten therapeut en patiënte geleidelijk aan de stap naar de spreekkuur: door lang door te praten komen verdrongen gedachten en emoties naar boven. Maar het verzet daartegen is groot, dus het lukt enkel op indirecte wijze: via dromen, versprekingen, onverwachte emotionele reacties, losse flarden van gedachten die geduldig worden geanalyseerd. ‘Schoorsteen vegen’ noemde de echte Anna O. die methode. Freud ontdekt ook het bestaan van de overdracht (waarbij op de analyticus gevoelens worden geprojecteerd voor andere, reële personen) en beseft tenslotte dat hij de patiënten alleen kan helpen als hij zijn eigen weerstanden opheldert. Hij moet zelf in leeranalyse.

Het gevecht van Freud met hysterici en met zichzelf vormt de basis van de plot bij Sartre en levert boeiende scènes op. De hele evolutie – die van 1885 tot 1892 loopt – zorgt in de voorstelling van Ivo Van Hove voor een niet aflatende suspense van falen, wanhopen en koppig doorgaan: kritiek van de gevestigde orde van geneesheren, felle discussies en ruzies met eigen leermeesters en vrienden, jaloezie van zijn eigen vrouw Martha, twijfel of een behandeling ooit zal slagen, confrontatie met zijn eigen onderdrukte trauma’s, en bovenal de striemende eenzaamheid van een nieuwlichter die alleen maar zijn eigen intuïties kan volgen.

Uiteindelijk zal zijn therapie doorbreken, en komt de Joodse dokter tot een inzicht dat de wereld voorgoed zal veranderen: het bestaan van het onderbewuste in elk van ons. Maar het einde van de voorstelling (en de film van John Huston) brengt allesbehalve triomf: ‘Ik ben alleen en de hemel is leeggehaald. Alleen zal ik werken en ik zal mijn eigen rechter zijn, en mijn eigen getuige. Gelukkig gaan we uiteindelijk altijd dood.’

Dat Freud jaren erna zal erkend en gevierd worden als neuroloog-psychiater komt niet aan de orde in het script van Sartre, noch in de voorstelling van Ivo Van Hove. En dat afgelopen eeuw een enorme evolutie plaatsvond binnen de psychoanalyse als leer en als therapie, is nog zo’n gegeven dat je mist. Maar die wrevel komt natuurlijk naar boven omdat de discussie rond Freud vandaag opnieuw allerfelst oplaait: een exacte wetenschap is het nooit geworden – tot Freuds spijt. Maar doet dat er toe?

Wat wél naar voren komt in de voorstelling is de enorme impact van Freuds ontdekking. De weerstand bij de doktersgilde, bij collega’s, vrienden en bij de patiëntes zelf wordt dramaturgisch uitgespeeld. En je krijgt omstandig te zien hoe hij stap voor stap zijn nieuwe inzichten over de verscholen gedachten aarzelend voor zichzelf ontrafelt én tegelijk naar de buitenwereld toe vurig moet verdedigen. Een moeilijke tweespalt. We staan er nog amper bij stil hoe zijn begrippen volledig doorsijpelden in ons wereldbeeld. Het onderbewuste, de hysterie, de lapsus, het faalhandelen, de overdracht van emoties, de kinderlijke seksualiteit: het zijn Freudiaanse inzichten die opgenomen zijn in onze woordenschat, in het collectieve onderbewuste kan je wel zeggen. Ze komen ook overal terug in de scènes.

Ook de wilde, bijna roekeloze manier waarop Freud en zijn patiënte Cäcilie allebei doorwroeten in hun moeras van conflictueuze herinneringen en onwelvoeglijke gedachten wordt in Freud sterk opgevoerd: Stef Aerts als Sigmund Freud, Hélène Devos als Cäcilie en Chris Nietvelt als moeder van Cäcilie vertolken hun psychische worsteling met een bangmakende herkenbaarheid (heen en weer tussen nieuwsgierigheid en scepsis, tussen enthousiasme en onzekerheid, liefde en haat). Je ziet hun mimiek en hun lichamen verspringen en verkrampen van gêne naar woede, naar angst en schuldgevoel. Niet dat ze het allemaal zo zwaar uitvergroten, maar achter het verdrongen onderbewuste, barsten emoties wel ongecensureerd open. Een massief zwart blok dat geruisloos op en neer wordt gehesen, werkt perfect als de benauwende spreekkamer/slaapkamer waar donkere emoties worden onthuld. Ook de scènes met Freuds oude vader (een zeer innemende Bart Slegers) waarin de Joodse oorsprong van Freuds eigen trauma’s onthuld worden, zijn erg gevoelig. En ze betrekken je als toeschouwer emotioneel bij de toch wel ingewikkelde therapeutische materie.

Terug naar die schoenen van Kesting – en van àlle vrouwen in de voorstelling (de echte Martha van Freud kan nooit zo hooggehakt en sensueel hebben rondgedrenteld!). Het lijkt wel een fetish van Van Hove. Freud zou er natuurlijk een eigen verklaring voor zoeken; hier verschijnen ze, lijkt me, als symbool voor klasse, vakmanschap en grandeur van het ITA- ensemble. Zoiets als een onbewust terugkomende vaste waarde van het Amsterdamse gezelschap. Misschien wat al té afgelikt.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#158

15.09.2019

14.12.2019

Mia Vaerman

recensie