‘Guidizio, Possibilità, Essere’ © Salvatore Insana

Thomas Crombez

Leestijd 4 — 7 minuten

Empedokles bij de Amish

Castellucci ensceneert Hölderlin

Volgens Thomas Crombez is het geen toeval dat de veertien jonge vrouwen in Castellucci’s versie van Hölderlins Empedokles allemaal blauwe jurken en schorten dragen.

Wie is het hoofdpersonage van Friedrich Hölderlins treurspel De dood van Empedokles? Een nogal naïeve vraag, lijkt het. De Griekse filosoof zelf, natuurlijk. Maar de enscenering door Romeo Castellucci die in maart in de gymzaal van het Sint-Jan Berchmanscollege te zien was, geeft een heel ander antwoord.  Eerst al door de titel. Giudizio, Possibilità, Essere ver­ wijst niet naar de drie (allemaal onafgewerkt gebleven) versies van het toneelstuk maar naar een eerder obscure jeugdtekst  van de dichter. Op amper twee handgeschreven bladzijden probeert de jonge Hölderlin een heikele filosofische kwestie te tackelen: hoe verhoudt het bewustzijn (giudizio, oordeel) zich tot het absolute zijn (essere)? Met klem zet hij zich af tegen zijn grote voorbeeld en leraar uit de universiteitsstad Jena, Johann Gottlieb Fichte. Bewustzijn mag niet met zijn worden verward. Het bewuste oordelen impliceert  namelijk altijd een deling (Ur-Theilung) tussen het oordelende subject en het beoordeelde object. En net zulke scheidingen worden door het absolute zijn overschaduwd en opgeheven.1 Enige bescheidenheid van het menselijk bewustzijn is dus aan de orde, wanneer het via reflectie de confrontatie met het absolute zijn zou willen aangaan.

Hoe vallen deze theoretische reflecties te rij­ men met wat bij Castellucci op scene (ofliever, in de turnzaal) te zien is? Op het eerste gezicht slaat het als een tang op een varken. Erg af­ standelijk vertellen veertien jonge, uniform geklede vrouwen het verhaal van de Griekse filosoof die zich een god-mens waant, door de mensen verstoten wordt en de onsterfelijkheid zoekt door in de verzengende vuurput van de Etna te springen. Hun vervreemde, brechti­aans acteren slaat nu en dan om in regelrechte farce. Zoals wanneer het meisje Panthea haar genezing door Empedokles naspeelt en op het moment suprême door de luisterende mede­speelster een bus slagroom krijgt aangereikt. Pas nadat ze zichzelf (kalm en beheerst) heeft laten ‘schuimbekken’ begint ze ook de convul­sies en krampen van haar ziekte na te bootsen.

Dat soort omkeringen hanteert Castellucci wel vaker. Bedoeling is om de theatraliteit waarmee een aangrijpend tafereel wordt opge­ voerd dik in de verf te zetten. Zoals bij de uit­beelding van het politiegeweld in de Brusselse episode van Tragedia Endogonidia (2002). Een politieagent komt op, giet nepbloed uit over de witte marmeren vloer, een andere agent kleedt zich uit en gaat  in de rode vloeistof  neerlig­gen. Pas daarna wordt het ontklede slachtoffer met wapenstokken afgeranseld, waarbij het elektronisch versterkte geluid van de slagen altijd net een fractie van een seconde te laat uit de geluidsinstallatie knalt. Paradoxaal genoeg wordt de dramatische intensiteit door zulke vervreemdingseffecten opgeschroefd.  Dat  is ook in Giudizio, Possibilità, Essere aan de hand.

Vervreemdingseffecten leiden zelden tot het gedistantieerde overpeinzen  dat Bertolt Brecht zo dierbaar was (denk aan zijn ideale, sigaren rokende toeschouwer) maar slaat om de haverklap om in slapstick of in absolut horror. In de eerste scène komen de vrouwen afzonderlijk naar voren en snijden met een grate schaar het topje van hun tong af. Bij elke knip komt een lawaaierige ruis opzetten, die naar het einde van de scene oorverdovend luid wordt. Op het einde vormen de stemloos ge­ maakte vrouwen allemaal een kring.

Ongewoon en fysiek aangrijpend pathos wordt door Castellucci afgewisseld met (zeker in de ontheatrale turnzaal) aandoenlijk komische scenes. Dat lijkt nog steeds weinig uitstaans te hebben met de wijsgerige jeugd­ tekst van Höderlin waarnaar de voorstelling werd vernoemd. Maar even min schijnt de hele stijl van de enscenering goed aan te sluiten bij de hoogdravende treurspeltekst die de dames in de mond nemen. Gaande van hun houterige, aan schooltoneel herinnerende speeltrant (soms afgewisseld met vooraf ingesproken replieken die uit een toestelletje onder hun kledij weer­klinken) tot aan de rekwisieten, die ze zelf met goudverf moeten bespuiten om ze te ‘vergriek­sen’ – elk vormelijk detail is als een weerhaak die de sublieme aspiraties van Hölderlins poezie tegen de haren instrijkt.

In het bijzonder geldt die observatie voor de kostuums. De beide Vlaamse critici die de voorstelling bespraken hebben hier wel dege­lijk aandacht aan besteed. Pieter T’Jonck heeft het over ‘schamele meisjes in een achttiende­ eeuws gesticht’ en Wouter Hillaert laat ze opkomen ‘in vale rokken en op klompen, als in een meisjesinternaat’.2  Is het echter toeval dat de vrouwen allemaal blauwe jurken en schorten dragen? Daarmee doen ze juist sterk denken aan jonge Amish-vrouwen. Ze stralen minstens de keuze voor een agrarisch, eenvoudig en communaal leven uit, dat weinig opzichtige en heldhaftige ambities tolereert- laat staan zichzelf uitroepen tot god-mens!

Hierin schuilt de kern van Castellucci’s ensce­nering. De anonieme sterkte van de uniform geklede groep vrouwen is de perfecte antithese van Empedokles’ mateloze, mannelijke en opperindividuele heroïek. De intimiteit tus­sen god en mens uit de originele tekst (Empe­dokles’ nabijheid tot de goden) wordt bij Castel­lucci helemaal weggeschrobd en vervangen door de intimiteit tussen de vrouwen onder­ling. Hun kledij, in het bijzonder de schorten, herinnert aan een gemeenschap van Amish­ vrouwen of kloosterzusters of schoolmeisjes of verpleegsters. Die indruk wordt versterkt door hun handelingen die opnieuw het com­munale benadrukken: samen opkomen in de eerste scène; elkaars handen vasthouden in een kring; elkaar laten ‘geboren warden’ in de slotscene. Dat verklaart, finaal, ook de titel van de productie. Hölderlin zelf zou zijn leven lang gefascineerd blijven door de intimiteit tussen de tragische held en de goden, de zogenaamde ‘begeestering’,die hij niet toevallig ook als het privilege van de dichters zag. Maar hij was zich ook pijnlijk bewust van de manier waarop mens, held of dichter zich aan die begeestering kon verbranden. ‘Men kan ook in de hoogte vallen, net als in de diepte.’3 Castellucci’s vrou­wengroep wil voor die fatale begeestering – de idolatrie van het heroïsche subject- het tegen­gif zijn, een theatrale vertolking van het ‘ab­solute zijn’ dat subject en object, held en god, klucht en horror in een beeld vervlecht.

www.raffaellosanzio.org

Dank aan Marnik Baert, Lisa Fayt en Cecile De Mul (Kon. Academie voor Schone Kunsten Antwerpen, afdeling Theaterkostuumontwerp) voor hun advies bij het tot stand komen van deze tekst.

1 Friedrich Hölderlin, ‘Seyn,Urtheil, …; Theoretische Schriften, red. J. Kreuzer, Hamburg: Meiner, 1998, pp. 7-8.

2 Pieter T’Jonck, ‘Duizelingwekkend zwart gat’, De Morgen, 7 maart 2014; Wouter Hillaert, ‘Tragedie tussen de sportrekken’, De Standaard, 4 maart 2014.

3 Friedrich Hölderlin, ‘Aphorismen’, Theoretische Schriften, red. J. Kreuzer, Hamburg: Meiner, 1998, p.17-20.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#137

15.06.2014

14.09.2014

Thomas Crombez

Thomas Crombez (1978) promoveerde in 2006 op een proefschrift getiteld Het antitheater van Antonin Artaud. Hij is als onderzoeker verbonden aan de Universiteit Antwerpen, waar hij lessen verzorgt in toneelgeschiedenis en kunsttheorie.

recensie