Quelle aurore – Soa Ratsifandrihana & Bonnie Banane
De doomscroll on a roll
Tessa Vannieuwenhuyze
© Yuri van der Hoeven
Kan je ontsnappen aan je medemens? In Er gaat iemand komen, de eerste voorstelling van het pas opgerichte collectief Roeshoofd, doen een man en een vrouw een verwoede poging. De sobere tekst van Jon Fosse en de strakke regie van Simon De Vos vormen samen een trage, grimmige, maar ook afstandelijke verkenning van angstgevoelens, waarin het zwijgen betekenisvoller is dan de woorden.
Te midden van een mistbank op de scène staan een vrouw en een man, hand in hand. Het is donker. Alleen van opzij komt koud, wit licht. Naast hen ligt een metalen frame, met daarin een hoopje aarde. Op hun bedrukte gezichten verschijnt af en toe een glimlach. Ze zijn stil. Ze houden elkaar vast.
In die stilte, die alleen wordt opgevuld door druppels die elke paar seconden uit de nok van het theater op de vloer vallen, begint Er gaat iemand komen. De vrouw (Annelore Crollet) en de man (Lukas Bulteel) hebben een oud, verwaarloosd huis nabij een fjord gekocht, zeezicht incluis. De belangrijkste troef van dit pand is dat het zich ‘ver van andere huizen en van andere mensen’ bevindt. Dat is waar dit koppel van droomt: ‘jij en ik alleen’, ‘samen alleen’, ‘in ons huis’… Als een mantra herhalen ze die geruststellende gedachten in hun conversatie. Maar juist in die herhaling schuilt natuurlijk angst en onzekerheid: de realiteit blijkt zo overweldigend voor hen dat ze zich aan de taal vastklampen om toch een gevoel van grip te behouden. Daarmee ontkomen ze echter nog niet aan de grilligheid van de wereld. Is hun verlangen überhaupt realistisch? Ook al doen ze nog zo hun best om zich af te zonderen, er moet toch ooit een medemens in hun nabijheid opduiken?
Er gaat iemand komen is de eersteling van het nieuw opgerichte theatergezelschap Roeshoofd, dat bestaat uit regisseur Simon De Vos (die bij hetpaleis een aantal overtuigende jongerenbewerkingen van klassieke toneelteksten maakte) en speler Lukas Bulteel. Voor het debuut van hun collectief viel hun oog op de allereerste toneeltekst van de Noorse auteur Jon Fosse, die vorig jaar nog de Nobelprijs voor de Literatuur won.
Er gaat iemand komen is als het ware zijn antwoord op Samuel Becketts Wachten op Godot. Alleen blijft het bij Fosse niet bij wachten: in zijn origineel komt er een man opdagen, in deze opvoering is het een vrouw (Lotte Heijtenis). Als een zombie doemt ze op uit de aardehoop op scène. Ze begint (nogal eenzijdig) te keuvelen met de vrouw, die verstijft van angst. Zij is het, verklaart ze, die de woning aan hen verkocht heeft. Ze woont in de buurt. Nu ja, ze is eigenlijk de enige omwonende. Misschien kan ze straks nog eens langskomen? Misschien kunnen ze die avond samen iets gaan drinken? Misschien bellen ze nog om later eens af te spreken? Heijtenis speelt haar rol sympathiek, zachtaardig en toch opdringerig, lief en ook weer invasief. Wanneer ze (voor even maar) weer verdwenen is, worden de barsten in de relatie van het koppel zichtbaar. Wantrouwen, angst en paranoia stellen hun onderlinge verhouding, en daarmee ook hun veiligheidsgevoel, op de proef.
“De tekst is als een donker bos waarin je in cirkels lijkt te lopen, omdat je elke boom herkent als een boom die je eerder al had gezien. En toch leg je afstand af. Ondanks de vele herhalingen-met-variaties blijf je geboeid luisteren, vooral ook omdat je je afvraagt wat er niet gezegd wordt.”
Zoals zo vaak bij Fosse is de schriftuur uitgepuurd. Met weinig personages, die weinig doen en weinig zeggen, creëert hij zijn grimmig, nihilistisch aandoend universum vol existentiële twijfels. De meeste replieken zijn van een bijna kinderlijke eenvoud en herformuleren louter eerder gedane uitspraken. De tekst voelt zo aan als een donker bos waarin je in cirkels lijkt te lopen, omdat je elke boom herkent als een boom die je eerder al had gezien. En toch leg je afstand af. Elke keer wijzigt er namelijk iets miniems in de dialogen en elke kleine verandering in formulering roept nieuwe betekenissen op. Dat zorgt ervoor dat je ondanks de vele herhalingen-met-variaties geboeid blijft luisteren, vooral ook omdat je je afvraagt wat er niet gezegd wordt. Waarom is het echtpaar zo mensenschuw? Hoe komt het dat zij zo nerveus is? En wat is er ooit tussen hen gebeurd dat hij zo gekrenkt reageert wanneer zij contact legt met de buurvrouw? Dankzij de nauwgezette acteursregie van De Vos zit de echte diepgang in Er gaat iemand komen tussen de lijnen. Over elk woord en elke handeling is grondig nagedacht.
Die doordachtheid uit zich ook in de kostuums. De man en de vrouw lijken een gezamenlijke dresscode te hebben ontwikkeld. Allebei zijn ze in neutrale beige en vaalwitte tinten gehuld en wat vooral opvalt: hun kostuums tellen minstens vier (zichtbare) lagen – vijf als je hun grote zonnebril meerekent. Dat zegt natuurlijk iets over hun verlangen. Ze zijn ingedekt, weggestopt, of beter nog: gepantserd tegen de buitenwereld. Hun buurvrouw is daarentegen louter uitgerust met rubberen laarzen en een gummi-jas, waaronder alleen haar naaktheid schuilgaat. Die krijg je te zien in haar tweede (en meteen ook al laatste) scène, wanneer ze haar jas opengeritst heeft. Een slimme keuze van kostuum- en decorontwerper Chloé Wasselin-Dandre, waardoor de buurvrouw niet alleen met haar aanwezigheid, maar ook met haar verschijning het opgebouwde pantser van het koppel verbrijzelt. Haar naaktheid is letterlijk en figuurlijk ontwapenend. Hoezeer het stel van haar ook de vijand maakt, ze heeft eigenlijk niets te verbergen. Geen verborgen agenda, geen kwade bedoelingen, hooguit wat sociaal onaangepast gedrag.
Af en toe rijst een metalig gedreun op uit de stilte. Het is de muziek van Dago Sondervan, die in een hoekje achteraan op de scène zit en de voorstelling van een grillige en onheilspellende soundtrack voorziet via ‘live coding’ (het schrijven en herschrijven van computercodes die in klanken worden omgezet). Zijn korte interventies – aanvankelijk slechts enkele seconden per keer – vormen geen typische underscore, waarbij de muziek en de scène zo met elkaar vervlochten zijn dat je op den duur vergeet dat er überhaupt muziek is. Nee, de klanken van Sondervan vestigen heel nadrukkelijk de aandacht op zichzelf, juist omdat ze lange stiltes doorbreken. Vaak komen ze echter op ‘onhandige’ momenten, zoals wanneer een speler net een zin wil beginnen (en vervolgens wacht tot het geluid is weggeëbd om verder te gaan), of laten ze te lang op zich wachten, waardoor de spelers aarzelen om verder te gaan. Is het echt onhandigheid, het resultaat van een te korte repetitieperiode? Of is de onvoorspelbaarheid een intrinsiek kenmerk van de ‘live coding’? Een lekker tempo krijgt de voorstelling er hoe dan ook niet van, maar misschien is dat net betekenisvol. De grote vijand – die verdomd aardige buurvrouw! – kan ieder moment weer opduiken, en net zo komt Sondervan met zijn muziek te pas en te onpas aankloppen.
“Antwoorden krijg je niet, vragen des te meer. Er gaat iemand komen beklijft dan ook eerder door de sfeer – de ‘poëzie’, zeg maar – dan door de inhoud.”
Als je de zaal verlaat, weet je eigenlijk niet goed wat je net gezien hebt, laat staan wat je ermee moet. Je zou dit een verhaal over te ver doorgeschoten individualisme kunnen noemen, een illustratie van het onvermogen van de (post)moderne mens om nog werkelijk samen te leven. Misschien zegt het iets over hoe de grens tussen de private en publieke ruimte onder spanning is komen te staan. Is de voorstelling een parodie op de cultuur van angst voor al wat vreemd is, die door reactionaire discoursen wordt aangewakkerd? Of is het een psychologische analyse van hoe je denkt aan de bron van je angsten te kunnen ontsnappen, terwijl je nooit aan de angst zelf ontkomt?
Antwoorden krijg je niet, vragen des te meer. Er gaat iemand komen beklijft dan ook eerder door de sfeer – de ‘poëzie’, zeg maar – dan door de inhoud. De angst van het koppel lijkt buitensporig, en heeft daardoor bij tijd en wijle ook iets kolderieks, maar Annelore Crollet en Lukas Bulteel slagen er met hun voortreffelijke spel desondanks in om hun paranoia waarachtig te maken. Vanop een veilige afstand kijk je naar die angst, in plaats van die zelf te ervaren, zoals pakweg horrorfilms dat met spannings- en schrikeffecten wél bewerkstelligen. Wanneer het zaallicht weer aangaat, word je dan ook eerder wakker uit een vage droom dan uit een nachtmerrie. Met een ietwat verweesd hoofd – een roeshoofd? – keer je langs vele anonieme anderen terug naar huis.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.