Jeroen Coppens

Leestijd 10 — 13 minuten

Europa: ist das Kunst oder kann das weg?

De Europese identiteitscrisis en de Biënnale van Wiesbaden

De Biënnale van Wiesbaden heeft zichzelf na 24 jaar opnieuw uitgevonden: van traditioneel theaterfestival tot geëngageerd gebeuren dat midden in de stad, het continent en de wereld staat. Vooral met het programma ‘Het asiel van de vermoeide Europeaan’ gaf de Biënnale ons vermoeide en ongeïnspireerde continent een schop onder de kont.

This Is Not Europe. Onder die titel vond van 25 augustus tot 4 september de Biënnale van Wiesbaden plaats, onder leiding van Eric Laufenberg, de nieuwe intendant van het Staatstheater in Wiesbaden, en de (opmerkelijk jonge) curatoren Maria Magdalena Ludewig en Martin Hammer. Hoewel het festival onder het brede Vlaamse en Nederlandse publiek een nobele onbekende is, is het ondertussen al aan zijn twaalfde editie toe.

Tot voor kort profileerde het zich niet anders dan de meeste internationale festivals. Met de slagzin Neue Stücke aus Europa beloofde het festival een tweejaarlijks overzicht van de interessantste theatervoorstellingen van het Europese vasteland. Hoewel die traditie zeker niet onsuccesvol was, wilden de curatoren de editie van 2016 grondig anders aanpakken. Het festival zou niet langer bezocht worden dooreen kleinschalig en gespecialiseerd publiek, maar zou zich engageren in en voor de stad. Ook wilde het voor het eerst nieuwe voorstellingen produceren.

Daarbij positioneert deze editie zichzelf als pars pro toto: ze gaat opnieuw op zoek naar haar eigen identiteit en peilt meteen ook naar de identiteitscrisis waarin Europa zich bevindt. Daarbij worden de grote vragen niet geschuwd. Wie zijn wij als Europeanen? Wat verbindt ons nog? En vooral: hoe kunnen en willen we met elkaar verder?

Met de titel This Is Not Europe maken de curatoren een duidelijke knipoog naar het verleden van het festival en formuleren ze tegelijkertijd de toekomstvisie van een ‘glokaal’, receptief en creatief theaterfestival, geworteld in Wiesbaden en verbonden met de wereld. De titel verwijst natuurlijk ook naar de crisissfeer die Europa al enige tijd beheerst. De samenhorigheid en solidariteit die ooit de grondslag vormden voor het utopische project van de Europese eenmaking (‘nooit meer oorlog’) liggen ondertussen al langere tijd op verschillende vlakken onder vuur.

De eurocrisis verscheurde de unie in enerzijds vermeende failed states, profiterende lidstaten die te lang boven hun stand hadden geleefd, en anderzijds loyale, fiscaal betrouwbare landen. De verdeelde reactie op de toestroom van vluchtelingen aan Europa’s buitengrenzen illustreert tot op vandaag nog het pijnlijke onvermogen om prangende sociale en morele vraagstukken slag-krachtig en solidair het hoofd te bieden. De uitkomst van het recente brexit-referendum lijkt de rijzende twijfels over de gemeenschappelijke Europese toekomst enkel te bevestigen. Redenen genoeg dus om je af te vragen of dit nog het Europa is zoals het ooit bedoeld was.

Ruïne Europa

Voor het nevenprogramma met de suggestieve titel Het asiel van de vermoeide Europeaan (Das Asyl des müden Europäers) nodigden de curatoren verschillende kunstenaars uit om in Wiesbaden nieuw werk te creëren (of bestaand werk aan te passen) dat expliciet aansluit bij de Europese droom en de crisis waarin die zich bevindt.

Het resultaat is een amalgaam van installaties, performances en sociale projecten die tijdens de volledige duur van het festival verspreid waren over het stadscentrum. Elk van die projecten staat voor een kritisch instituut dat de tekortkomingen van het huidige Europa en de mogelijkheden van een toekomstig Europa doorlicht. Zo huisvest Het asiel onder meer een kerk, een museum, een bibliotheek, een hotel, een monument, en zelfs een parlement.

Verschillende van die instituten nemen de teloorgang van Europa als uitgangspunt om de relevantie te bevragen van de normen en waarden die Europa verbonden. In zijn stedelijke installatie Sperr brengt Thomas Hirschhorn het thema van verval expliciet in verbinding met afval. Daarbij neemt hij de Duitse uitdrukking Ist das Kunst oder kann das weg? wel erg letterlijk. Gedurende zijn verblijf verzamelde hij grof huisvuil — in de Duitse volksmond ook wel Sperrmüll genoemd — dat de Wiesbadenaars op straat zetten. Met die afgedankte meubels, toestellen en teddyberen maakte hij een monument ter nagedachtenis van de Duitse toneelschrijver en acteur Martin Sperr, bekend om zijn sociaalkritische stukken in het Beierse accent. De installatie is voorzien van de grote letters ‘WIRKLICHKEIT’. De E en de I worden belichaamd door figuranten uit Wiesbaden, die het monument de klok rond vermenselijken.

Tien dagen lang staat de installatie op de drukke Faulbrunnenplatz, op de grens tussen het afgelikte stadscentrum met zijn boulevards vol dure boetieks en de nieuwere (migranten)wijken. Als een verzameling grofvuil in de openbare ruimte verstoort het werk de alledaagsheid van de stedelijke omgeving. Als deel van Het asiel van de vermoeide Europeaan roept het prangende actuele vragen op over het oude Europa. Europa: ist das Kunst oder kann das weg?

Andere kunstenaars vertonen een gelijkaardige kritische houding maar ensceneren die uitdrukkelijk in de context van herinnering en zelfs rouw. Zo houdt de Nederlander Dries Verhoeven elke avond een begrafenis om afscheid te nemen van invloedrijke Europese ideeën die verouderd blijken. Op de lijst der betreurde doden staan onder meer de welvaartsstaat. Moeder Natuur, de multiculturele samenleving en de privacy. Om afscheid te nemen van die fundamenten van Europa gebruikt hij het aloude ritueel van de katholieke begrafenis. Dat doet hij zo letterlijk mogelijk: de begrafenis vindt plaats in een kerk en wordt voorgegaan door een priester. Er is een lijkwagen en een doodskist, en natuurlijk ook een geïndividualiseerde liturgie die de dode bezingt en betreurt, inclusief wierook, bloemen, kransen en doodsprentjes. Na de begrafenis volgen de lijkstoet en de bijzetting van de kist op het geïmproviseerde kerkhof achter het staatstheater. Bovendien wordt elke avond een groep van directe betrokkenen uitgenodigd, vaak uit Wiesbaden en omgeving. Wanneer op de vijfde dag de privacy wordt begraven, neemt Gina-Lisa Lohfink de elegie voor haar rekening, een Duitse realityster wier intieme leven regelmatig op de straatstenen wordt gegooid. Die dag is de pers opvallend aanwezig en fotografeert Lohfink honderduit. De privacy is dood. Quod erat demonstrandum.

Met zijn misvieringen toont Dries Verhoeven de kracht van de parodie. Het publiek wordt daarbij een ongemakkelijke medespeler in een gekend ritueel met een ongekend doel.Terwijl een begrafenis normaal gezien het verleden herinnert en een afscheidsproces initieert, overstijgen Verhoevens re-enactments die retrospectieve logica. Meer bepaald doen ze twijfels rijzen over onze bereidheid om afscheid te nemen van onze welvaartsstaat of van de multiculturele samenleving.

Poëtisch verzet

De Portugese theatermaker Tiago Rodrigues legt de nadruk dan weer op herinnering, archivering en overlevering. Voor Het asiel van de vermoeide Europeaan ontwikkelde hij een levende bibliotheek die elke dag toegankelijk is. In plaats van materiële boeken vinden we er acteurs die elk een boek vanbuiten leerden. De bezoeker kan naar wens boeken ‘lezen’ door in gesprek te gaan met acteurs, en wordt aangemoedigd om ook zelf woord na woord boekfragmenten te memoriseren. In zijn avondvoorstelling By Heart (2015) zet Rodrigues die dynamiek verder.

Hij haalt tien willekeurige mensen uit het publiek op het podium om samen het dertigste sonnet van Shakespeare vanbuiten te leren. Voor zijn project neemt hij George Steiner als uitgangspunt. Die schreef dat wanneer tien mensen een gedicht memoriseren, geen enkele geheime dienst of overheid dat gedicht nog kan censureren of controleren. De levende bibliotheek wordt zo een poëtische daad van verzet tegen de bewakingsstaat. Het feit dat Wiesbaden ook de thuishaven is van een belangrijk knooppunt van de Amerikaanse NSA, zet Rodrigues’ levende archief extra kracht bij. Maar achter die idee van weerstand verbergt zich impliciet ook een apocalyptische dimensie, alsof Rodrigues ons wil voorbereiden op een groot conflict dat onze identiteit en ons westerse repertoire bedreigt.Ter vergelijking: ook de gevangenen in de concentratiekampen memoriseerden en overleverden belangrijke teksten van de Joodse canon.

De catastrofe-idee beheerst ook Thomas Bellincks Domo de Eŭropa Historio en Ekzilo, het museum over de Europese geschiedenis in ballingschap dat al in 2013 in de KVS getoond werd, en dat feit en fictie naadloos met elkaar verweeft. Met een Back to the Future-logica voert het museum je vanuit een post-Europees tijdperk terug in de tijd, naar de dag van vandaag. De haast danteske dramaturgie voert de toeschouwer eerst door de kelders van het oude gerechtsgebouw van Wiesbaden en vervolgens etage per etage tot in de nok van het gebouw. Daarbij is de tentoonstelling opvallend educatief: ze leert de toeschouwer veel over de geschiedenis van de Europese eenmaking, over de structuur en organisatie van de Europese politiek en over de uiteenlopende conflicten in de recente geschiedenis van Europa.

Tegelijkertijd werkt de tentoonstelling als een bevreemdende sciencefiction. Verwijzingen naar zware bombardementen op Boedapest in 2018, een tweede interbellum en de daaropvolgende pogroms schilderen een gitzwart beeld van het verval van de Europese Unie. In het fictieve museum van de toekomst is het nog gedocumenteerd als geschiedenis; voor ons is het een unheimliche voorspelling van de richting die Europa kan uitgaan.

Het museum bleek in het verleden al griezelig accuraat in sommige van zijn voorspellingen. Zo kon Bellincks voorspelling van de brexit in 2013 toen nog makkelijk als doemdenkerij worden afgedaan, maar dat ligt in Wiesbaden, twee maanden na het brexit-referendum, wel even anders.

De tentoonstelling is niet alleen actueel door de veranderingen die Europa sinds 2013 heeft doorgemaakt, maar ook doordat Bellinck de tentoonstelling steeds verder uitbreidde en aanpaste. Zo vergrootte hij voor Wiesbaden de expositiezaal over Frontex, het agentschap dat de buitengrenzen van Europa bewaakt. Hij vroeg de werkplaats van het — naar Belgische normen rijkelijk gesubsidieerde — staatstheater in Wiesbaden om een diorama van het hoofdkwartier van het agentschap te maken, inclusief een enorm olieverfschilderij als achterdoek.

De toeschouwer krijgt op het doek het zenuwcentrum van het agentschap te zien als een statische kijkkast, een stilleven dat hopeloos naar beweging en actie snakt.

Domo de Eŭropa Historio en Ekzilo legt pijnlijk de tekortkomingen van het huidige Europa en zijn inwoners bloot. De oude Europeaan is moe en melancholisch over wat in het fatalistische scenario van Bellinck verloren dreigt te gaan. In die zin werken de doemscenario’s over de nabije toekomst van de Unie als een stevige waarschuwing. Tegelijkertijd slaagt de ‘retrospectieve’ er ook in om die melancholie op een productieve wijze in te zetten, doordat ze impliciet een pleidooi voert voor meer engagement tegenover het construct Europa, zowel op individueel als op collectief niveau. Die constructieve inzet van melancholie is ook terug te vinden in Dries Verhoevens misvieringen, die niet enkel treuren om het verval van de ruïne Europa, maar ook een reflectie afdwingen over hoe een nieuw Europa (en een nieuwe Europeaan) er kan uitzien.

Wiesbaden Spießbaden?

Dat pleidooi voor een vernieuwd engagement vind je ook terug in de manier waarop het festival zich tegenover zijn omgeving (her)positioneert. Wiesbaden is de hoofdstad van de deelstaat Hessen en huisvest het regionale parlement, de deelstaatregering en haar ministeries. Het is dus een politiek centrum, onlosmakelijk verbonden met machtsstructuren, administratie en bureaucratie. Daarnaast is het ook een rijke stad, historisch gekend om de helende werking van haar warmwaterbronnen en zijn luxueuze kuuroorden. Maar Wiesbaden is ook een kleine stad, met sterke contrasten tussen dure villawijken en armere stadsdelen.

De curatoren kozen er bewust voor om de verschillende onderdelen van Het asiel van de vermoeide Europeaan te verspreiden over de hele stad, zodat een bezoek eraan meteen ook een erg divers beeld van Wiesbaden oplevert. Bovendien bezint het festival zich actief over de roots van zijn eigen stad. Het opvallende gouden programmaboekje en de bijbehorende gouden merchandise zijn een duidelijke referentie aan de glorievolle en rijke kuurstad die Wiesbaden ooit was. Tegelijkertijd vormt dat goud ook een subtiele knipoog naar de bijnaam van de stad: Spießbaden, afkomstig van het smalende woord spießig, wat zoveel betekent als ‘kleinburgerlijk’ en zelfs ‘bekrompen’.

De curatoren willen dat stereotiepe beeld van de kleingeestige stad ook ontkrachten. Zo transformeren ze een deel van het pompeuze, barokke staatstheater tot een laagdrempelige bed and breakfast. De festivalgangers kunnen er een bed in een slaapzaal boeken of voor een kleine meerprijs de intimiteit van een eigen kamer opzoeken. Het asiel van de vermoeide Europeaan is dus ook letterlijk een toevluchtsoord: het theater als asiel om te overnachten. De naam Grand Hotel alludeert wel op de luxueuze kuuroordtraditie van de stad, maar in het hotel zelf is er niets echt grand, met uitzondering van het barokke interieur. De meubels zien er stuk voor stuk Spartaans uit: houten latten tot een bed getimmerd en voorzien van een matras. Maar Spartaans betekent niet oncomfortabel. De meubels werden gebouwd naar de visie en filosofie van Enzo Mari, een Italiaanse kunstenaar die een handleiding schreef om zelf eenvoudige basismeubels te bouwen. Do it yourself als utopische levenswijze.

Het beeld van de rudimentaire meubels in het barokke theaterinterieur barst van de paradoxen. Het is een metabeeld dat oud en nieuw verenigt en dat het esthetische tegenover het functionele plaatst.

Die frictie tussen oud en nieuw is paradigmatisch voor de Biënnale, die zich als festival opnieuw uitvindt, maar ook voor het Europa van vandaag, dat voor dezelfde uitdaging staat. In schril contrast met het Grand Hotel staat de Campus, een kamp met gammele tentjes, opgeslagen op het plein voor het staatstheater. Opnieuw een krachtig metabeeld, maar met een Belgische bril bekeken ook erg controversieel. Op de Campus verblijven studenten van Europese kunstopleidingen die het festival van nabij volgen. De sanitaire voorzieningen zijn net zo basic als het tentenkamp zelf: douches en toiletten in containers naast het staatstheater. De Campus roept meteen associaties op met het geïmproviseerde tentenkamp dat in de zomer van 2015 in het Brusselse Maximiliaanpark ontstond, midden in de politieke hoofdstad van Europa. Dat werd het toonbeeld van bottom-upsolidariteit van burgers en middenveldorganisaties, die hun verantwoordelijkheid namen om nieuwkomers te verwelkomen. Tegelijkertijd blijft dat kamp ook een smadelijk symbool voor de traagheid die in de Belgische politiek heerste om nieuwkomers kwaliteitsvol onderdak te bieden.

Toegegeven, in het Duitsland van Angela Merkels Wir schaffen das heeft zo’n tentenkamp een andere lading. Het land besteedde al sinds het begin van de migratiestromen voldoende middelen om de vluchtelingen in Duitsland degelijk te huisvesten en kent daardoor het beeld van een vluchtelingenkamp in de eigen hoofdstad niet. Desalniettemin blijft het de vraag of de keuze voor de letterlijke integratie van het vluchtelingenkamp een meerwaarde heeft binnen Het asiel van de vermoeide Europeaan, dan wel of het hier gaat om een te zwaarbeladen beeld waarmee te lichtzinnig omgesprongen wordt.

Interessanter is hoe het festival zich met zijn festival-centrum midden in de stad positioneert. Het stadspark Warmer Damm, dat direct achter het staatstheater ligt, vormt namelijk het kloppende hart van het festival. Direct naast het festivalcentrum vinden we de Agora, het rudimentair gebouwde parlement van de vermoeide Europeaan, naar het voorbeeld van de oude Grieken onder blote hemel.Tijdens de festivalweek vinden er vele discussies plaats, waarbij eenieder zijn stem mag laten horen. In het oog springt de sessie rond stadsontwikkeling in Wiesbaden, die de Wiesbadenaars uitnodigt om mee na te denken en ideeën te pitchen over de ontwikkeling van hun stad.

In de ‘glokale’ logica van het festival houdt het parlement zich ook bezig met internationale thema’s. Zo wordt er een bijeenkomst aan de nieuwe grondwet van Ijsland gewijd en vindt er een conferentie over democratie in het laatkapitalisme plaats, waarbij burgerparticipatie het overkoepelende thema vormt.

Dramaturgische spagaat

Met de editie van 2016 zet de Biënnale van Wiesbaden een interessant veranderingsproces in, waarbij vorm en inhoud naadloos bij elkaar aansluiten. Het asiel van de vermoeide Europeaan toont dat de toekomst van het festival geëngageerd, participatief en zelfkritisch zal zijn, zowel op lokaal als bovenlokaal vlak. En dat zijn nu net ook de waarden die het door crisis geplaagde Europa van vandaag dringend nodig heeft. Met de interventies in de openbare ruimte slagen de curatoren er bovendien in om de stad actief te betrekken bij het festival en ontkrachten ze zo in zekere mate het stoffige imago van Wiesbaden als bastion van bourgeoisie en bekrompenheid. De dramaturgische spagaat die het festival maakt, met een eerder traditioneel hoofdprogramma (met voorstellingen van onder meer Romeo Castellucci, Jérôme Bel, Rabih Mroué en Gob Squad) enerzijds en het krachtig gecureerde Asiel van de vermoeide Europeaan anderzijds illustreert hoe elke verandering wrijving tussen oude tradities en nieuwe engagementen creëert. Maar het toont ook hoe op een productieve manier met het verleden omgegaan kan worden, zonder stil te blijven staan.

Het asiel van de vermoeide Europeaan is daarbij een pars pro toto voor het Europa van vandaag en hoe het zou kunnen zijn. Het kleinschalige experiment registreert, door de huidige Europese impasse te overdenken, en motiveert in zijn bescheiden poging om bij te dragen aan het Europa van morgen. Daarbij is het verfrissend dat de curatoren niet blijven steken in het fatalisme en de melancholie die wel vaker over de toekomst van Europa heersen. Ze proberen dat waartoe Europa op dit moment nog niet in staat is: gestalte geven aan nieuwe dromen en utopieën.

Daarnaast sluit de Biënnale van Wiesbaden zich aan bij een tendens die ook bij andere, meestal kleinere internationale theaterfestivals te vinden is: de idee om het lokale en het internationale productief met elkaar te verbinden, om de actualiteit en geschiedenis kritisch te overdenken en om actief nieuwe creaties te ondersteunen. Zo is de Biënnale ook een pars pro toto in het veranderende landschap van de internationale theaterfestivals, en kan ze gelden als inspirerend voorbeeld van hoe een gevestigd festival zichzelf opnieuw durft uit te vinden.

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

#147

15.12.2016

14.03.2017

Jeroen Coppens

Jeroen Coppens is doctor-assistent aan de vakgroep Kunst-, Muziek- en Theaterwetenschappen van de Universiteit Gent. Hij doceert er Dramaturgie en doet onderzoek naar visualiteit in theater. Daarnaast is hij ook actief als dramaturg.