Gretl Van Ourti

Leestijd 10 — 13 minuten

Europalia goes Japan

No ,Kyogen, Kabuki, Shingeki, Shogekyo…

De Europaliagedachte is dit jaar wel erg ruim en strekt zich uit tot Japan. De Japanse yen staat borg voor rijke culturele export met een gevuld tentoonstellings- muziek-, dansen theaterprogramma. Ter introductie gidst Gretl Van Ourti ons door heden en verleden van het Japanse theater en toetst daaraan het Europalia-aanbod.

Er gebeurt heel wat in de Japanse theaters de dag van vandaag. Er heerst zoals men het in het Engels en ook in het Japans zegt, een theater’boom’. Het hele jaar door kan men een grote variëteit aan voorstellingen bijwonen. Theater-en dansfestivals rijzen als paddestoelen uit de grond. De laatste jaren vormen kwantitatief een absolute recordperiode. Alleen al in Tokio, het Japansetheatermekka, lopen er maandelijks meer dan 200 produkties. Hat Japanse theater anno 1989 heb ik noodgedwongen tot vier grote categoriën herleid. Deze zijn : het traditionele theater, het Shingeki, het commerciële theater en het onafhankelijke experimentele theater. Deze laatste groep vertegenwoordigt de grootste plaats binnen het huidige Japanse theaterlandschap.

Traditie

Het traditionele theater – No, Kyogen en Kabuki – is vaak het synoniem voor het Japanse theater in het westen. De laatste 10 tot 15 jaar trokken diverse groepen naar het buitenland. In Tokio organiseert men regelmatig No en Kabuki workshops voor buitenlanders. Het Kabukitheater in Higashi-Ginza, Tokio, heeft een engelstalige earphone-guide.

Het is moeilijk voor een buitenstaander de traditionele vormen ten volle te appreciëren. Ik herinner me mijn eerste No-ervaring, 6 jaar geleden in België. Na een half uur was mijn nieuwsgierigheid bevredigd. Het einde liet lang op zich wachten. Een groot percentage van de Japanners ervaren het op dezelfde manier. Het is zoals opera in België : men kent de bekendste stukken, maar men heeft het nog nooit in levende lijve gezien. Je kan leren ervan te genieten.

Een half jaar had ik me intensief bezig gehouden met experimenteel theater en ik was dringend aan verandering toe. Toevallig las ik dat Kanami’s No-stuk Aoi no Ue op het programma stond. Ik kende het stuk alleen in de moderne No-versie van Yukio Mishima. Zo trok ik op een winterse zondagnamiddag vol verwachting naar het No-theater. Er was veel volk, hoofdzakelijk op z’n zondags uitgedoste oudere heren en dames. Aan de ingang verkocht men de ‘partituren’ van de verschillende No-stukken. De voorstelling was een herademing. Ik was vergeten hoe mooi No was. Ik ben niet voor de volledige sessie gebleven. No en Kabuki voorstellingen duren een halve dag en het is niet de bedoeling dat je van begin tot einde op je stoel blijft zitten. Tussendoor kan je iets eten in het restaurant van het theater of je kan slechts één stuk van het hele programma bekijken.

Interessant is dat moderne theatermakers en dansers elementen uit het traditionele theater gebruiken. Aan de andere kant is er ook een moderne Kabuki-versie : het super- Kabuki. Er is zelfs een engelstalige Kyogen-groep, opgericht door buitenlandse Tokioërs. Donald Richie, ondermeer bekend om zijn boeken over Japanse film, woont in Tokio en schreef dit jaar 3 nieuwe Kyogen stukken. Het vergt een kleine aanpassing van de toeschouwer. De voorstelling die ik bijwoonde, was heel grappig. Het geeft de sfeer weer van het huidige theater in Japan. Alles kan en mag. Het is een grote mengeling van Japanse en westerse stijlen.

Shingeki

Het Shingeki, letterlijk vertaald ‘het nieuwe theater’, was in oorsprong een imitatie van het Europese realistische theater. Ondertussen is het al niet meer zo nieuw. Het genre bestaat al bijna 100 jaar. Er zijn een 40-tal Shingeki gezelschappen. De belangrijkste zijn: Bungakuza (het literaire theater), Haiyuza (het akteurstheater) en Mingei (het volkstheater). Shingeki-akteurs krijgen een opleiding zoals in het Westen. Verschillend met het Westen is dat de gezelschappen zelf opleiding geven. Dit is een constante binnen het Japanse theater.

Shingeki brengt zowel vertalingen van westerse stukken als werken van eigen bodem. In de Haiyuza zag ik Les Femmes Savantes van Molière, compleet met witte krulpruiken op het hoofd en molières aan de voeten. In het Bungakuza zag ik drie korte stukken van Betsuyaku Minoru. Betsuyaku is een bekend hedendaags toneelschrijver. In de jaren ’60 stichtte hij samen met Suzuki Tadashi de groep Waseda Shogekijo. In 1969 begon hij voor zichzelf te werken. Betsuyaku schrijft absurd theater. Bij Senda Akihiko, een bekend theatercriticus, vond ik de verwoording voor mijn gevoelens tijdens de voorstelling : “Betsuyaku schrijft in alledaagse idiomen. Zijn taal is echter in zo’n extreme mate precies dat het stuk een metafysische draagkracht krijgt.”

Commercie

Het commerciële theater is de benaming voor theater dat op grote schaal wordt geproduceerd door maatschappijen als Toho en Shochiku. Het bestaat vooral uit groots opgezette musicals, zoals Cats of Les Misérables en spektakeltheater, zoals dat van Ninagawa Yukio. Ninagawa begon in de jaren ’60 als theatermaker in de Shogekijo (cfr. onafhankelijk experimenteel theater). Midden jaren ’70 is hij overgeschakeld naar de commerciële sector. Hierdoor kreeg hij financieel meer mogelijkheden. Hij heeft zowel in Japan als in het buitenland naam gemaakt als experimenteel spektakelmaker. Hij werkt met Shingeki- acteurs en hij gebruikt stukken van hedendaagse Japanse schrijvers, vaak bewerkingen van oude Japanse en westerse stukken.

Eén van de oudste en bekendste groepen in de commerciële sector is de Takarazuka, een revue-groep met enkel vrouwen. Om het gebruik van een nieuwe spoorwegmaatschappij te promoten, in 1910, vatte de president van de firma, Kobayashi Ichizo, de idee op vlakbij Osaka een kuuroord te bouwen. Naast Japanse baden bouwde men ook een groot, modern westers gebouw met een overdekt zwembad : de Paradise Pool. Zonder succes echter. Kobayashi vond de oplossing : het zwembad werd omgebouwd tot een theater. Een groep mooie jonge meisjes werd aangeworven en vormde een zangkoor. In 1913 kreeg het de naam Takarazuka. Nu telt het vier verschillende groepen, allen gevestigd in Osaka.

Experiment

Het onafhankelijke experimentele theater van de jaren ’60 kreeg in Japan de naam: Shogekijo Undo. Letterlijk betekent dit: de beweging van de kleine theaters. Deze is ondertussen al 30 jaar aan de gang. De tijden zijn veranderd en de oudste generatie is geëvolueerd. De jongste generatie heeft een nieuwe weg ingeslagen.

De Shogekijo was zowel een reaktie op het Shingeki als een uitdrukking van haar eigen tijd. Er zijn gelijkenissen met het Westen. De Shogekijo zocht naar authenticiteit. Men experimenteerde met theaterruimtes. Men speelde op straat, trok rond in tenten enz.. De opbouw van de stukken werd complexer. Een stuk in een stuk, meerdere plots in één verhaal, flash-forwards en flash-backwards. Men zocht naar een speelstijl die het gewone kon overstijgen. Dit uitte zich in het maken van fysiek theater. Butodansers en theatermakers vonden elkaar hierin terug. Hijikata Tatsumi, de vader van buto, was goed bevriend met verschillende jonge theatermakers. Hij werd door hen gerespecteerd en bewonderd.

De belangrijkste vertegenwoordigers van de Shogekijo in de jaren ’60 waren: Terayama Shuji met de Tenjo Zashiki (De Engelenbak), Suzuki Ta-dashi met de Waseda Shogekijo (het kleine theater van Waseda), Kara Juro met Akatento (de Rode Tent) en Ota Shogo met de Tenkei Gekijo (Het ronddraaiende theater). Volgens de verhalen, was het een dynamische periode. In de jaren ’70 kwam er een nieuwe golf theatermakers die van minder belang was dan de eerste generatie. De gedurfde experimenten verdwenen van het toneel. De Shogekijo heeft nu haar wilde haren verloren. Er hangt een sfeer van vermoeidheid over de oudste generatie.

Ota Shogo zette in november 1988 een punt achter de Tenkei Gekijo. “Twintig jaar is lang ik moet er een tijdje tussenuit, zei Ota op het afscheidsfeest. Als afscheidsstuk werd het bekende stuk Mizu no Eki (Het Waterstation) opgevoerd. Een twee uur durend stuk zonder één gesproken woord. “Op deze manier wil ik verder theater maken, liefst met een internationale groep dansers en acteurs“. Woorden van Ota, later op de afscheidsavond.

Kara Juro lijkt het zich allemaal niet meer aan te trekken. De voorstelling die ik in september verleden jaar zag, was net zo chaotisch als veel van de stukken tegenwoordig van huidige, onervaren theatermakers. Een groot verschil met de sterke voorstelling die ik drie jaar geleden bijwoonde in de beroemde Akatento waarmee Kara rondtrok in de jaren ’60 en ’70. Het was mijn eerste ‘tentervaring’. Een massa volk en iedereen netjes wachtend in lange rijen. Bij het binnentreden van de tent ontving ik een plastic-zak voor m’n schoenen. Enkele leden van de Akatento begeleidden het volproppen van de tent met luide stem : “als iedereen nog een beetje dichter aansluit, kunnen de wachtenden buiten er ook nog bij. Ichi ni san !” De opgepropte massa verplaatste zich vrolijk. Een tentvoorstelling heeft een bijzondere sfeer. De party nadien doet je je pijnlijke rug en slapende voeten vergeten. Kara heeft nu een theater aan de Sumi-rivier in Tokio. De groep is uit elkaar gevallen. Twee ex-acteurs van Kara zijn met een aantal jonge acteurs een nieuwe groep begonnen, de Shinjuku Ryozanpaku. Een enthousiast, sympathiek gezelschap, back-to-the-sixties- achtig. Zo brachten ze in de in de herfst van ’88 weer een tentvoorstelling. Toen iedereen zijn plaatsje had gevonden op de grond, opende zich de fond van het decor : een schemeravond in de herfst. In de verte reed een trein voorbij. Het leek alsof er iemand in die trein stond te zwaaien naar het publiek. Inderdaad, het was Musaka Naomasu, een acteur aan wie Shinjuku Ryozanpaku, de helft van zijn publiek heeft te danken. Een tiental minuten later stond hij op de scène.

Suzuki Company

Suzuki Tadashi is een uitzondering. Hij is de enige van de oudste generatie die succesvol doorgaat. Zijn theater is uniek, daar bestaat geen twijfel over. Hij is een genie in het mixen van tekst, beweging, muziek en belichting tot een coherent, overtuigend en boeiend geheel. Zijn stukken vormen levende schilderijen waarin niets aan het toeval wordt overgelaten. Elke beweging, elk stuk van het decor is een weldoordachte penseelstreek. Het is krachtig theater waarin alle aandacht wordt opgeëist door de acteurs en hun specifieke acteerstijl. Het is paradoxaal theater. Westerse stukken dienen als basis. Suzuki’s standpunt en bewerking is echter zo verschillend van het Westen dat je dit vergeet. The Chekhov, een compilatie van De Drie ZustersDe Kersentuin en Oom Wanja, is de meest verrassende Tsjechov interpretatie die ik in mijn hele leven gezien heb. Het werd dit jaar opgevoerd op de achtste editie van het Toga Internationaal Theaterfestival, sinds 1982 elke zomer georganiseerd door SCOT (Suzuki Company of Toga). De eerste editie had klinkende namen op haar lijst als Robert Wilson, Meredith Monk en Tadeusz Kantor. Japanse deelnemers waren de ondertussen overleden Teryama Shuji en Ota Shogo.

Typisch voor Suzuki is dat hij dezelfde stukken blijft bijschaven en veranderen, rollen door andere acteurs laat spelen. The Chekhov werd verleden jaar voor het eerst opgevoerd. Dit jaar was de opbouw veranderd en waren er drie gastrollen. De actrice Gimpucho van de populaire groep Buriki no Jihatsudan speelde op schitterende wijze één van de drie zussen. De geliefde en beroemde actrice Takaizumi Atsuko van Yukikai Zenjido verving de al even geliefde en nog beroemdere ex-SCOT-actrice Shiraishi Kayoko in de rol van de moeder in De Kersentuin. De grootste verrassing was de butodanseres Ashikawa Yoko, de voornaamste discipel van de overleden Hijikata, als Sonia in Oom Wanja.

Dit jaar waren er opmerkelijk veel dansvoorstellingen op het Toga-festival. De buto-groep van Ashikawa, Hakutobo, de meer avant-garde buto-groep Dairakudan en een voorstelling van Teshigawara Saburo. Het sluit aan bij Suzuki’s visie op het theater nl. dat een acteur spreekt met heel zijn lichaam dat hij voor 100 % onder controle moet houden. Hiervoor ontwikkelde Suzuki een speciale acteurstraining die fysiek zeer hard is. Een maand heb ik mogen meetrainen. Een maand heb ik met pijnlijke voeten en stijve spieren rondgelopen. Het was de ervaring waard. Wie er meer wil over weten, kan het boek lezen : The Way of Acting : The Theatre Writings of Tadashi Suzuki.

Fantasmetheater

De Shogekijo van de jaren ’80 is fantasmetheater. Ik noem het voor mezelf Manga-theater, naar het Japanse stripverhaal of manga. De meeste jonge regisseurs schrijven hun stukken zelf. Enorm complexe verhalen waarin fantasie primeert. Weinigen slagen erin een boeiend coherent geheel te maken. Als toeschouwer loop je vaak verloren in een chaotische boel waar je geen jota van begrijpt.

Eén van de grootste publiekstrekkers is de groep Yume no Yuminsha (vrij vertaald : diegenen die zich amuzeren in een droom) van regisseur, schrijver en hoofdacteur Noda Hideki. Noda laat zich inspireren door alles wat hem interesseert, recente gebeurtenissen, historische feiten, oude mythes. Zijn stukken zijn onderverdeeld in scènes die er tegen een hels tempo doorgejaagd worden. Er gebeurt te veel om het allemaal te zien en te begrijpen. Je krijgt totaal geen tijd om na te denken. Noda’s wereld is een fantasiewereld vol humor. Hij speelt met woorden en beelden. Door de acteerstijl waan je je in een kindertuin. Het fantasmetheater besteedt veel aandacht aan decor en kostumering. Noda’s decors zijn overweldigend. Verleden zomer zag ik De Boodschapper van de Komeet Haley in openlucht. Ik voelde me als Alice in Wonderland. Het ene beeld na het andere rolde zich voor mijn ogen af. Indrukwekkend.

Bepaalde elementen duiken steeds weer op : rook op de scène, grijs-bruinachtige ‘rotsformaties’, een groep verkleed als vagebonden, een lint of een koord dat twee of meerdere personen met elkaar verbindt en allerlei andere rekwisieten die de aandacht afleiden. Ook in moderne dans vind je dit terug. Enerzijds krijg je een circus-effect. Anderzijds geven deze elementen het geheel een kinderlijke, soms schoolse en in het slechtste geval een onvolwassen kleur.

De groep Daisan Erotica van Kawamura Takeshi verzamelt de meeste van deze elementen in elke voorstelling. Het is één van de populairdere groepen onder de jongeren. Kawamura schrijft zijn stukken en regisseert. Uitzonderlijk bracht de groep dit jaar twee stukken uit de reeks moderne No versies van Yukio Mishima. Kawamura becommentarieert het geheel visueel met dia’s van naakte westerse vrouwen en een proloog, de opkomst van een twintigtal jonge acteurs/actrices, rondlopend in een cirkel met Mishima’s boek in de hand, luidop lezend. In het midden hing een figuur, een tweetal meter hoog opgetrokken, als een lijk.

De Shogekijo van de jaren ’80 zoekt naar spectaculaire effecten. In een voorstelling van Nizyuseki Kyuko (de express van de twintigste eeuw) veranderden de personages in groteske insecten. Tijdens één van de scènes was er een moederfiguur die een immens grote, opbollende rok ‘droeg’ die de hele scène overdekte. De actrice stond op een onzichtbaar, hoog plateau, vastgesnoerd aan de rok.

De groep Tao van Suzuki Kenji, ex-SCOT-acteur, bracht in het stuk Hansje en Grietje ’88 merkwaardige griezelfiguren op het toneel. Vooral de personages Hansje en Grietje zijn me bijgebleven. Bleke magere, fel op elkaar lijkende figuren, kind noch volwassene, androgyn noch hermafrodiet. Doodstil zaten ze in een glazen kooi. Af en toe aten ze “glas”, waarbij hun lippen donkerrood kleurden en straaltjes bloed uit hun mondhoeken naar beneden liepen. De voorstelling had niets te maken met het sprookje. Naast me zaten een jonge moeder en vader met hun dochtertje. De titel moet hen ook hebben misleid. Tijdens de gruwelscènes bedekte de vader de ogen van zijn kind.

Europalia

Het fantasmetheater is de allernieuwste ontwikkeling in het Japanse theater. Europalia ’89 had een voorstelling gepland van Noda Hideki. Einde juli verloor Hideki plots het zicht aan één oog. De voorstelling zal niet kunnen doorgaan.

Wat staat er nog op het programma? Er is een Kabukivoorstelling in de Muntschouwburg, Ishikawa Danjuro XII/Tamasaburo Bando in Brussel van 3 tot 8 oktober. Twee No-groepen doen ons land aan. De Umewaka Makio groep op 24 oktober in het CC van Hasselt. De Umewaka Rokuro groep op 3,4 en 5 november in Théâtre Varia te Brussel en op 7 november in het CC te Aalst.

Het Shingeki wordt vertegenwoordigd met Kesho (Make-up), een monoloog van Inoue Hisashi, gebracht door de actrice Watanabe Misako. Het is niet de eerste maal dat Watanabe dit stuk in het buitenland brengt. Het werd en wordt overal met succes onthaald. Ik heb het nog niet gezien en hoop één van de voorstellingen op 17, 18 of 19 oktober in het cultureel centrum Le Botanique te Brussel te kunnen bijwonen.

Wie van groot spektakel houdt, mag zeker niet de voorstelling van Nina-gawa Yukio missen. Gepland op 25, 26 en 28 september in Théâtre National en 29 en 30 september en 1 oktober in de KNS te Antwerpen.

Dan is er ook nog Saburo Teshiga-wara op 12 en 13 oktober in het Stuc en op 16 oktober in het CC te Berchem. Vermelden we nog in Théâtre 140 het optreden van Ariadone met Carlotta Ikeda tussen 30 november en 8 december.

Dit is het wat theater en dans betreft. Het niet uitnodigen van de groep SCOT van Suzuki Tadashi vormt een lacune in het programma. Het vormt de link tussen modern en traditioneel, tussen Oost en West, tussen dans en theater. Hopelijk krijgt u dat later nog eens te zien.

Voor het gehele programma kan u zich wenden tot Europalia.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#27

15.09.1989

14.12.1989

Gretl Van Ourti

artikel