Lullabye – Anneleen Keppens
Wie zorgt er voor wie zorgt?
Tom Rummens
© Simon Gosselin
Met het literaire oeuvre van Thomas Bernhard en Arthur Schnitzler onder de arm schetst Julien Gosselin een duister portret van hoe samenlevingen in verval geraken. Extinction is een bloedstollende theatermarathon, waarin de Franse regisseur opnieuw zijn cinematografisch en dramaturgisch talent laat zien.
We zeggen weleens dat een samenleving voor haar verval op de rand van een vulkaan danst, maar hoe doet ze dat dan? Danst ze zoals in de belle époque een wals, verkrampt en naïef in een spiraal naar beneden glijdend? Of wiegt ze twistend de heupen heen en weer in de korte intense schokken van de jaren 60? De wals en de twist zijn niet alleen uit het uitgaansleven verdwenen, ook de wereld beweegt niet meer op hun ritme. Voor de neergang die ons te wachten staat – misschien wel tot dat absolute nulpunt: de uitroeiing – is er minder lichtzinnige muziek aangevraagd. In Extinction, de jongste marathonvoorstelling van Julien Gosselin, gebeurt de vulkanendans op staalharde techno die toewerkt naar een climax waarin de dood te horen is. Bevinden wij ons binnenkort ook in een wereld waar zonet nog iedereen aan het trippen was?
Er is geen ander als Gosselin om je die trip te geven. Op zesendertigjarige leeftijd heeft de Franse theatermaker een oeuvre verzameld dat als monumentaal kan worden omschreven. Hij is niet alleen een briljante dramaturg, maar heeft ook technisch vernuft en cinematografisch talent met overschot. Gosselin noemt zijn eigen stijl ‘documentair theater’ en dat is correct: hij zou niet alleen aan de bak kunnen als documentairemaker, hij capteert ook hele tijdsvakken. Extinction is het tweede deel van de reeks Histoire de la littérature allemande; die titel alleen al barst van de ambitie. Gosselin greep in vroegere stukken terug naar moderne schrijvers, zoals Michel Houellebecq, Roberto Bolaño en Don DeLillo. Na onlangs Goethe, Thomas Mann en Leonid Andrejev onder handen te hebben genomen, zet hij nu met Extinction zijn duik in het verleden verder.
“Samen met de acteurs vormen de gewillige toeschouwers een doodscultus van mystici die in complete overgave samen op het einde afstevenen.”
Beginnen doet de voorstelling in Rome, 1983. Mensen uit het publiek gaan af en aan om met de acteurs mee te raven op elektronische muziek die eerder uit een Berlijnse boiler room anno 2023 lijkt te komen. Het lijkt wel alsof DE SINGEL heel Antwerpen heeft uitgekamd om de meest overtuigende hipsters te vinden: heuptassen zijn van de haak genomen, mullets gegroeid, crop tops ook bij herfstweer moedig gedragen. Wie op voorhand een figurantenrol heeft gekregen en wie als toeschouwer gewoon denkt mee te mogen doen, wordt nooit duidelijk. Wanneer de mengtafel op het podium naar achteren schuift, volgen ze allemaal. Samen met de acteurs vormen de gewillige toeschouwers een doodscultus van mystici die in complete overgave samen op het einde afstevenen. Après nous, le déluge. Dan focust de camera – bijna alles wordt simultaan gefilmd – op een jonge vrouw. Een vriendin vertelt Rosa Lembeck, vertolkt door de gelijknamige Duitse actrice, dat ze haar vanuit Oostenrijk proberen te bereiken. Het is dringend.
Na de eerste pauze zet Rosa zich mee in de zaal. Op het toneel is het nu 1913 en Oostenrijk staat op de rand van de afgrond. Vooraf opgenomen beelden tonen gehavende, bloedige lijken, verspreid over de kamers van een art-nouveau-woning. Het is de macabere voorbode voor een tweeënhalf uur lange koortsdroom gebaseerd op teksten van de Oostenrijkers Hugo von Hofmannsthal en Arthur Schnitzler, en de film Eyes Wide Shut, Stanley Kubricks bewerking van Schnitzlers Traumnovelle (1926). Het is niet verwonderlijk dat Gosselin voor Schnitzler koos: de succesvolle schrijver stond bekend om zijn psychologisch uitgediepte personages en werd destijds al snel met de vernieuwende psychoanalyse van Sigmund Freud geassocieerd. Naast klassieke Schnitzler-personages als Fräulein Else, Nachtigall, Albertine en Florestan (oorspronkelijk Fridolin), schotelt Gosselin ons de sadistische Aurélie, de blinde Falkenir, de melancholische Paul, de labiele Sandor en een naamloze theateractrice voor – voornamelijk gespeeld door acteurs van het gezelschap Si vous pouviez lécher mon coeur dat de regisseur in 2009 zelf oprichtte.
De toeschouwer wordt geworpen in ‘een cultuur van gevoelige zenuwen, ongemakkelijk hedonisme en vaak regelrechte angst’, zoals Carl E. Schorske de situatie beschreef in zijn standaardwerk Fin-de-siècle Vienna: Politics and Culture. Het is vooral het nieuwe dualisme tussen het bewuste en het onderbewuste, de werkelijkheid en de droom, die de Weense burgerij van haar evenwicht brengt. In het salon is er feestgedruis, maar in de andere kamers loert het ongeluk. Terwijl we elders in het huis getuige zijn van een overdosis, liefdeloze seks of een sadistisch rollenspel, gaat de soirée in de woonkamer ongestoord verder. Het mondaine Wenen sluit bewust de deuren naar de achterkamers van de psyche.
Er heerst een gevoel dat het einde van de wereld nadert. Zo zegt de componist Nachtigall aan Else: ‘Dit is het einde van de wereld. We gaan allemaal dood.’ Waarop Else antwoordt: ‘Mensen, arme mensen. Ik heb medelijden met ze allemaal.’ Reflecties over onzekere tijden, het begin van het einde en ochtenden die niet meer komen, leiden af van geanimeerde discussies over kunst, muziek en erotiek. Tegen het einde van de avond, wanneer ze Nachtigall om muziek smeken, komt hij met een nieuwe compositie. Titel: ‘De Apocalyps’. In de bijhorende variétévoorstelling, schitterend opgevoerd door Marie Rosa Tietjen, wordt een hele tijdsgeest samengevat. Daarna volgt wat Nachtigalls atonale muziek nooit had kunnen vatten: het echte einde.
Champagne voor de apocalyps
In het derde luik volgt de raamvertelling. Mocht Rosa niet zopas gehoord hebben dat haar ouders en broer waren overleden, zou haar lezing aan de universiteit van Rome over literatuur zijn gegaan. In plaats daarvan reflecteert ze op haar opvoeding, haar liefde voor de kunsten, haar beminde Rome en gehate Oostenrijk. De monoloog, in het Duits, komt integraal uit Thomas Bernhards Auslöschung. Ein Zerfall (1986), in het Engels vertaald als Extinction. Bernhards werk is op zich al gemaakt voor het podium, maar Gosselin en actrice Rosa Lembeck hebben achter het cynisme van de schrijver iets veel krachtigers gevonden: hoop.
“Gosselin heeft er vijf uur voor nodig, maar wat hij zegt dient gehoord te worden. Extinction is in de eerste plaats een onderzoek naar hoe samenlevingen in verval geraken en tot hun einde komen.”
Gosselin heeft er vijf uur voor nodig, maar wat hij zegt dient gehoord te worden. Extinction is in de eerste plaats een onderzoek naar hoe samenlevingen in verval geraken en tot hun einde komen. Alleen maakt Gosselin duidelijk dat de donderwolken deze keer niet alleen over Oostenrijk of Europa samenpakken, maar over de hele aardbol. In het begin is er nog plaats voor frivoliteit. Hoewel iemand zich voorstelt dat er op een gegeven moment alleen nog duinen zouden zijn, laat ze dat beeld het feest niet bederven: ‘Kunnen we in afwachting van het niets dan champagne drinken?’ Toch gaat de neergang gestaag voort – totdat alles letterlijk begint te beven en de aarde uiteenbarst.
Mede omdat Rosa fotografie ‘het grootste ongeluk van de eenentwintigste eeuw’ noemt, dringt zich de conclusie op dat verval meestal na vooruitgang komt. De verfijnde Weense cultuur kon de Eerste Wereldoorlog niet afwenden. Ondanks Arthur Schnitzler, Gustav Klimt en Alban Berg is Oostenrijk toch mee de loopgraven in geklommen en bracht het de wereld Adolf Hitler. In 2023 realiseert Rosa zich dat haar landgenoten Mozart hadden maar toch dom zijn geworden.
Gosselin kijkt met genegenheid naar zijn personages, hun cynisme en pessimisme dat ze moeten overdrijven om troost te vinden, maar hij laakt hun nihilisme. Tegenover incest, extreem geweld en hedonisme plaatst hij een parabel verteld door Florestan uit de Traumnovelle. Tijdens zijn legerdienst had Florestan een bevel tot executie moeten geven. Hij vertelt hoe hij anderhalf uur voor de fusillade een terdoodveroordeelde een roman zag lezen. Wanneer hij naar de reden vroeg, antwoordde de man dat je nooit met zekerheid kon weten dat het einde niet afgewend zou worden. Even later ontving Florestan het bericht dat zijn overste de man genade had geschonken. Rosa redeneert net zoals de man uit de parabel. Als ze niet meer lang te leven zou hebben, zegt ze in het eerste deel, zou ze Tolstoj, Dostojevski en Kafka lezen. In plaats van er zich met veel gedoe in te storten, zoals de meerderheid zou doen, stappen de terdoodveroordeelde en Rosa liever al lezend de afgrond in.
Gosselin relativeert enigszins zijn megalomanie, want uiteindelijk is Extinction ook een satire op het theater. In het eerste deel zegt Rosa al dat theater liefde steeds tot kitsch maakt. Op het einde van het tweede deel geeft ze een vriendin, die erin meespeelde, haar mening over het stuk: ‘Het is afschuwelijk. De wereld is niet zó afschuwelijk.’ Ze komt tot de conclusie dat men maar beter alle theaterzalen zou sluiten. Maar daar kun je na Extinction onmogelijk akkoord mee gaan.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.