‘Colère’ – Dito’Dito & gasten / Hans Roels

Wim Van Gansbeke

Leestijd 4 — 7 minuten

Een fin du monde van het fin de siècle

Brecht, maar dan efficiënter

100 Ways To Disappear And Live Free van Dito’Dito & transquinquennal is ‘wanhoop in een kleed van arcadische vreedzaamheid’. Wim Van Gansbeke leidt de tekst in.

Hierna, lezer, vindt u de tekst van 100 Ways To Disappear And Live Free, een productie van Dito’ Dito & transquinquennal, gecreëerd in februari van dit jaar. Of ik daar een inleiding bij wilde schrijven, was de vraag van Etcetera. De jongste tijd is mijn eerste reactie op dergelijke vragen de aanvechting om meteen nee te zeggen en totnogtoe ben ik er ook aardig in geslaagd voet bij stuk te houden. Hier evenwel stond ik machteloos. Je kan het immers niet als een absoluut voorrecht ervaren hebben bij een voorstelling aanwezig te mogen en te kunnen zijn, om daarna botweg te weigeren er ook maar iets over te zeggen, desnoods op het publieke forum.

Aan de hier in te leiden tekst (en de opvoering ervan) werd ik om velerlei redenen herinnerd toen ik onlangs de vier weekends en het veelvoud aan creaties bezocht van het in alle opzichten unieke project October/Oktobre van Dito’Dito, de Beursschouwburg en het Théâtre de la Balsamine. Er was daar goeds en minder goeds te horen en te zien (een wisselvalligheid, inherent aan een dergelijk ultra-korte-termijn-opzet) maar al snel realiseerde ik me dat het daar niet om ging, dat kwaliteits- en smaakafwegingen er niet veel toe deden omdat ik volkomen ondergedompeld werd in een onbeschrijflijke sfeer (zoiets als in de hoogtijdagen van de eerste Kaaitheaterfestivals in de jaren ’80). Een sfeer die gecreëerd werd door voluit te gaan voor onvervalst maatschappelijk bewogen theater maar dan op een verbijsterend speelse en enthousiasmerende manier.

Het is een waarmerk van Dito’Dito om in zijn voorstellingen het stads- en samenlevingsgegeven Brussel, de meertaligheid en de multiculturaliteit ervan mee te nemen. Bij vergelijkbare pogingen strandt dat vaak op bloedige ernst, prozaïsch-ernstige betogen of drammerige door-de-strot-duwerij. Dito’Dito vertelt zijn ding op een zo volslagen onverkramp-te manier dat het medium theater niet enkel opnieuw een uithangbord voor zijn eigen speelsheid wordt, maar regelrecht een zelden vertoond gemeenschapsgevoel en daarmee een soort van ontspannenheid en blijheid genereert zonder in naïef alle-mensen-worden-broeders-gedoe te vervallen.

Dat heeft ook te maken met de manier waarop professionele en niet-professionele, autochtone en allochtone, Nederlands- en Franstalige acteurs (of spreek ik beter van performers?) zich ten opzichte van mekaar en binnen teksten en hun voorstelling verhouden. Iets wat je niet anders kan noemen dan ontspannen, gewoon zichzelf en daardoor authentiek in de expressie en de tekstkeuze, zonder vooroordelen ten opzichte van mekaar en mekaars teksten, er niet op uit de culturele verschillen maar wel de culturele gelijkenissen te benadrukken, in staat om zonder enige rancune te lachen om mekaars hebbelijkheden en waarbij de ene zich in geen enkel opzicht de mindere van de ander hoeft te voelen.

Waar het verschijnen van allochtone acteurs in een autochtone voorstelling vaak enige bevreemding en een zekere vervreemding veroorzaakt (als het al geen folkloristisch effect sorteert) en waar er soms, ondanks de beste bedoelingen, een soort van hiërarchie blijft bestaan, gedomineerd door de autochtoon (hetzij naar komaf, hetzij naar taal), al was het maar in de belangrijkheid van een rolverdeling, is dat hier volkomen opgeheven: er is geen enkele pikorde of althans wordt ervoor gezorgd dat je nooit aan dat gevoel toekomt. En plots blijkt er ook geen sprake meer van een taalbarrière bij het publiek.

Aan 100 Ways To Disappear and Live Free werd ik het meest herinnerd door het in dit October/Oktobre-project als een running gag steeds terugkerende onderdeel Colère. Daarin komen acteurs en niet-acteurs als toevallige gasten de zaal om beurt hun hoogstpersoonlijke woede in het gezicht slingeren. Die kan van reële of gefantaseerde, van echt belangwekkende of gewild kleinzielige, van ernstige of komische, van realistische, surrealistische of dadaïstische aard zijn, het is een wonderlijk werkende ontlading die het medium theater weer een stuwende kracht geeft die je vaak verloren waant: verre van dom, vaak heel geestig maar precies daardoor tot nadenken aanzettend en à bout portant maatschappelijk betrokken.

Van Colère is 100 Ways… als het ware de ironische omkering. In het programmablaadje bij deze door 7 acteurs gepresenteerde (‘gespeelde’ is misschien niet het juiste woord, maar de presentatie was wel bijzonder speels) compilatietekst van eigen makelij en met citaten van o.a. Rudi Bekaert, Guido Gezelle, R.D.Laing en Raymond Queneau, stond o.m. te lezen: ‘Elk jaar sterven er meer dan 1500 linkshandigen omdat ze verplicht zijn voorwerpen te gebruiken die bedoeld zijn voor rechtshandigen’ en ‘We bevinden ons op de koffietafel van de begrafenis van een aantal toneelspelers. Ze nemen op gepaste wijze afscheid van het publiek maar vooral van zichzelf.’

Die twee mededelingen gecombineerd vormen niet enkel de dramaturgische draad van schriftuur en voorstelling maar ook een ironische positiebepaling. Die koffietafel klopt overigens niet. De spelers bevinden zich alreeds in het hiernamaals (bij de voorstelling was dat een a.h.w. in de ruimte zwevend, grasgroen, paradijselijk speelvlak).

De ironie van tekst en voorstelling zit hem niet enkel in het feit dat de protagonisten blijkbaar moesten sterven om hun vrijheid te herwinnen, maar ook in de ooh‘s en aah‘s van welbehagen die doorlopend de tekst ritmeren maar zo vaak in subtiele tegenstelling zijn met de inhoud ervan. En op een even subtiele manier hebben we hier plots te maken met politiek theater van het zuiverste water. Dit is wanhoop in een kleed van arcadische vreedzaamheid en daardoor ook wanhopig grappig. Dit is, gestoken in een zelfgenoegzaam ogend pak, een vlijmscherpe kritiek op zelfgenoegzaamheid. Op alles waaraan een mens wil ontsnappen en waarvoor blijkbaar alleen de dood uitkomst biedt. Maar is het wel de dood, of is dit hiernamaals de ultieme ironie van de ontkenning van een verloederde en ondraaglijke wereld?

Door die wereld verzaligd te recupereren en hem als mierzoet Turks fruit weer uit te spuwen, wordt zijn onleefbaarheid superieur ironisch gedecodeerd. Dat is komisch maar ook gruwelijk pijnlijk. Dit koor is een slotkoor maar niet in transcendentale zin. Het zijn levenden die, onder het mom van opgang, de ondergang bezingen. Een fin du monde van het fin de siècle.

Dit is een spitse en intelligente vorm van anti-theater, waarin ook geen enkele vorm van theatraliteit meer overeind houdt, behalve de oerkracht van het woord en hoe het gezegd wil wezen. Een handvol pagina’s priemend on-theater. Brecht als het ware, maar dan veel efficiënter.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

Wim Van Gansbeke

artikel