‘La Carta’ – Tg Stan / Bernaded Dexters

Katrien Darras

Leestijd 9 — 12 minuten

‘Eigenlijk maken we volkstoneel’

Het traject van Stan

Tg Stan wil een platform voor jonge kunstenaars uitbouwen. ‘Dat is alleen maar een stap verder in ons traject dat gaat van geslotenheid naar openheid.’ Katrien Darras sprak met Sara De Roo en Damiaan De Schrijver.

In 1989 brachten Jolente De Keersmaeker, Damiaan De Schrijver, Frank Vercruyssen en Waas Gramser van de afdeling toneel aan het Antwerpse conservatorium twee werkvoorstellingen die op algemeen gejuich werden onthaald. Hoewel het viertal niet meteen een gezelschap wou oprichten, werd de productie vrijwel onmiddellijk gekocht door verschillende centra. De groep noemde zichzelf stan, als letterwoord voor Stop Thinking About Names. Tien jaar later blijkt dat letterwoord nog steeds impliciet een boodschap over hun denken mee te geven: ‘Brecht heeft het slopen van de vierde wand niet uitgevonden, dat deden de Grieken al. En wij worden altijd gezien als diegenen die de vierde wand slopen, maar zelfs Het Zuidelijk Toneel doet het,’ aldus Damiaan De Schrijver in dit interview. Stan beroept zich dan ook op niet meer dan enkele stelregels en een stevig onderling overleg om een traject uit te tekenen waar slechts één lijn in terug te vinden is: die van geslotenheid naar openheid.

Etcetera: Jullie begonnen elf jaar geleden te spelen vlak na de generatie van Jan Decorte, Jan Lauwers, Jan Fabre. Zagen jullie als pas afgestudeerde acteurs nog nieuwe mogelijkheden om met het theater om te gaan na die hoogconjunctuur?

Damiaan De Schrijver: Bij het begin van een carrière sta je echt niet stil. Dat is een samenkomst van toevalligheden. Ie komt uit een school die samengesteld is uit toevallige componenten: je wordt bijeengesmeten in een groep die je niet zelf gekozen hebt. Je wordt geconfronteerd met een aantal docenten die je niet kent en die je ook al niet gekozen hebt. Bij ons stond mevrouw Dora Van der Groen aan het hoofd, bijgestaan door Johan Van Assche, Ivo Van Hove, Lucas Vandervost, Warre Borgmans en Peter Gorissen, die toen net nieuw was. Wij hebben ook het geluk gehad om een heel logische aaneensluiting van docenten te krijgen. We kregen tegelijkertijd les van Peter Gorissen, die ons er absoluut van weerhield te spelen, en van Dora Van der Groen die ons absoluut opdroeg om te spelen en om de grote emoties te gaan zoeken en te theatraliseren zonder ze te voelen. En dan was er nog Luc Perceval, die net tussen Dora en Peter inzat: hij stond voor een iets menselijker, een iets realistischer speelstijl.

Het laatste jaar moesten we overdoen omdat Dora vond dat de opleiding vier jaar moest duren in plaats van drie. En toen kregen we wat we eigenlijk nodig hadden om verder te gaan: we mochten zelf docenten aanstellen. We kozen voor Josse De Pauw en Matthias de Koning. We hebben twee voorstellingen samen gemaakt en toen is onze auto beginnen bollen. We hadden natuurlijk veel meegenomen uit onze opleiding, maar van Josse en Matthias kregen we een nieuwe manier van kijken. Wat ik allemaal meekreeg in die basisopleiding was nog onderhuids aanwezig, maar de docenten in het laatste jaar waren voor mij zo inspirerend dat we vanzelf begonnen te experimenteren. En dat is wat je nodig hebt in het begin: je moet een duw krijgen die je het gevoel geeft dat je iets kunt, en dan vergeet je alles wat op het theater al voor jou gedaan is. Wat Matthias ons toen heeft bijgebracht, en dat in combinatie met Peter Gorissen, dat was ideaal om mee te beginnen experimenteren. Los van wat er al was in het theater.

Etcetera: Gezien je tijdens je opleiding voor Matthias de Koning koos, was toch tenminste één component in die opleiding geen toeval.

De Schrijver: Wat heel lang achterwege is gebleven in onze opleiding, was de analyse, de dramaturgie van het toneelspelen. Waar gaat het over en wat kom je vertellen? Want ze kunnen wel zeggen: ‘Je moet alles in blokken verdelen, je moet je woorden kleuren, je moet voelen’. En ruw geschetst ging het daar ook drie jaar over. En dan komt er ineens iemand die zegt: ‘Wat wil je nu eigenlijk vertellen? Wat wil je zeggen? Wat is je mededeling? Hoe ga je dat organiseren, hoe ga je dat analyseren, waarom, en in welke context? En hoe sta je daar zelf tegenover? En dat was iets wat ik nog nooit had gehoord. En precies dat deed me denken: ik ben een nieuwe mens en ik heb iets anders te vertellen dan Jan Lauwers, Jan Decorte, Jan Decleir, Jan Joris Lamers, alle Jannen. Ik ben Damiaan, Dami-Jan, een andere Jan, en ik zal het nu toch nog eens op een andere manier komen vertellen.

Sara De Roo: Je wilt ook geen epigoon zijn hé. Wij krijgen al tien jaar het etiket opgeplakt dat we epigonen zouden zijn van Matthias de Koning of van Discordia. Maar wij zijn onszelf. Wij hebben wel hun invloed ondergaan – en ik wil gerust die bronnen vermelden -, maar het materiaal dat je van een voorganger hebt gekregen bekijk je met je eigen ogen. Je kan nooit hetzelfde doen als iemand anders omdat je niet dezelfde persoon bent.

Etcetera: Een andere toevalsfactor is volgens jullie het feit dat drie van jullie samen in de klas zaten. Maar jullie bleven later ook wel voor elkaar kiezen. Was dat met een welomlijnd idee van welk soort theater jullie wilden maken?

De Schrijver: Ook dat gaat toevallig. Je speelt samen, het klikt, je blijft bij elkaar en je blijft elkaar uitdagen, tien jaar lang. We werkten met Matthias en Stan is blijven werken met Matthias.

De Roo: Het heeft inderdaad veel meer te maken met ‘het klikt’ dan met een welomlijnd idee van wat je wil gaan doen. ‘Het klikt’ heeft voor mij ook veel meer te maken met ‘hoe wil ik mijn dagen doorbrengen?’ In die zin is Discordia tot op zekere hoogte een groot voorbeeld voor mij geweest. Toen ik voor het eerst in hun ruimte kwam, was dat nogal openbarend. Die mensen leefden op die plaats, werkten daar, praatten daar, aten daar.

Etcetera: Bij jonge collectieven zie je vaak dat de kwaliteit van de voorstellingen na een tijd begint te lijden onder het gebrek aan regie. Jullie beweren dat de collectieve manier van werken nog even goed werkt na tien jaar.

De Roo: We hebben heel lang tegen elkaar gezegd dat we samen speelden en samen waren bij gratie van het feit dat we elk ogenblik konden zeggen: we stoppen ermee. Elke keer vroegen we ons af of we nog een voorstelling gingen maken, of net niet meer. Nu is dat wel anders. We vragen ons dat nog wel af, maar nu is het meer een attitude geworden, terwijl het in het begin een realistisch gegeven was. Je stelt nog steeds je engagement in vraag, maar je voelt ook veel meer aan wat dat engagement inhoudt. Nu heb ik het gevoel dat ik dit, de samenwerking met die groep mensen, maar één keer ga doen. Ik zou nooit met Stan stoppen om met andere mensen opnieuw te beginnen. En daarom haal je nu het onderste uit de kan, terwijl alles in het begin veel vrijblijvender was.

De Schrijver: Het lijkt alsof het vanzelf gaat, omdat je alles nu op een afstand kunt bekijken en relativeren, maar ik kan je zeggen dat het nog iedere dag crisis en conflict is. En je denkt dat je elkaar kent, dat je weet wie de ander is. Maar je merkt elke dag dat je het eigenlijk niet weet.

De Roo: Voor mij zijn de conflicten ook nodig. Ik zou het niet anders willen. Op mensen met wie ik niet kan discussiëren ben ik snel uitgekeken. Eigenlijk is het project van Stan de som van alle individuele trajecten. En in het beste geval is dat meer dan de som. Je hoopt dat het meer is dan zomaar Jolente, Frank, Damiaan en ik. En een deel van het traject is ook dat je individuele koersen door elkaar beïnvloed worden. Als Damiaan een voorstelling maakt met Matthias de Koning en ik ben daar zijdelings bij betrokken omdat ik touwen knoop in het grid, dan vind ik dat een ongelooflijk cadeau om daarbij te kunnen zijn en te zien hoe die mensen die voorstelling maken. En ik ben heel blij dat dat onderdeel is van Stan. Maar het is ook niet zo dat iedereen zijn eigen goesting doet. Je beïnvloedt elkaar, je trekt elkaar mee naar een bepaalde richting tot iemand zegt: hé ho, ik wil terug naar mijn eigen lijn. Maar ondertussen heeft hij wel iets nieuws meegemaakt. Wij zijn eigenlijk een kluwen waar iedereen zich op zijn beurt aan onttrekt.

Etcetera: Wordt over de ideeën, de zijsprongen van anderen gediscussieerd of ze mogelijk zijn?

De Schrijver: Het is in elk geval niet vrijblijvend. Het heeft alles met kwaliteit te maken. Voor ons heeft het te maken met de kwaliteit van wat je maakt, maar ook met de kwaliteit van je leven. Wij zoeken allemaal naar een optimale combinatie tussen die twee. Alleen doet ieder het op zijn manier. Iedereen heeft zijn eigen leven, andere eetgewoontes, een andere levensstijl. Wij kunnen gewoon niet samen eten. Want de ene wil vroeg naar huis, en de ander wil laat opstaan. En toch maken we samen dingen. En dat is een mooie metafoor van wat Stan is: we zoeken de best mogelijke oplossingen om iedereen de kwaliteit van zijn leven én van zijn werk te laten behouden.

De Roo: In het begin waren wij wel meer gesloten omdat we ons eigen traject aan het uitstippelen waren. En dat heeft ook veel te maken met het feit dat we nog vasthingen aan het conservatorium. Ie doet mee aan dingen waarvan je achteraf zegt: ‘Ik wil dit eigenlijk niet.’ Maar stilaan weet je welke weg je zelf wil opgaan.

Etcetera: Wanneer jullie het traject bekijken dat je in tien jaar hebt afgelegd, kan je dan zeggen dat theorie of dramaturgie in de wetenschappelijke zin belangrijk is geweest bij het uitbouwen ervan?

De Roo: De wetenschappelijk bagage heb je al, je krijgt er alleen meer inzicht in. Je hebt meer referentiepunten en dat inzicht helpt je misschien wel. Je past het misschien bewuster toe. Al ben ik daar niet eens zo zeker van. Ik denk dat andere kunstvormen meer een invloed hebben op wat wij doen dan de theorie zelf. Een concert zien en denken: Als je zo op de scène zou kunnen staan.’ Of een video-installatie zien van Bruce Nauman en denken: ‘Ja, dat is het gewoon.’

De Schrijver: Ik denk ook dat Beuys mij veel meer geïnspireerd heeft dan Brecht.

De Roo: Maar het is wel onontbeerlijk te begrijpen waar je mee bezig bent. Je moet erover nadenken en reflecteren: ‘Wat hebben we nu eigenlijk gemaakt en wat betekent dat voor ons? Wat betekent dat voor de mensen? In hoeverre is dat wat wij willen vertellen tot bij de mensen geraakt?’ Dat is heel belangrijk, zeker als je voorstelling na voorstelling samen maakt. Ik wil het belang van een discours niet onderschatten, maar dat is niet mijn vertrekpunt.

De Schrijver: Je gebruikt wel een aantal stelregels. Ten eerste probeer je jezelf niet te verloochenen. Ten tweede probeer je de realiteit niet te verliezen. Ten derde probeer je de realiteit niet alleen maar te kopiëren. Je probeert ook te universaliseren en te abstraheren, maar met de voeten op de grond zodat het herkenbaar blijft. Ik wil geen hermetische, onherkenbare voorstellingen maken. Dat is één van mijn stokpaarden, en dat is waar Stan voor staat: eigenlijk maken we volkstoneel.

Etcetera: Hoe belangrijk is de toeschouwer voor jullie? Willen jullie iedereen bereiken?

De Roo: Ik wil voor iedereen voorstellingen maken. Maar zelfs al spelen wij ergens in een minuscuul cultureel centrum in de buitenwijk, dan nog merk je dat daar de dokter zit, en de tandarts, en de schoolmeester. Bij wijze van spreken dan. Ik zou niets liever willen dan dat iedereen komt kijken. Maar ik heb niet de behoefte om stad en land af te dweilen en om de twintig kilometer onze tent op te zetten en ons ding te doen. Iedereen heeft een auto. Eigenlijk vind ik dat we alleen maar enkele grotere steden in het land moeten aandoen. Ie kunt naast mensen hun deur komen spelen en dan komen ze nog niet kijken.

Je kunt je natuurlijk de vraag stellen in hoeverre het ligt aan wat wij maken. Misschien hebben de mensen er een verkeerd idee over, of een vooroordeel. Misschien is het wel hermetisch wat wij maken. Misschien is het wel enkel bestemd voor mensen die al veel theater gezien hebben. Maar je kan maar maken wat je maakt. Ik vind het in elk geval een dilemma. Je wilt natuurlijk niet aan verkleutering doen. Je wil je verhaal vertellen, zo simpel maar ook zo ingewikkeld als je het doet. En er zijn mensen die dat verhaal niet willen horen. Dat vind ik niet zo erg. Mensen mogen andere verhalen liever horen. Ik wil niet meteen bekeken en goedgekeurd worden. Dat is niet mijn ambitie.

De Schrijver: Ik wil ook niet populistisch doen. Je maakt wat je maakt. Maar ik denk dat wij de jongste jaren heel toegankelijk toneel maken. Ik kan mij erin vergissen, maar ik denk niet dat je gestudeerd moet hebben om het theater van Stan te begrijpen.

De Roo: Iedereen binnen Stan vindt dat we voor zoveel mogelijk mensen moeten spelen. Maar er zijn verschillende meningen over de praktische uitvoering ervan. Als ik het extreem zou stellen hebben Damiaan en Jolente meer zin om in parochiezalen te gaan spelen dan Frank en ik. Maar volgens mij willen we in essentie wel hetzelfde.

De Schrijver: Soms ben ik er ook extreem in. Ik zou heel graag een houten theater bouwen in een grote oplegger, met een bar en een fantastische zaal voor tachtig mensen en daarmee rondtrekken en spelen waar je wil spelen. En dat gaat dan praktisch gezien in tegen wat Sara zegt. Want inderdaad, de mensen hebben allemaal een auto en er zijn overal van die afzichtelijke culturele centra.

Etcetera: Vinden jullie dat Stan een maatschappelijke functie heeft?

De Roo: Ik denk het wel, maar ik wil niets pretenderen en ik maak me geen illusies. Ik weet dat er geen kat wakker ligt van de première van Stan. Maatschappelijke relevantie is een dubbel woord. Maar er moeten mensen zijn die af en toe de dingen in vraag stellen. En of je het nu roept of fluistert: weerstand is belangrijk. Het is goed dat wij theater maken, omdat er al zoveel over geld wordt nagedacht. En het is goed dat er af en toe een paar mensen zijn die verhaaltjes vertellen. En wij hebben de pretentie te denken dat onze verhalen geld waard zijn.

De Schrijver: De nar is in dienst van de koning om de koning te doen bewegen. Naast de minister staan wij in dienst van de koning.

Etcetera: In welke lijn van het traject situeren jullie het platform dat jullie nu willen uitbouwen voor jonge kunstenaars?

De Roo: Het platformidee is een logische stap in de evolutie van het gezelschap. Je bent voortdurend op zoek naar je eigen weg. Je wil met andere mensen werken. We lenen onszelf uit aan andere gezelschappen: Dood Paard, Discordia. Nu is het tijd om nog een stap verder te zetten en ook het initiatiefrecht voor een voorstelling uit te lenen. Ik denk dat je het traject van Stan kan zien als een weg van geslotenheid naar openheid. En dit is weer een stap verder op die weg.

 

gesprek
Leestijd 9 — 12 minuten

Katrien Darras

Katrien Darras, redacteur van Etcetera, is licenciate in de Kunstwetenschappen en behaalde het aanvullend diploma Culturele Studies aan de K.U.Leuven.

gesprek