ALL @ Jan Rymenants

Evelyne Coussens

Leestijd 4 — 7 minuten

FIK. & ALL. – BOG

Gebald in een beeld

Judith de Joode en Lisa Verbelen bouwen iets voor ons. Een beeld, een lied. Zowel in FIK. een lichte verzameling als in ALL. solo by Lisa Verbelen vormt het bouwen zelf de essentie, niet het resultaat van die arbeid. Want zoals steeds bij BOG, de Nederlandse collectie waartoe De Joode en Verbelen behoren, is theater eerder een collectieve beweging dan een voorstelling.

De leden van BOG zijn niet bang voor de grote greep. Voorgaande voorstellingen van de groep (met naast Verbelen en De Joode ook nog Benjamin Moen, Sanne Vanderbruggen, dramaturg Roos Euwe en zakelijke leider Anne Balthus) tackelden alomvattende vragen rond het zelf en de wereld, met alle moeilijkheden (de liefde, de dood, het hogere) daartussenin. Die weidse ambitie zou makkelijk aanleiding kunnen geven tot pseudo-filosofische tekstvoorstellingen met een educatieve inzet, maar aan boodschapperigheid doet BOG niet.

Uit het zwarte gat van het ik

Liever kiest het ervoor samen met het publiek een zoektocht te ondernemen waarbij enkel de contouren worden geschetst van een mogelijk pad naar inzicht. De abstractie van elk medium (taal, muziek, beeld) laat ruimte voor meervoudige interpretatie. Zo denk ik dat FIK. een lichte verzameling gaat over wat een afscheid (van een ander, van een deel van jezelf?)  doet met je in-de-wereld-zijn en ALL. solo by Lisa Verbelen over wat een depressie doet met datzelfde. Beide voorstellingen gaan over de poging om uit het zwarte gat van het ‘ik’ te kruipen. Denk ik. Maar misschien gaan ze voor iemand anders over iets helemaal anders.

De innerlijke reis die ik in ieder geval ervaar is een beweging die de makers samen met ons maken vanaf een welbepaald startpunt: de stilstand, het hier en nu, deze zaal, dit lichaam. In FIK. is de spreker aanvankelijk lamgeslagen. Woorden zijn stotterende syllaben, klanken die enkel een poging uitdrukken, zonder inhoudelijke betekenis. De Joode slikt, klakt met de tong, de wangen, tracht aarzelend tot een zinnige zin te komen. ‘Nu het donker is/Nu er niets meer is/ rest er je alleen/ deze ene minuut/deze enkele seconde’. In ALL. zoomt een camera in op de woordpuzzels die Verbelen legt en waarin als proloog verschijnt: ‘You are here, in this body./ You are here, in this room/You are here, in this zoom/Zoom out.’

Uitzoomen, vanuit dat zwarte gat terug het leven in, dat is wat beide makers zullen proberen, en ze capteren die poging allebei in een installatie die de essentie prachtig samenbalt. De Joode kadert de ervaring van pijn letterlijk in een centraal opgesteld glazen frame, waarin toneelrook wordt geblazen: door dat mistgordijn van steeds bewegende en verkleurende rookwolken probeert de spreker de realiteit te blijven zien, maar de mist wordt dikker, slaat neer en ketent de spreker in een eindeloos zwart nu. ‘Het loopt niet /het staat niet /het zit niet /het gaat niet’. Zo dik is de mist dat de spreker begint te twijfelen aan zijn bestaan. Dat is wat er gebeurt wanneer je wordt verlaten: je verdwijnt, raakt opgeslokt in het duister, want die ander ziet je niet meer.

Lisa Verbelen bevindt zich op haar beurt op een hellend vlak – alweer letterlijk, want ze staat met haar instrumenten aanvankelijk op een schuinstaand platform. Dat platform wordt bovendien nog eens aan kabels voortgetrokken en beweegt zich onverstoorbaar voor- en achteruit, terwijl een spot in de tegenovergestelde richting meebeweegt. Tja, soms sta je in het licht, soms volgen je je schaduwen je, of gaan ze je vooruit. Op haar krappe podiumpje legt Verbelen haar woordenpuzzels neer, via een camera worden ze zichtbaar voor het publiek. Het verplaatsen en herschikken van de woorden zijn de gedachten die malen: met enkele snelle handbewegingen draait ‘You can leave the world’ tot ‘The world cannot leave you’. Alles aan ALL. mikt op een zero: het projectiescherm is rond, de woordenclusters bijten in hun eigen staart, de installatie kan tot in de oneindigheid blijven rijden. Er is geen wezenlijke vooruitgang mogelijk, aangezien alles ingebed is in alles, alles vastzit aan alles.

ALL © Jan Rymenants

Monologen op muziek

In hun omgang met muziek verschillen de monologen grondig van elkaar. De Joode laat zich bijstaan door multi-instrumentalist Harald Austbø maar haar tekst is op zich al muzikaal, opgebouwd uit korte staccato-frasen met een uitgesproken ritme en klank. Met sommige woord- en klankexperimenten balanceert ze op de dunne grens tussen poëtisch en vrijblijvend. Soms treft ze doel (‘Het went niet/het weent’), op andere  momenten wordt het taalbouwsel zuiver spielerei – en dus minder interessant. Bij Verbelen is de muziek veel sterker verankerd in de dramaturgie zelf: de manier waarop haar eenstemmigheid laag na laag uitbreiding krijgt tot meer- en veelstemmigheid valt samen met het uitreiken van de ik naar buiten, het zoeken naar een nieuwe harmonie.

Is er een kantelpunt? In FIK. duidelijk wel, want na een eruptie van woede trekt de mist op, ontsnapt hij uit zijn kader, zodat de scherpe blik op de realiteit kan terugkeren, want ja, het gaat erom hoe je het leven bekijkt. De spreker wordt opnieuw zichtbaar (voor een ander, voor zichzelf), keert terug in zijn lichaam, in de wereld. Of beter gezegd: hij springt de wereld in, Austbø  en De Joode doen dat allebei, met een ontroerend hervonden levenskracht. Ergens knettert een vuurtje, de vlammen dansen even vrolijk als de performers, wat een alomvattend niets was wordt een alomvattend alles – met datzelfde bewustzijn over het moment als brandpunt. Na dat moment van hergeboorte volgen nog een paar sequensen, maar die kwakkelen, de spanning is er af.

Over naar Verbelen, wiens ik het moeilijker heeft, aangezien zij niet dealt met een ander maar enkel met zichzelf en haar verleden, en de wens dat verleden niet te herhalen. Haar karretje blijft bollen, zonder perspectief, zoals ze ook zegt in de tekst waarmee ze haar monoloog afsluit: ‘let’s paint in the dark/and wait for the light’. De keuze voor het tekstgedeelte aan het eind voelt wat dubbelop – de installatie en de song spreken voor zich, waarom daar nog woorden aan toevoegen? De kracht van BOG is juist dat woorden vaak niet in hun conventionele vorm worden gebruikt, als betekenisdragers, maar als vormen an sich, als lege tekstbalonnen, zelf in te vullen.

Sowieso blijft het wonderlijk hoe deze twee monologen erin slagen – al doende, springende, zingende – om een innerlijke toestand te vatten in eenvoudige vormen die niet-anekdotisch, meerduidig en gewoon ook mooi zijn. En hoe hun makers, springers, zingers zo’n onbevattelijk grote concepten in een abstracte maar toegankelijk-leesbare vorm weten te vatten. Samen met ons.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#157

15.05.2019

14.09.2019

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

recensie