‘Bonjour Madame’, Les Ballets C de la B

Christien Boer

Leestijd 12 — 15 minuten

De eigen leefwereld teruggeven als kunst

Christien Boer sprak met Dirk Pauwels en Petra Blok. Er zijn meer gelijkenissen dan verschillen tussen Victoria en Festival aan de Werf

Festival aan de Werf in Utrecht vierde dit seizoen zijn tienjarig jubileum. Ieder jaar in mei brengt het festival een programma van produkties en projecten op het grensgebied van theater, dans, performance en beeldende kunst. De geselecteerde makers zijn meestal voor hun geld afhankelijk van de ad hoc-pot. In een tijdperk waarin organisaties zich vooral druk dienen te maken om publiekstoeloop en bezettingscijfers, maakt Theater aan de Werf zich vooral druk om kunstenaars met vaak onconventionele ideeën, op het moment dat die hun zeggingskracht in het kunstwerk nog moeten bewijzen. Toch is Festival aan de Werf niet in de zee van marktgericht denken verdronken, maar integendeel uitgegroeid tot een professionele organisatie, die in steeds sterkere mate het risico van eigen produkties is aangegaan. Het festival heeft inmiddels een vaste verblijfplaats: de Utrechtse School, een gebouw dat – met een programmering van nieuwe muziek en politieke debatten – ambieert om een cultureel centrum voor Utrecht te worden, en dat enkele festivalmakers door het jaar heen onderkomen biedt in een werkplaats.

Misschien is Festival aan de Werf een zalm die gedijt op zwemmen tegen de stroom in, en draagt het op haar rug het schuldgevoel van een overheid die meer voor kunstenaars in het ad hoc-circuit zou moeten betekenen. Het is zelfs al eens de tegenhanger van het Holland Festival genoemd. De bij de titel behorende structurele rijkssubsidie heeft het evenwel nog steeds niet. Maar het weet zich, met sponsorgelden, ad hoc-subsidies en eigen inkomsten uit horeca en kaartverkoop, financieel te handhaven. Daarenboven heeft het ook een redelijke publiekstoeloop. Dat bewijst misschien dat publiek ook nog op andere manieren te binden is dan met gekend aanbod.

Het Gentse theatergezelschap Victoria was in mei 1995 pregnant aanwezig in de programmering van het jubilerende festival. Geprogrammeerd stonden de produktie Moeder en Kind en het locatieproject Het Ovalium, terwijl Festival aan de Werf op Victoria’s concept van De Beste Belgische Danssolo varieerde met De beste body act, een wedstrijd voor amateurpodiumkunstenaars. De verhouding tussen beide organisaties is hartelijk, de nieuwsgierigheid naar eikaars werk is groot. Het heeft alles te maken met overeenkomsten in werkwijze en interesses.

Verschillen zijn er ook. Victoria is in de eerste plaats een jongerentheatergezelschap, daarnaast organiseert het in Gent jaarlijks een festival. De artistieke kern wordt gevormd door een vast verband van vier kunstenaars. Festival a/d Werf organiseert in de eerste plaats jaarlijks een festival en nodigt daarvoor wisselende kunstenaars uit. De projecten worden dikwijls speciaal voor Utrecht, op locatie, gemaakt. Daarnaast beheert Stichting Theater aan de Werf sinds twee jaar ook de Utrechtse School.

Worteling

Festival aan de Werf begon tien jaar geleden als een gelegenheidsfeestje waarmee het driehonderdvijfigjarig bestaan van de Rijksuniversiteit Utrecht werd gevierd. Dat gebeurde met veel spektakel op straat; zo werd bijvoorbeeld een opera opgevoerd in de gracht voor het Stadhuis. Inmiddels programmeert het festival nog maar incidenteel straattheater. Wat gebleven is, is de behoefte om vormen te zoeken die kunst en dagelijks leven dicht bij elkaar brengen. Dat uit zich in de aandacht waarmee ieder jaar naast de theaters ook niet-culturele accomodaties worden gezocht om het werk van de kunstenaars te presenteren. Het uit zich ook inhoudelijk, in het geselecteerde werk. In 1994 bijvoorbeeld ging in een bejaardentehuis een hoorspel-achtige voorstelling door, die daar met medewerking van de bewoners was gemaakt. In 1993 kon het publiek onder andere in de omgeving van de Utrechtse School foto’s bekijken waarmee een beeldend kunstenares de buurtwinkels tot kunstwerk had verheven.

Kunst en dagelijks leven dicht bij elkaar brengen – ziedaar alvast een overeenkomst tussen Theater a/d Werf en Victoria. Victoria bestaat pas twee jaar, maar is verrezen op het fundament van jarenlange ervaring: de artistieke leiding van Oud Huis Stekelbees droeg de vlag over aan Dirk Pauwels, die acht jaar lang artistiek leider van het Gentse Nieuwpoortteater was. Pauwels stelde een artistieke kern samen met drie kunstenaars uit diverse richtingen. Stef Cafmeyer, een van hen, fascineerde Pauwels onder meer omdat hij in zijn Gents café een eigenzinnige programmering had van de meest uiteenlopende vormen van podiumkunst, muziek en tentoonstellingen, waarbij de grenzen van de professionele en amateurkunst vloeiend werden. ‘Een soort Festival aan de Werf in het klein’, noemt Dirk Pauwels het zelfs, en hij voegt eraan toe: ‘maar dan wel zeer Gents.’

Petra Blok, artistiek directeur van Festival aan de Werf, noemt beide steden zeer vergelijkbaar: ‘De omvang van de instellingen, het water, het leven onder de rook van de grote steden. Onze werkwijze op zich zou je ook elders kunnen toepassen. Hoewel, omwille van praktische redenen misschien niet. Utrecht is een stad die meewerkt, bijvoorbeeld bij het zoeken van de locaties.

Kruisbestuiving

De drie projecten van Victoria in het Festival aan de Werf 1995 tonen goed aan dat de organisaties in werkwijze veel gemeenschappelijk hebben.

Choreograaf Alain Platel, lid van de artistieke kern van Victoria, was al drie keer met een produktie van zijn eigen groep Les Ballets C. de la B. te gast geweest in Utrecht. In 1994 bijvoorbeeld gaf het festival hem de gelegenheid om Bonjour Madame, comment allez-vous,…, etc. in open lucht uit te proberen. Het was in meerdere opzichten geen conventionele theaterproduktie. Platelwerkte met amateurs, jongeren, die hij hun eigen karakteristieke bewegingen en leefwereld teruggaf als kunst: in een choreografie in onderlinge samenhang gebracht. Festival aan de Werf had de locatie voor deze produktie aangeleverd: een braakliggend terrein vol onkruid middenin de stad. Een bont, multicultureel gezelschap van wachtende, dansende, dromende jongeren en een knetterende brommer in de zwoele avondlucht – de locatie gaf de voorstelling een onontbeerlijke meerwaarde. Moeder en Kind maakte Platel bij Victoria, maar de produktie paste ook Festival aan de Werf als een handschoen. In een collagevoorstelling over het leven van een familie, overigens een familie uit de sociale onderklasse, was het spel van kinderen en professionele acteurs harmonisch met elkaar verweven. Hier trof nog meer de virtuositeit waarmee schijnbaar onsamenhangende gebeurtenissen in onderling verband waren geplaatst.

Het Ovalium was een locatieproject van Stef Cafmeyer voor het Victoria-festival. Het project, waarvoor hij een aantal kunstenaars bijeen had gebracht, hield het midden tussen video-performance en rariteitenkabinet. Het publiek werd binnengeleid in een lege ovale ruimte, omgeven door gesloten toneelgordijnen. De gordijnen gingen op steeds andere plekken open. Becommentarieerd door een ‘gids’ kreeg het publiek korte performances te zien. Voor Victoria was het project een waagstuk, omdat Cafmeyer hier zijn café-formule overplantte naar een kunstmatige ruimte. Hoewel de voorstelling nog niet naar tevredenheid van de makers was, vond festival aan de Werf ze interessant genoeg om in Utrecht te programmeren. Die uitnodiging gaf Victoria de gelegenheid om Het Ovalium verder te perfectioneren.

In 1993 zag Dirk Pauwels op het achtste festival in Utrecht de locatievoorstelling Vlees van Kroetz in de regie van de beginnende Utrechtse theatermaakster Mechtild Prins. Pauwels was geboeid en zocht voor het Victoria-festival een geschikte locatie voor Vlees. Zo kwam Mechtild Prins naar Gent. Pauwels bood haar daar de gelegenheid om twee weken te werken met de Zuid-Afrikaanse danseres Isnel da Silveira. Voor Prins was het werken zonder tekst een nieuwe ervaring. In het daarop volgende festival was Prins een van de vier regisseurs in een project met jongeren rond Hugo Claus. Zij maakte op dat festival ook De Beste Belgische Danssolo’s mee. Toen het concept werd overgeplant naar Festival aan de Werf, aangepast aan de Utrechtse situatie, deed zij de eindregie.

De artistieke kern van Victoria heeft inmiddels voltallig acte de présence gegeven in Utrecht. Want ook van videokunstenaar Frank Theys, het vierde lid van Victoria’s artistieke kern, was gedurende het seizoen in de Utrechtse School een produktie te zien. Van al die die niks te zeggen hebben, zijn die die zwijgen ‘t aangenaamst combineerde toneelspel met videokunst.

Theater aan de Werf en Victoria laten zich beiden overtuigen door de zeggingskracht van een idee en nemen vervolgens het risico om dat de ruimte te geven en te presenteren. De makers hoeven zich niet aan de grenzen van het conventionele theater te houden; met graagte wordt geaccepteerd dat zij die grenzen overschrijden. Vanuit de onderlinge kruisbestuiving ontstaan organisch nieuwe ideeën en nieuwe combinaties van makers.

Vast

Petra Blok en Dirk Pauwels hebben elkaar al dikwijls in de wandelgangen gesproken; meestal in een uitwisseling van meningen over concrete voorstellingen en projecten. Het is een manier van interesse tonen die Blok in Nederland een beetje mist: ‘Gesprekken blijven daar vaak formeel, gaan over beleid.’

Voor dit Vlaams-Nederlandse dubbelnummer van twee vakbladen is er voor het eerst de rust om een gesprek te voeren buiten de lopende zaken om. Het geeft de gelegenheid om werkwijzen met elkaar te vergelijken.

Een belangrijk verschil is dat Victoria de samenwerking met een drietal kunstenaars voor vier jaar heeft vastgelegd. Juist op dit punt is de groep nu echter aan heroverweging toe. Pauwels: ‘Je moet, vind ik, de gekozen structuur voortdurend in vraag stellen. Het werken met vaste mensen heeft voordelen: je kan mensen de kans geven om te evolueren. Het nadeel is dat je vertrekt vanuit een illusie: kunstenaars die samen denken rond een constructie. Maar als je heel eerlijk bent, zijn ze daar maar gedeeltelijk mee bezig. We kiezen nog steeds voor vaste mensen, maar willen de deur op een kier zetten voor anderen. Natuurlijk is er wel een bezorgdheid voor elkaars werk. De Beste Belgische danssolo zou er bijvoorbeeld nooit gekomen zijn, als Alain niet in ons huis had gewerkt.’

Blok: ‘Wat ik van het begin af aan heb gevoeld: als je een vast verband aangaat, dan gaan dingen in de weg staan. Hoe gaat dat met geld, wat kan je wel en niet meer zelf besluiten, waarom bemoei je je wel of niet met het werk van anderen? Ik denk dat het vanuit vrijheid soepeler loopt. Wij hebben geen vaste makers, maar er zijn wel mensen met wie we een relatie hebben. Want het is belangrijk dat mensen ook mee gaan denken in andere projecten. Het lijkt mij eigenlijk ontzettend goed als Festival aan de Werf in staat zou zijn om, zoals Victoria, een theatermaker of choreograaf in dienst te nemen. Neem iemand als Frans Poelsta, die diverse ambities heeft, en zich vanuit zijn eigen betrokkenheid nu bemoeit met de dansprogrammering van ons festival. Of theatergroep Growing Up in Public, dat zijn basis heeft in de Utrechtse School. Doordat we dat gebouw hebben, word ik door regisseur Paul Feld aan de tand gevoeld over het programma. Hij maakt onderdeel uit van het gebouw, dus is het belangrijk wat hij zegt.’

Verruiming

Victoria maakt theater voor jongeren; een doelgroep waar Dirk Pauwels op een natuurlijke, bij Victoria passende wijze ingegroeid is. Pauwels: ‘Ik heb geen speciaal verantwoordelijkheidsgevoel voor de jeugd. Victoria werd door de overheid verzocht om een werklozen-project met jongeren op te starten. Gaandeweg zijn jongeren mij zeer gaan boeien. Die leeftijdsgroep, waar die mensen mee bezig zijn, ik zou dat niet meer kunnen missen. Daarna hebben we de Victors opgericht, een groep van jongeren die theater maakt binnen Victoria. Dat is dus toevallig en vanuit artistiek oogpunt ontstaan. Met onze eerste produktie zijn we geselecteerd voor het scholierenfestival van het LOKV in Utrecht. Aan de ene kant fantastisch, aan de andere kant zou ik veel liever met ze in het avond-circuit zitten. We proberen zelf organisatoren te sensibiliseren om mensen van vijftien, zestien jaar ‘s avonds naar het theater te laten gaan; niet tussen de schoollessen door. er zijn culturele centra in Vlaanderen die daar zeer goed in slagen.’

Victoria probeert jongeren bij het theater te betrekken door zelf actief met jongeren te werken. Pauwels: ‘Vooral via het festival; de Danssolo’s hebben onze publieksopkomst verdrievoudigd.’ Met een pedagogische benadering van jongeren heeft hij moeite. ‘Op de Signaaldag maakte ik een educatieve discussie mee over “wat jongeren bezighoudt”, over de fantasie die ze hebben. Ik vind eigenlijk dat ze heel weinig fantasie hebben, maar voor mij hebben ze wel iets ongewapends. Beperkingen die bij volwassenen negatief werken, werken bij hen positief. Overigens heb ik wel degelijk ook een educatieve bezorgdheid. Als ik met jongeren iets maak, vind ik het proces niet belangrijker dan het resultaat. Dat sprookje telt bij mij niet. Jongeren moeten bij mij iets leren over het métier. Wat mij boeit, is dat als daar mensen bij zitten die in het theater terecht komen, ze gewapend zijn tegen de opleidingen. Ik wil dat ze leren hoe ritme werkt, hoe er met tekst gewerkt kan worden, wat poses zijn, wat snelheid is en emotie. Mijn manier van werken wijkt totaal af van wat dramadocenten doen; het is een andere taal.’

Theater aan de Werf richt zich met de ongepolijste vormgeving en de korte, wervende teksten van haar festivalkrant, op een bepaald segment van het ‘brede’ publiek: de (studenten)populatie uit Utrecht en omgeving, geïnteresseerd in cultuur in ruime zin, maar niet persé geoefend in het kijken naar theater. Schoorvoetend wordt nu gezocht naar nieuwe manieren van publieksbenadering, mede omdat de Utrechtse School voor haar eigen programmering om nieuw publiek vraagt. De manier waarop dit gebeurt, past in de bedrijfsfilosofie.

Blok: ‘We hebben dit jaar iemand, Hans Lemmerman, een project laten doen bij het festival. Hij is dramaturg en weet veel over theater, maar is ook geschoold in educatie. Hij werd gek van de manier waarop hij in bestaande educatieve organisaties moest functioneren. Ik heb tegen hem gezegd: doe maar wat. En dat was precies wat hij graag wilde. Iedere keer als ik hem op het festival tegenkwam en vroeg: “hoe gaat het?”, dan zei hij: “best”, en dan zat er bijvoorbeeld een grote groep bejaarden om hem heen. Hij heeft prostituées en asielzoekers bij projecten betrokken. Hij wil de diepte in; met een paar mensen uit heel verschillende richtingen intensief werken, die dan vervolgens ambassadeurs worden voor hun achterban. Hij ontwikkelt nieuwe strategieën. Maar heel concreet, zonder enorme theorievorming.’

Commentaar

Optimale vrijheid voor de kunstenaar, voor de mensen met dwingende ideeën. Het is beide organisaties vaak verweten, in de vorm van kritiek op de wisselende kwaliteit van het eindresultaat. Hoe gaan zij met deze kritiek om?

Pauwels: ‘Ik ben niet geïnteresseerd in virtuositeit. Als ik dat wilde, zou ik anders zijn gaan werken en met andere mensen. Om de voorstellingen die wij maken, moeten wij ons hart vasthouden. Terwijl ik voel dat in het theater veel formaties bestaan die met erkende virtuositeit werken. Victoria kiest voor het avontuur; Platel”>Alain Platel bijvoorbeeld maakt bij ons heel andere dingen dan in zijn baletten. Hij gaat hier andere uitdagingen aan, zoals werken met tekst. Dit jaar geven we voor ons festival opdrachten aan mensen die normaal niet in het theater zitten, om met een klein budget op grond van het thema ‘cru’ iets te maken. Zonder dat het precies lijkt op wat Festival aan de Werf in Utrecht doet, merk ik dat het op dezelfde manier vèr staat van zekerheiden. Zij weten, net als wij, dat een aantal dingen niet goed ontvangen wordt, niet gelukt is, maar dat het op zichzelf allemaal uitdagend is en dat er dan ook dingen uitkomen die al het andere op het gebied van theater overstijgen.’

Blok: ‘Maar het is niet vrijblijvend wat er uitkomt, en het is niet zo dat we geen successen zouden willen. We werken niet vanuit een sociale doelstelling voor kunstenaars, maar vanuit nieuwsgierigheid. Je hoopt dingen boven water te krijgen die er anders niet zo snel uitkomen. Maar eigenlijk ben ik er wel iedere keer van overtuigd dat wij met mensen werken die wèl produkties maken die de moeite waard zijn.’

Pauwels: ‘Als je ziet hoe vaak in het circuit van de gekende gezelschappen voorstellingen afgelast worden, niet doorgaan, of wel doorgaan, maar dan saai zijn. Dat is dus theater. Het verschil is, als je je kwetsbaar opstelt, krijg je het stigma: dat is kennelijk een organisatie die mag mislukken. Dat is totaal verkeerd. Je mag niet mislukken, omdat het noch voor het publiek, noch voor jezelf, noch voor de kunstenaar interessant is om een kater te hebben. Het begint met zoeken naar de goede mensen om mee te werken: waaróm ga je met iemand een verbintenis aan? En dat heeft alles te maken met professionaliteit, met aanvoelen: met deze wil ik iets. En dan is het geen groot risico. Om een voorbeeld te nemen uit het Festival aan de Werf: vorig jaar zag ik Tekst voor een bejaardentehuis van Robert Steijn en dat vond ik verschrikkelijk; veel te explicatief. Dit jaar zag ik zijn Tekst vanuit een gevangenis en dat vond ik in zijn geheel zeer interessant. Die tweede produktie liet het parcours zien dat iemand aflegt. Het is een voorbeeld van op de juiste manier met kunstenaars omgaan. Want de kunst is om op een bepaald vlak de juiste mensen te kiezen. Dat lijkt gemakkelijk, maar is zeer moeilijk.’

Blok: ‘Je blijft altijd twijfelen; vooraf, achteraf. Dat dwingt je om steeds nieuwe dingen binnen te halen. Als je dat laat varen, dan je gemakkelijk succesnummers bij elkaar zoeken.’ Beide organisaties ambiëren dat niet. Maar het etiket ‘experimenteel theater’ wordt met overtuiging afgewezen.

Blok: ‘Het is belangrijk om gelegenheid te bieden voor dingen die ergens anders niet kunnen gebeuren. Echter niet vanuit een bewust nadenken (“wij gaan een andere weg in”), maar vanuit de vraag: wat zijn belemmeringen voor kunstenaars die telkens terugkomen? En daar kan je concreet iets in betekenen. Bijvoorbeeld met het gegeven dat iets behalve een voorstelling ook best een wandeling mag zijn, of een gebeurtenis, of iets documentaire-achtigs. Als je daar echter een doel op zich van maakt, wordt het oppervlakkig, want waar gaat het dan over?’

Pauwels: ‘Het Ovalium lijkt experimenteel, maar als je het allemaal analyseert, is het zeer klassiek, hoor. We zijn wèl experimenteel in de manier waarop we onze weg zoeken. Eigenlijk willen we gewoon op een zeer schone manier met het werk omgaan.’

Maar wanneer is iets ‘schoon’? In een speciale jubileumuitgave – de eerste keer dat Festival aan de Werf in haar publiciteit dieper ingaat op de motivatie van haar makers – stellen de programmatoren Petra Blok, Marijn van der Jagt en Mark Kremer in de inleiding: ‘Festival aan de Werf kiest voor het engagement. Voor kunstenaars die iets belangrijks vertellen over de wereld van nu, alleen al door de manier waarop zij zelf in die wereld staan.’ Misschien is dit een reactie op het verwijt van navelstaarderij, dat festival-voorstellingen weieens ten deel is gevallen. Minimaal kan gezegd worden dat het begrip ‘engagement’ hier is opgerekt, en zeker niet alleen gebruikt wordt voor voorstellingen die de politieke en maatschappelijke realiteit tot onderwerp hebben. De organisatoren zien ook engagement in performance-achtige optredens, waarvan critici menen dat zij het persoonlijke niet overstijgen: in abstracte bewegingen of introspectieve overwegingen herkennen zij reflecties van het lichaam en de ziel op de wereld van nu.

De directe maatschappelijke reflectie is er overigens wel, zoals in de beeldende kunst projecten Berlin Mitte van de kunstenaar Ulay (impressies van imperialistische bouwstijlen in Berlijn) en Deixis van Jan Hietala (persoonlijke reflecties op aids), meer indirect in het project Teksten vanuit een gevangenis, en niet te vergeten Victoria’s Moeder en Kind en Het Ovalium.

Pauwels: ‘Engagement is voor Victoria een uitgangspunt. Als bij ons een voorstelling zou uitkomen gebaseerd op vorm en esthetiek, zou ik zeer ongelukkig zijn. Maar goed: je kunt toch geen parameter opstellen van wat wel en niet engagement is? Als ik een prachtige danser zie, die mij emotioneel pakt, ga ik hem toch niet uit mijn festival weren!’

‘Ik denk dat dit de frustratie is van het werk dat wij doen: als je het verhaaltje neerschrijft, en je vertrekt vanuit de betrokkenheid van de kunstenaar, dat je niet meer uniek bent, want alle verhalen gaan daarover. Iederéén is grensverleggend bezig; je hanteert een jargon dat al jaren bestaat. Alain zei: “We hebben geprogrammeerd wat we vonden dat goed is” en daar kwam in de pers commentaar op. Dat mag niet meer, want het is kunst, echte kunst. Het is daarom eigenlijk vooral interessant om je werk maar te tonen, zonder al te veel commentaar.’

Moeder en Kind is te zien op 25/8 (20u30), 26/8 (17u) en 27/8 (17u) in het Nieuwpoortteater in Gent, en op 2/9 en 3/9 om 20u30 in Theater Bellevue in Amsterdam

 

artikel
Leestijd 12 — 15 minuten

Christien Boer

artikel