Carlos Tindemans

Leestijd 5 — 8 minuten

Fragmenten uit T 68 van Carlos Tindemans, Hugo Claus en Alex van Royen

Manifest is een rubriek voor klassieke teksten, of voor teksten die dat kunnen worden. Hoewel ze soms verzeild zijn geraakt in de vergeetputten van het geheugen, zijn het ijkpunten in de geschiedenis van de podiumkunsten. In Manifest kunnen ze zich nu opnieuw manifesteren, opdat we onze relaties ermee zouden kunnen bezien, herzien.

Op 9 oktober 1995 werd het Liber Amicorum Carlos Tindemans aan het publiek voorgesteld. Het bevat bijdragen van vrienden en collega’s over of omtrent Tindemans’ werk. Ook het T 68 manifest werd er opnieuw in afgedrukt. Carlos Tindemans schreef de tekst als een neerslag van gesprekken tussen Hugo Claus, Alex Van Royen en hemzelf. In 1967 presenteerden ze het document aan de overheid en in 1968 verscheen het als publicatie.

‘Dit document is geen manifest’, zo luidt de eerste regel van T 68. Vanuit een ontevredenheid over de gang van zaken in het theater in ‘Zuid-Nederland’ anno 1967 formuleren de auteurs een plan voor een groot ‘nationaal’ toneel. Met de regelmaat van een klok lijkt deze idee in de reflectie omtrent het Vlaamse theater terug te keren: de geschriften van Jan Oskar De Gruyter, van Herman Teirlinck, T68 en – meer recent – de ideeën van Franz Marijnen. Met de publicatie van een aantal fragmenten uit T 68 wil Etcetera de reflectie voeden en de lezer prikkelen om het hele T 68 manifest te lezen. Het is onze manier om hulde brengen aan Carlos Tindemans.

MANIFEST

De structuur van ons theater werkt ontmoedigend. Bovendien is ook het artistieke beleid van het professionele theater in Zuid-Nederland zonder reserve steriel. Dat kan inderdaad voor een gering deel samenhangen met de ontoereikende subsidiëring, maar afwezig geld verklaart niet alles. Ieder op zijn eigen manier stemmen onze officiële gezelschappen hun theaterpolitiek af op de grootste gemene deler. Het commerciële saldo ligt inderdaad laag omdat het publiek nauwelijks bij de gebeurtenis betrokken wordt, omdat de diverse directies uitgaan van een wensoptiek waaruit ze afleiden wie wat als repertoire wil aangeboden krijgen. Dus mikken ze op een serie stukken die vooraf zekerheid-zonder-risico en knikkebollende instemming garanderen. Daarmee vangen ze dan die tweeëneenhalfdozijn trouwe slenteraars die zonder persoonlijke selectie elke vertoning ondergaan, (uit I.3)

Wij willen evenzeer het moderne nutstheater vermijden, het alleen-maar-ideologische theater, om het even van welke levensbeschouwelijke observantie. Intellectuele, misschien zelfs intelligente discussie is een een fijn verschijnsel, maar over de thematische debatten heen wordt het theatrale idioom niet eens meer gewaardeerd. Bovendien vinden wij dat de educatieve opdracht niet langer aan het theater toekomt; de leerschool des volks, waarvan vele instanties nog steeds geestelijk afhankelijk zijn, is een 19de-eeuws standpunt. Het theater moet beslist vragen stellen, maar het is niet zijn taak daarbij ook de antwoorden te leveren. Bovendien wensen wij T 68 vrij te houden van partijpolitieke voorkeuren die zo vaak op geborneerdheid stoelen en die medeverantwoordelijk zijn voor het artistieke onbehagen. De binding tussen toeschouwer en scène moet van theatrale aard zijn; dit geldt eveneens voor de leiding en de acteurs.(…)

Wij constateren dat de kelder- en kamertheaters zich doodgestaard hebben op een literaire avantgarde, terwijl zij de elementaire experimentwaarden zoals dramaturgische techniek en aangepaste speelstijl veronachtzaamd hebben. T 68 wil geen randactiviteit zijn voor privé-cenakels, maar de bestendiging van zijn eigen gezicht bereiken door het risico van het aanhoudende experiment. Anderzijds wensen wij onze experimenten als een laboratorium-arbeid te beschouwen die niet onvoorwaardelijk mag uitgetest worden op kosten van het publiek. In de werkplaats T 68 gaan principieel aandacht en energie naar het experiment, maar alleen de resultaten, die na een proeftijd en een controle op hun maximale waarde gunstig uitvallen, zullen opgaan in een definitieve vertoning, (uit III.1)

Een der oorzaken waarom ons officiële theater zichzelf wel oveleeft maar niet overtreft, ligt in het tekort aan bezinning. Eenmaal veilig geïnstitutionaliseerd, is de vraag naar de verantwoording der existentie verloren geraakt. Wil een theater echter blijven bestaan, in staat tot ageren en reageren, dan dient het zich constant over zichzelf, over wezen en herkomst en bijgevolg toekomst te buigen, (uit III.2)

T 68 wil een nieuw slag acteurs kweken, op een andere basis dan spraaklesjes en lichamelijke bevalligheid. De nadruk moet vallen op de instrumentele vaardigheid via vocale en corporele training die culmineren moet in de theatrale expressie. Onze ontevredenheid is gericht op de bestaande gezelschappen die pas afgestudeerde acteurs maar laten aanmodderen met hun elementaire kennis en die alle heil verwachten van wat dan routine heet. Bij menig acteur is door deze houding elke kans op organische groei verhinderd. T 68 wil zich precies op dit aspect concentreren: het wil de individuele begaafdheid voedsel geven en zo de ensemblemogelijkheden verhogen, (uit IV.2)

Met de technische bouwelementen van de acteur onverbreekbaar verbonden zien wij het historisch bewustzijn dat uit de voorstellingen zal oplichten. T 68 wil vanuit het geweten van de tijdgenoot doordringen tot de fundamenten van het verleden; wij wensen ons niet te beperken tot het formele, het oppervlakkige, het arbitraire van een plot, het alleen maar ludische van een voorstelling. Er moet een organische eenheid van situatie en situering, van schrijftijd en speelmoment, van auteursvisie en regisseursconcept, van esthetische waarde en werkidee, van globale stijl en zaaleffect worden bereikt.

Het beleven van de eigen tijd, gereflecteerd in het zelfstandige zoeken van de acteur naar de kruisingsmomenten in de dramatische beweging, zal meer contact met de toeschouwer opleveren. Dit mag nergens een ideologisch theater worden; de intentie van T 68 is de mensen wakker te maken en te houden, het besef over te brengen een bewustzijn van nu te vertolken.

De voorwaarde daartoe is dat het ensemble opgebouwd is uit individuen die een eenheid vormen: om daartoe in staat te zijn, moeten de acteurs op een zelfstandige wijze initiatief ontwikkelen. Ze moeten in staat zijn en bereid hun persoonlijke kwaliteiten te versmelten in het ensemble. Wij willen het verschil aantonen tussen acteurs als gedisciplineerde vaklui en acteurs die alleen maar uitvoerende tonelisten zijn. Zo zal T 68 in staat zijn een autochtone acteerstijl te ontwikkelen, (uit IV.3)

Aan de regisseurs die binnen T 68 gaan werken, willen wij twee eisen stellen. Ten eerste moeten zij de algemene visie van het gezelschap delen. Ten tweede moeten zij in staat zijn tot ambachtelijk coachen; elke repetitie moet meer zijn dan een toevallige etappe in een proces dat stilvalt bij de première, zij moet een onmisbare schakel zijn in de ontwikkeling van de troep. De regisseur moet die dimensie ontdekken die iets te maken heeft met wat wij willen; en wat wij willen is een theater voor vandaag, (uit IV.4)

Om onze werkprincipes te realiseren, is er een repertoire nodig. Dat is voor T 68geen verlengstuk van de literatuur, maar een pleidooi voor het theater. Daarom is er een absolute scheiding noodzakelijk in het denken over het theater en het drama. Niet het drama heeft onze eerste aandacht. De stukken zullen meer behandeld worden als scenarii dan als onaantastbaar-heilige teksten. Zij moeten de relatie tussen scène en zaal vernieuwen. (…)

Wat T 68 wil ontdekken en cultiveren is een nieuwe impuls, een nieuwe imperatief, een nieuwe en betere reden waarom duizenden, die nu aan het TV-scherm kleven, de weg naar het theater terugvinden. De mensen moeten vandaag naar het theater kunnen om net dezelfde redenen als in de hoogdagen van de theatergeschiedenis, want het theater voorziet in een artistieke belevenis die een kijk op de wereld illustreert en het begrip voor haar betekenis in beelden omzet, (uit IV.8)

Bij open doek. Liber Amicorum Carlos Tindemans is een uitgave van UIA en Uitgeverij Pelckmans (ISBN 90 289 2170 2). Behalve het T 68 document bevat het bijdragen van Ludo Abicht, Porter Anderson, Frans Van Bladel, Luk Van den Dries, Hugo De Greef, Emil Hrvatin, Marianne Van Kerkhoven, Aloysius van Kesteren, Hans van Manen, Franz Marijnen, Vicki Ooi, Geert Opsomer, Frank Peeters, Jef De Roeck, Georges Schlocker, Henri Schoenmakers, Arthur Sonnen, Klaas Tindemans, Karl Toepfer en Andrzej Zurowski, in een eindredactie van Luk Van den Dries en Frank Peeters.

artikel
Leestijd 5 — 8 minuten

#52

15.10.1995

14.01.1996

Carlos Tindemans

artikel